Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-09-16
ECLI:NL:RBZWB:2022:5405
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,247 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2272
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 24 februari 2022 (het bestreden besluit) inzake het buiten behandeling stellen van haar aanvraag ingevolge de Participatiewet.
Overwegingen
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Vast staat dat verweerder het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 25 februari 2022
door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde
op 8 april 2022.
Eiseres heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Op de enveloppe staat geen leesbaar poststempel. Het beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 25 april 2022. Dat is later dan de tweede werkdag na afloop van de beroepstermijn. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Eiseres heeft hiervoor de volgende reden gegeven. De maatschappelijke werkster die voor eiseres het beroepschrift zou opstellen, is besmet geraakt met het COVID-19 virus. Hierdoor heeft zij het beroepschrift niet meer tijdig kunnen opstellen. Nadat ze weer opgeknapt was, heeft ze samen met eiseres het beroepschrift opgesteld, maar dit was buiten de beroepstermijn. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van beroep (de Raad) dient het handelen of nalaten van een door eiseres zelf ingeschakelde gemachtigde voor rekening en risico van eiseres te blijven. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de gehele beroepstermijn van zes weken niet in staat is geweest om, zo nodig op nader aan te voeren gronden, zelf tijdig een beroepschrift in te dienen of door een ander dan haar maatschappelijk werkster te laten indienen.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 16 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1641