Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-04-19
ECLI:NL:RBZWB:2022:6932
Strafrecht
Raadkamer
2,913 tokens
Dictum
[klager]
wonende te [woonplaats] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J. van Rooijen, Tivolistraat 18, 5017 HP Tilburg
hierna te noemen: klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgevingen van inbeslagname op grond van artikel 94 en artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 28 september 2021 onder klager in beslag zijn genomen: een personenauto van het merk, Volkswagen, type, Passat, een scooter van het merk, Vespa, type, Sprint Piaggo, een aanhangwagen, buitenkeuken en een grote hoeveelheid aan gegevensdragers zoals USB-sticks en externe harde schijven.
het klaagschrift, ingediend op 7 januari 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
het verweerschrift van de officier van justitie; en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 5 april 2022. Gehoord zijn de officier van justitie, klager en mr. J. van Rooijen als gemachtigd raadsman van klager.
Namens klager is aangevoerd dat er op 28 september 2021 vele goederen onder klager in beslag zijn genomen, waaronder een auto (Volkswagen Passat), scooter (Vespa), een buitenkeuken van Boretti, USB-sticks, harde schijven, laptops, telefoons en een aanhanger (kenteken; [kenteken] ). Klager is eigenaar over deze goederen. Het is klager niet duidelijk waarom voornoemde goederen in beslag zijn genomen. Ondanks een schriftelijk verzoek aan de officier van justitie beschikt klager thans nog niet over zijn goederen. Klager wordt onevenredig bezwaard door de voortduring van het beslag en door het uitblijven van een last tot teruggave. Klager lijdt hier financiële schade door hetgeen klager zich niet kan veroorloven. Redenen waarom klager de rechtbank verzoekt zijn klaagschrift gegrond te verklaren onder teruggave van de goederen aan klager.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Op 28 september 2021 heeft er een actiedag plaatsgevonden in onderzoek Philippus. Klager maakt deel uit van dit strafrechtelijk onderzoek en hem wordt verweten deel uit te maken van een criminele organisatie, productie van metamfetamine en/of amfetamine en het voorhanden hebben van munitie van categorie III Wet Wapens en Munitie. In het kader van de door de rechter-commissaris gegeven machtiging tot het leggen van conservatoir beslag ter hoogte van
€ 87.000,00 zijn er meerdere goederen onder klager in beslag genomen. Er zijn tevens goederen op grond van klassiek beslag in beslag genomen. Voor wat betreft die laatst genoemde goederen is de officier van justitie van mening dat er thans nog belang van waarheidsvinding aanwezig is nu er nog strafrechtelijk onderzoek naar de gegevensdragers dient te worden verricht. een aantal van deze goederen zijn inmiddels geretourneerd zodat het klaagschrift voor dat deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor de in conservatoir in beslag genomen goederen geldt dat er sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een verplichting tot betaling van een geldboete zal opleggen gelet op de tegen klager heersende strafrechtelijke verdenkingen.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift voor zover dit ziet op de gegevensdragers die thans nog in beslag zijn genomen en op de goederen waarop het conservatoir beslag ligt.
De rechtbank zal klager niet-ontvankelijk verklaren voor zover dit ziet op de inmiddels, na onderzoek, geretourneerde gegevensdragers. Daarmee is het beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 is geëindigd. De rechtbank zal klaagster in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar beklag ten aanzien van deze goederen.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
Uit de stukken die de rechtbank beschikbaar zijn gesteld en het verhandelde in raadkamer begrijpt de rechtbank dat klager ervan wordt verdacht deel uit te maken van een criminele organisatie die is betrokken in de (grootschalige) productie en handel van harddrugs. Onder klager zijn een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag genomen die onderzocht dienen te worden. In raadkamer heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat, gelet op de grote hoeveelheid aan gegevensdragers en de beperkte inzet van agenten die deze gegevensdragers uit kunnen lezen, er geen termijn gesteld kan worden waarbinnen deze gegevensdragers geretourneerd kunnen worden aan klager. De officier van justitie heeft wel gesteld, dat zodra het onderzoek aan gegevensdragers is afgerond en deze niet dienen te worden onttrokken aan het verkeer, zij aan klager zullen worden teruggegeven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er thans nog voldoende strafvorderlijk onderzoeksbelang aanwezig is dat de verdere inbeslagname van de gegevensdragers noodzakelijk maakt. Daarbij is van groot belang dat er in strafrechtelijke onderzoeken er secuur en grondig onderzoek plaatsvindt naar belastend en ontlastend bewijs. Dat hiermee veel tijd gemoeid kan zijn is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor genomen constatering, niet buiten de grenzen van het proportionele.
De rechtbank zal daarom thans geen nadere termijn stellen waarbinnen dat onderzoek moet zijn afgerond.
De rechtbank zal het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren voor zover het ziet op de gegevensdragers die op grond van artikel 94 Sv in beslag zijn genomen.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en
(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66, r.o. 2.6).
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De rechtbank stelt voorts vast dat de rechter-commissaris een machtiging conservatoir beslag heeft verleend voor een bedrag van € 87.000,00. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van de in beslag genomen voorwerpen zal opleggen, dan wel aan verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen nu de rechtbank begrijpt dat er (wellicht) een vordering tot ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel wordt voorbereid. Aangezien deze voorwerpen dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard voor zover het klaagschrift ziet op de goederen die op grond van artikel 94a Sv in beslag zijn genomen. Mede gelet op de omvang van het onderzoek en de verdenkingen tegen klager is de rechtbank van oordeel dat het gelegde conservatoir beslag niet disproportioneel is.
Dictum
De rechtbank verklaart;
Klager niet-ontvankelijk voor zover het klaagschrift ziet op de geretourneerde gegevensdragers;
Het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 19 april 2022 gegeven door mr. R.P. Broeders, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).