Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2023:3116
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,188 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1275
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Inleiding
1. Eiser heeft op 7 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 november 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake de terugvordering van teveel betaalde uitkering ingevolge de Ziektewet. Het UWV heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een beroepschrift en doorgezonden aan de rechtbank. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat het UWV het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 26 november 2020 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 7 januari 2021.
4.1.
Eiser heeft op 7 februari 2023 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Eiser heeft het bestreden besluit pas sinds kort in zijn bezit. Omdat er een gemachtigde was, is het besluit niet naar eiser verzonden of in de UWV werkmap terechtgekomen. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Ingeval iemand zich in de bezwaarprocedure laat bijstaan door een gemachtigde, wordt de beslissing op bezwaar aan de gemachtigde gestuurd. Het is aan de gemachtigde om zijn cliënt hiervan op de hoogte te stellen. Het UWV heeft dit in de brief van 26 november 2020 aan de toenmalige gemachtigde van eiser ook aangegeven. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van beroep (de Raad) dient het handelen of nalaten van een door eiser zelf ingeschakelde gemachtigde voor rekening en risico van eiser te blijven.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 4 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1641