Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-14
ECLI:NL:RBROT:2025:576
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
7,416 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/11300 en ROT 24/11541
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2025 in de zaak ROT 24/11300 tussen
[naam verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer),
en
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2025 in de zaak ROT 24/11541 tussen
[naam verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, Stroomopwaarts
(gemachtigde: mr. E. Calmera).
zaaknummer: ROT 24/11300
Inleiding
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 december 2024 heeft het college de aanvraag van verzoekster van 5 november 2024 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) doorgezonden naar de gemeente Vlaardingen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 januari 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak ROT 24/11541. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door A. Alzobaru (tolk), mr. M. Kaplan namens de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Op 5 november 2024 heeft verzoekster het college per e-mail verzocht om een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag doorgezonden naar de gemeente Vlaardingen omdat verzoekster daar volgens het college woont.
Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij stelt dat zij niet in Vlaardingen woont nu de gemeente Vlaardingen haar aanvraag om een bijstandsuitkering heeft afgewezen omdat zij volgens de gemeente Vlaardingen in Nissewaard verblijft. Verzoekster voert aan dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en daarom als bankslaper op verschillende locaties in verschillende gemeenten, afhankelijk van waar zij op dat moment tijdelijk onderdak kan vinden moet worden aangemerkt.
3. Uit de rapportage van 9 december 2024 volgt dat verzoekster op het moment van de aanvraag in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven op een adres in Rotterdam, maar dat dit adres sinds 25 oktober 2024 in onderzoek is gesteld. Het college heeft daaruit afgeleid dat verzoekster er op dat moment feitelijk niet meer woonde.
Per 26 november 2024 is verzoekster in de brp uitgeschreven uit de gemeente Rotterdam en is zij ingeschreven in de gemeente Vlaardingen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Daarbij is de aanvraagdatum bepalend voor het antwoord op de vraag welk college bevoegd is om de aanvraag in behandeling te nemen.
De vraag waar iemand woonplaats heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de brp. Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont, is bepalend de plaats waar hij of zij werkelijk woont en waar het centrum van zijn of haar maatschappelijk leven zich bevindt. Dit geldt ook voor personen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben maar wel met een woon- of briefadres staan ingeschreven in de brp. Als iemand geen hoofdverblijf in een woning heeft, is zijn of haar woonplaats de plaats waar hij of zij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
6. Hoewel verzoekster in de te beoordelen periode op het adres van een woning in Rotterdam stond ingeschreven in de brp, kon het college hieruit niet afleiden dat zij hier haar hoofdverblijf had nu dit adres in onderzoek was gesteld. Voor het college was daarom op dat moment niet duidelijk waar verzoekster daadwerkelijk verbleef. Omdat verzoekster ten tijde van de beoordeling van de aanvraag bleek te zijn ingeschreven in de gemeente Vlaardingen met een briefadres, is het college er vanuit gegaan dat zij op dat moment daar haar woonplaats had. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij in Rotterdam verblijft. Nu verzoekster zich kennelijk op een adres in Vlaardingen had laten inschrijven en daarover zelf geen nadere informatie heeft verstrekt, heeft het college hieruit mogen afleiden dat zij op dat moment kennelijk naar die gemeente was vertrokken en heeft het college de aanvraag terecht naar die gemeente doorgestuurd. Dat de gemeente Vlaardingen haar aanvraag vervolgens heeft afgewezen omdat zij daar volgens die gemeente niet verblijft, maakt het voorgaande niet anders. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college geen bijstandsuitkering aan verzoekster hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak ROT 24/11300 af.
ROT 24/11541
Inleiding
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 heeft Stroomopwaarts de aanvraag van verzoekster van 19 november 2024 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 januari 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak ROT 24/11300. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door A. Alzobaru (tolk), mr. M. Kaplan namens de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van Stroomopwaarts.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Op 19 november 2024 heeft verzoekster een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij Stroomopwaarts. Zij heeft tijdens een gesprek op 19 november 2024 verklaard dat zij nog geen postadres heeft en dat zij bij vrienden en kennissen slaapt en soms in de moskee.
3. Bij mailbericht van 6 december 2024 is verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op 12 december 2024 waarbij onder meer aan verzoekster is gevraagd om een schriftelijke, gemotiveerde en onderbouwde verklaring in te leveren op welke adressen, dagen en bij wie verzoekster daadwerkelijk heeft verbleven vanaf 19 november 2024.
