Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:7898
Strafrecht
Raadkamer
3,065 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ( [land] )
wonende te [woonadres]
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 9 juni 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de beslaglijst met daarop het beslag dat op grond van artikelen 94 en 94a Sv onder klager in beslag is genomen (zie bijlage);
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 28 oktober 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J. Bezem en mr. R. van ‘’t Land als gemachtigd waarnemend raadsman van klager gehoord.
Klager en [belanghebbende] zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift aanwezig geweest.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van een groot deel van het beslag met last tot teruggave aan de klager. In raadkamer is toegelicht dat het beslag mag voortduren op:- [adres 1] met bijbehorende gronden (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 6 tot en met 10);- [woonadres] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 11 en 12);- [adres 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 16).Verzocht wordt het beslag op de overige (onroerende) goederen op te heffen. Naar de mening van klager geven de beslagen onroerende goederen waartegen het klaagschrift zich niet richt voldoende zekerheid om een eventuele geldboete of ontnemingsvordering te voldoen. De raadsman heeft in raadkamer toegevoegd dat in geval van een verbeurdverklaring van het onroerend goed aan de [adres 1] de ontnemingsvordering zal moeten worden gematigd. Ook in dat geval is het voortduren van het beslag op de overige goederen niet proportioneel.
De officier van justitie heeft zich na overleg met de raadsman in raadkamer op het standpunt gesteld dat de volgende onroerende goederen aan klager kunnen worden teruggegeven:- personenauto Ducati [kenteken 1] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 1);
- personenauto Rolls Royce [kenteken 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 2);
- personenauto Mercedes-Benz [kenteken 3] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 3);
- personenauto Mercedes-Benz [kenteken 4] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 4);
- personenauto BMW [kenteken 5] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 5);
- [adres 3] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 13 en 14);
- [adres 4] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 15);
Voor het overige moet het beslag waarover wordt geklaagd worden gehandhaafd. Naar de mening van de officier van justitie staat in ieder geval een deel van de beslagen bedragen in rechtstreeks verband tot de verweten feiten en voor het overige kan het beslag worden gebruikt voor de executie van de ontnemingsbedragen en geldboetes die zullen worden gevorderd.
Beoordeling
2.1
Omvang van de beoordeling
De rechtbank begrijpt dat het klaagschrift zich niet (langer) richt tegen het beslag op de volgende onroerende goederen:
- [adres 1] met bijbehorende gronden (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 6 tot en met 10);- [woonadres] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 11 en 12);- [adres 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 16).Zij zal daarom het beslag op deze onroerende goederen op zichzelf niet beoordelen. Uiteraard neemt de rechtbank het handhaven van dit beslag wel mee in haar beoordeling van de proportionaliteit van het overige beslag.
2.2
Formaliteiten en vooropstelling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
2.3
Klassiek beslag
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de in beslag genomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is. Dit geldt ook als het Openbaar Ministerie van oordeel is dat het voorwerp teruggegeven kan worden aan een ander dan klager.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank stelt vast dat uit het standpunt van de officier van justitie volgt dat hij niet langer een strafvorderlijk belang ziet bij het voortduren van het beslag op:
- personenauto Ducati [kenteken 1] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 1);
- personenauto Rolls Royce [kenteken 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 2);
- personenauto Mercedes-Benz [kenteken 3] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 3);
- personenauto Mercedes-Benz [kenteken 4] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 4);
- personenauto BMW [kenteken 5] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 5);
- [adres 3] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 13 en 14);
- [adres 4] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 15).
Gelet op dit standpunt zal de rechtbank het klaagschrift in ieder geval gegrond verklaren voor zover het ziet op bovengenoemde (onroerende) goederen. Uit het raadkamerdossier volgt dat klager als redelijkerwijs rechthebbende op de onder hem in beslag genomen (delen van de) genoemde goederen moet worden aangemerkt. De rechtbank zal dan ook de teruggave aan klager gelasten van de voornoemde personenauto’s. De rechtbank zal verder gelasten het beslag op de voornoemde onroerende goederen op te heffen.
Voor het overige beslag waarover wordt geklaagd stelt de rechtbank vast dat er nog altijd sprake is van een strafvorderlijk belang. Gelet op de verdenking tegen klager die blijkt uit het raadkamerdossier en het verband met het gelegde beslag is het naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend de verbeurdverklaring van dit beslag uit zal spreken.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of het voortduren van het beslag ook voldoet aan de eisen van proportionaliteit. De rechtbank weegt hierbij mee dat de executiewaarde van het resterende beslag deels onderhevig is aan de fluctuaties op de woningmarkt. De rechtbank zal het klaagschrift gericht tegen het beslag op grond van artikel 94 Sv voor het overige ongegrond verklaren.
2.4
Conservatoir beslag
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, bij een artikel 94a, eerste, tweede of derde lid, Sv beslag onderzoeken:
( i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde of vijfde categorie kan worden opgelegd;
en
(ii) of zich het geval voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of een betalingsverplichting van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot tenminste de hoogte van de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen zal opleggen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift tegen het beslag op grond van 94 Sv en 94a Sv gegrond voor zover het zich richt tegen het beslag op:
* personenauto Ducati [kenteken 1] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 1);
* personenauto Rolls Royce [kenteken 2] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 2);
* personenauto Mercedes-Benz [kenteken 3] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 3);
* personenauto Mercedes-Benz [kenteken 4] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 4);
* personenauto BMW [kenteken 5] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 5);
* [adres 3] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummers 13 en 14);
* [adres 4] (in de beslaglijst opgenomen als volgnummer 15);
- gelast de teruggave aan klager van voornoemde personenauto’s;
- gelast de de opheffing van het beslag op voornoemde onroerende goederen;
- verklaart het klaagschrift tegen het beslag op grond van 94 Sv en 94a Sv voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 11 november 2025 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 november 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2023:81.
ECLI:NL:HR:2010:BL2823.
ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66, r.o. 2.6.