Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2022-01-17
ECLI:NL:RBZWB:2022:126
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,672 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/1963 WABOA V
uitspraak van 17 januari 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam opposant] , te [plaatsnaam] , opposant,
gemachtigde: mr. R.J.M. Sintnicolaas.
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 17 maart 2021 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda ( het college) inzake de intrekking van de aan opposant verleende omgevingsvergunning voor de verbouwing van een schuur aan de [straatnaam] [huisnummer] te [plaatsnaam] naar een woning.
Bij uitspraak van 14 oktober 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat het beroepschrift te laat is ingediend.
2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is.
3. Opposant is het met de rechtbank eens dat de beroepstermijn eindigde op 28 april 2021 en dat op 3 mei 2021 en daarmee buiten de beroepstermijn beroep is ingesteld. Opposant beroept zich op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Volgens opposant heeft de rechtbank het beroep ten onrechte vereenvoudigd afgedaan zonder het college in het geding te betrekken. Opposant verwijst daartoe naar arresten van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2005:AT8940 en ECLI:NL:HR:2005:AT3034). Daarnaast stelt opposant dat indiening van een beroepschrift langs elektronische weg verplicht is op grond van artikel 8:36a van de Awb en hij vanwege een storing in het digitale systeem van de rechtbank niet tijdig een beroepschrift kon indienen. De storing in het systeem mag hem niet worden aangerekend. Ook kan niet van hem worden gevergd dat hij ermee bekend is dat de storing (een korte tijd) verholpen is, temeer nu het systeem niet voorziet in het krijgen van een melding daarvan. Om deze redenen en ter waarborging van de toegang tot de rechter, dient de rechtbank volgens opposant coulanter te zijn ten aanzien van de indieningstermijn. Opposant meent dat het onder deze omstandigheden onevenredig is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard zonder een inhoudelijke behandeling op een zitting. Niet gebleken is dat het college bezwaar heeft tegen een inhoudelijke behandeling.
4. De verzetrechter stelt voorop dat de beroepstermijn van openbare orde is. Dit houdt in dat de rechtbank ambtshalve beoordeelt of een beroepschrift tijdig (of verschoonbaar te laat) is ingediend. Deze beoordeling van de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel is niet afhankelijk van partijen, maar dient te worden beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen. De arresten van de Hoge Raad (waar opposant naar verwijst) maken dit niet anders, omdat die zien op fiscale geschillen, waarbij een ander toetsingskader van toepassing is. Deze grond faalt.
5. De verzetrechter volgt opposant niet in zijn standpunt dat op grond van artikel 8:36a van de Awb verplicht digitaal beroep moet worden ingesteld. Artikel 8:36a van de Awb is namelijk uitsluitend in werking getreden voor asiel- en bewaringszaken bij de rechtbanken en voor bestuursrechtelijke cassatieprocedures waarvan de belastingkamer van de Hoge Raad kennisneemt. Voor andere zaken waarover wordt geprocedeerd bij de bestuursrechter, zoals deze zaak over een omgevingsvergunning, is dit artikel nog niet in werking getreden. (De gemachtigde van) opposant had dus, náást digitale indiening, de mogelijkheid om binnen de beroepstermijn en ter veiligstelling van de termijn beroep in te stellen met een (aangetekende) brief of per fax. Ook deze grond faalt.
6. De verzetrechter is van oordeel dat ook anderszins geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor een niet-ontvankelijk verklaring achterwege dient te blijven.
Daartoe overweegt de verzetrechter dat de storing van het systeem opposant weliswaar niet is aan te rekenen, maar wel dat hij (of zijn gemachtigde) niet op andere wijze tijdig een beroepschrift heeft ingediend. Ook had (de gemachtigde van) opposant kunnen weten dat de storing op woensdag 28 april 2021 rond het middaguur verholpen was en vervolgens op die dag tijdig of de dag erna (donderdag 29 april 2021) verschoonbaar te laat digitaal een beroepschrift kunnen indienen. (De gemachtigde van) opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hiertoe niet in staat is geweest. Nu (de gemachtigde van) opposant deze mogelijkheden onbenut heeft gelaten, dient dit voor zijn rekening en risico te blijven. De door opposant gestelde onevenredigheid bij het achterwege laten van een inhoudelijke behandeling van het beroep, maakt dit niet anders. De Awb biedt in het kader van de ontvankelijkheid geen ruimte voor een belangenafweging. Opposant is zelf verantwoordelijk voor het tijdig (laten) indienen van een beroepschrift ter veiligstelling van de termijn en zijn belangen.
7. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 14 oktober 2021. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 17 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Raad van State, 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3451.
Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2005:AT3034, AB 2005, 246 met noot R.J.G.M. Widdershoven.
Staatsblad 2017, 714 en Staatsblad 2020, 99.