De rapportage van 12 december 2024 vermeldt dat verzoekster deze verklaring niet heeft overgelegd, maar dat wel tijdens het intakegesprek is verklaard dat zij 7 dagen in de week bij haar vriendin in Zuidland verblijft. In een gespreksbevestiging van 12 december 2024 is vermeld dat een vriendin van verzoekster heeft getolkt voor verzoekster en dat deze vriendin heeft verklaard dat verzoekster 7 dagen per week bij haar op haar adres in Zuidland verblijft. De persoonlijke spullen van verzoekster liggen daar ook.
Verder heeft Stroomopwaarts op 9 december 2024 de doorgezonden bijstandsaanvraag van de gemeente Rotterdam ontvangen.
4. Vervolgens heeft Stroomopwaarts met het besluit van 13 december 2024 de aanvraag om een bijstandsuitkering van 19 november van verzoekster afgewezen omdat zij heeft verklaard dat zij in de gemeente Zuidland woonachtig is en dus niet in Vlaardingen. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Verzoekster voert aan dat de gemeente Rotterdam haar naar de gemeente Vlaardingen heeft verwezen omdat de gemeente Rotterdam vindt dat zij in Vlaardingen woont. Door de bijstandsaanvragen steeds door te verwijzen, schenden de gemeenten hun zorgplicht omdat zij onvoldoende rekening houden met de omstandigheden van verzoekster. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat haar verblijf in de gemeente Zuidland slechts tijdelijk was en dat zij zich niet op het adres van die vriendin kan inschrijven. Zij verblijft op dit moment niet meer bij die vriendin, maar bij een kennis in Schiedam.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Daarbij is de aanvraagdatum bepalend voor het antwoord op de vraag welk college bevoegd is om de aanvraag in behandeling te nemen.
De vraag waar iemand woonplaats heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de brp. Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont, is bepalend de plaats waar hij of zij werkelijk woont en waar het centrum van zijn of haar maatschappelijk leven zich bevindt. Dit geldt ook voor personen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben maar wel met een woon- of briefadres staan ingeschreven in de brp. Als iemand geen hoofdverblijf in een woning heeft, is zijn of haar woonplaats de plaats waar hij of zij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
7. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter desgevraagd bij brief van 24 december 2024 bericht dat zij geen vaste woon-of verplaats heeft en als bankslaapster her en der verblijft. Het adres in Vlaardingen betreft een postadres. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij op verschillende locaties in verschillende gemeenten verblijft, afhankelijk van waar zij op dat moment tijdelijk onderdak kan vinden. Verzoekster heeft verder toegelicht dat zij ook de zorg heeft voor haar minderjarig kind dat in Schiedam naar school gaat. Als zij geen onderdak voor hen beiden kan vinden, kan haar minderjarig kind weliswaar onderdak krijgen bij haar ex-schoonmoeder in Schiedam maar dit is voor hen beiden geen ideale situatie.
8. De voorzieningenrechter vindt, gelet op wat partijen nu naar voren hebben gebracht, niet dat het bestreden besluit op voorhand onrechtmatig is omdat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het centrum van haar maatschappelijk leven in Vlaardingen had ten tijde van de aanvraag en verzoekster ter zitting heeft toegelicht dat zij steeds korte tijd op verschillende locaties in verschillende gemeentes verblijft. Hoewel hier geen doorslaggevende betekenis aan toekomt, heeft de gemeente Vlaardingen wel aanleiding gezien om verzoekster lopende de aanvraag in de brp met een briefadres in te schrijven. Gelet hierop en op het feit dat verzoekster ook de zorg heeft voor haar minderjarige kind, ziet de voorzieningenrechter in het kader van de belangenafweging aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat het belang van verzoekster zwaarder weegt dan dat van Stroomopwaarts. Verzoekster is op dit moment verstoken van enig inkomen. Voor hulp en onderdak is verzoekster aangewezen op de goede wil van vrienden en kennissen.
De voorzieningenrechter treft daarom de voorlopige voorziening dat Stroomopwaarts, onder verstrekking van voorschotten, de aanvraag van verzoekster opnieuw in behandeling neemt en dat Stroomopwaarts, als verzoekster op dit moment niet in Vlaardingen/Schiedam het centrum van haar maatschappelijk leven heeft, zorgt voor een warme overdracht naar de gemeente waar verzoekster wel het centrum van haar maatschappelijk leven heeft. Daarbij is wel van groot belang dat het aan verzoekster is om met controleerbare en verifieerbare gegevens duidelijk te maken in welke gemeente zij (merendeels) verblijft en dus het centrum van haar maatschappelijk leven heeft. Het is vervolgens aan Stroomopwaarts om deze gegevens op juistheid en volledigheid te controleren. Als verzoekster niet duidelijk maakt waar het centrum van haar maatschappelijk leven is, is Stroomopwaarts niet gehouden haar voorschotten te blijven verstrekken.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat Stroomopwaarts de aanvraag van verzoekster opnieuw in behandeling neemt onder toekenning van voorschotten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat:
het bestreden besluit wordt geschorst tot de beslissing op het bezwaar;
zij bepaalt dat Stroomopwaarts de aanvraag van verzoekster opnieuw in behandeling neemt, onder verstrekking van voorschotten, en dat Stroomopwaarts daarbij zorg draagt voor een warme overdracht naar een andere gemeente indien blijkt dat het centrum van het maatschappelijk leven van verzoekster zich in een andere gemeente bevindt.
Deze uitspraken zijn gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraken zijn uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraken is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraken staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 40 van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1999.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:372.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034.
Zie artikel 40 van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1999.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:372.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/11300 en ROT 24/11541
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2025 in de zaak ROT 24/11300 tussen
[naam verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer),
en
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2025 in de zaak ROT 24/11541 tussen
[naam verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, verzoekster
(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en
het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, Stroomopwaarts
(gemachtigde: mr. E. Calmera).
zaaknummer: ROT 24/11300
Inleiding
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 december 2024 heeft het college de aanvraag van verzoekster van 5 november 2024 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) doorgezonden naar de gemeente Vlaardingen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 januari 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak ROT 24/11541. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door A. Alzobaru (tolk), mr. M. Kaplan namens de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Op 5 november 2024 heeft verzoekster het college per e-mail verzocht om een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag doorgezonden naar de gemeente Vlaardingen omdat verzoekster daar volgens het college woont.
Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij stelt dat zij niet in Vlaardingen woont nu de gemeente Vlaardingen haar aanvraag om een bijstandsuitkering heeft afgewezen omdat zij volgens de gemeente Vlaardingen in Nissewaard verblijft. Verzoekster voert aan dat zij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en daarom als bankslaper op verschillende locaties in verschillende gemeenten, afhankelijk van waar zij op dat moment tijdelijk onderdak kan vinden moet worden aangemerkt.
3. Uit de rapportage van 9 december 2024 volgt dat verzoekster op het moment van de aanvraag in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven op een adres in Rotterdam, maar dat dit adres sinds 25 oktober 2024 in onderzoek is gesteld. Het college heeft daaruit afgeleid dat verzoekster er op dat moment feitelijk niet meer woonde.
Per 26 november 2024 is verzoekster in de brp uitgeschreven uit de gemeente Rotterdam en is zij ingeschreven in de gemeente Vlaardingen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Daarbij is de aanvraagdatum bepalend voor het antwoord op de vraag welk college bevoegd is om de aanvraag in behandeling te nemen.
De vraag waar iemand woonplaats heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de brp. Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont, is bepalend de plaats waar hij of zij werkelijk woont en waar het centrum van zijn of haar maatschappelijk leven zich bevindt. Dit geldt ook voor personen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben maar wel met een woon- of briefadres staan ingeschreven in de brp. Als iemand geen hoofdverblijf in een woning heeft, is zijn of haar woonplaats de plaats waar hij of zij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
6. Hoewel verzoekster in de te beoordelen periode op het adres van een woning in Rotterdam stond ingeschreven in de brp, kon het college hieruit niet afleiden dat zij hier haar hoofdverblijf had nu dit adres in onderzoek was gesteld. Voor het college was daarom op dat moment niet duidelijk waar verzoekster daadwerkelijk verbleef. Omdat verzoekster ten tijde van de beoordeling van de aanvraag bleek te zijn ingeschreven in de gemeente Vlaardingen met een briefadres, is het college er vanuit gegaan dat zij op dat moment daar haar woonplaats had. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij in Rotterdam verblijft. Nu verzoekster zich kennelijk op een adres in Vlaardingen had laten inschrijven en daarover zelf geen nadere informatie heeft verstrekt, heeft het college hieruit mogen afleiden dat zij op dat moment kennelijk naar die gemeente was vertrokken en heeft het college de aanvraag terecht naar die gemeente doorgestuurd. Dat de gemeente Vlaardingen haar aanvraag vervolgens heeft afgewezen omdat zij daar volgens die gemeente niet verblijft, maakt het voorgaande niet anders. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college geen bijstandsuitkering aan verzoekster hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak ROT 24/11300 af.
ROT 24/11541
Inleiding
1.1.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 heeft Stroomopwaarts de aanvraag van verzoekster van 19 november 2024 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 januari 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak ROT 24/11300. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door A. Alzobaru (tolk), mr. M. Kaplan namens de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van Stroomopwaarts.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Op 19 november 2024 heeft verzoekster een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij Stroomopwaarts. Zij heeft tijdens een gesprek op 19 november 2024 verklaard dat zij nog geen postadres heeft en dat zij bij vrienden en kennissen slaapt en soms in de moskee.
3. Bij mailbericht van 6 december 2024 is verzoekster uitgenodigd voor een gesprek op 12 december 2024 waarbij onder meer aan verzoekster is gevraagd om een schriftelijke, gemotiveerde en onderbouwde verklaring in te leveren op welke adressen, dagen en bij wie verzoekster daadwerkelijk heeft verbleven vanaf 19 november 2024.
De rapportage van 12 december 2024 vermeldt dat verzoekster deze verklaring niet heeft overgelegd, maar dat wel tijdens het intakegesprek is verklaard dat zij 7 dagen in de week bij haar vriendin in Zuidland verblijft. In een gespreksbevestiging van 12 december 2024 is vermeld dat een vriendin van verzoekster heeft getolkt voor verzoekster en dat deze vriendin heeft verklaard dat verzoekster 7 dagen per week bij haar op haar adres in Zuidland verblijft. De persoonlijke spullen van verzoekster liggen daar ook.
Verder heeft Stroomopwaarts op 9 december 2024 de doorgezonden bijstandsaanvraag van de gemeente Rotterdam ontvangen.
4. Vervolgens heeft Stroomopwaarts met het besluit van 13 december 2024 de aanvraag om een bijstandsuitkering van 19 november van verzoekster afgewezen omdat zij heeft verklaard dat zij in de gemeente Zuidland woonachtig is en dus niet in Vlaardingen. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Verzoekster voert aan dat de gemeente Rotterdam haar naar de gemeente Vlaardingen heeft verwezen omdat de gemeente Rotterdam vindt dat zij in Vlaardingen woont. Door de bijstandsaanvragen steeds door te verwijzen, schenden de gemeenten hun zorgplicht omdat zij onvoldoende rekening houden met de omstandigheden van verzoekster. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat haar verblijf in de gemeente Zuidland slechts tijdelijk was en dat zij zich niet op het adres van die vriendin kan inschrijven. Zij verblijft op dit moment niet meer bij die vriendin, maar bij een kennis in Schiedam.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Daarbij is de aanvraagdatum bepalend voor het antwoord op de vraag welk college bevoegd is om de aanvraag in behandeling te nemen.
De vraag waar iemand woonplaats heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de brp. Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont, is bepalend de plaats waar hij of zij werkelijk woont en waar het centrum van zijn of haar maatschappelijk leven zich bevindt. Dit geldt ook voor personen die geen vaste woon- of verblijfplaats hebben maar wel met een woon- of briefadres staan ingeschreven in de brp. Als iemand geen hoofdverblijf in een woning heeft, is zijn of haar woonplaats de plaats waar hij of zij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak.
7. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter desgevraagd bij brief van 24 december 2024 bericht dat zij geen vaste woon-of verplaats heeft en als bankslaapster her en der verblijft. Het adres in Vlaardingen betreft een postadres. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij op verschillende locaties in verschillende gemeenten verblijft, afhankelijk van waar zij op dat moment tijdelijk onderdak kan vinden. Verzoekster heeft verder toegelicht dat zij ook de zorg heeft voor haar minderjarig kind dat in Schiedam naar school gaat. Als zij geen onderdak voor hen beiden kan vinden, kan haar minderjarig kind weliswaar onderdak krijgen bij haar ex-schoonmoeder in Schiedam maar dit is voor hen beiden geen ideale situatie.
8. De voorzieningenrechter vindt, gelet op wat partijen nu naar voren hebben gebracht, niet dat het bestreden besluit op voorhand onrechtmatig is omdat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het centrum van haar maatschappelijk leven in Vlaardingen had ten tijde van de aanvraag en verzoekster ter zitting heeft toegelicht dat zij steeds korte tijd op verschillende locaties in verschillende gemeentes verblijft. Hoewel hier geen doorslaggevende betekenis aan toekomt, heeft de gemeente Vlaardingen wel aanleiding gezien om verzoekster lopende de aanvraag in de brp met een briefadres in te schrijven. Gelet hierop en op het feit dat verzoekster ook de zorg heeft voor haar minderjarige kind, ziet de voorzieningenrechter in het kader van de belangenafweging aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat het belang van verzoekster zwaarder weegt dan dat van Stroomopwaarts. Verzoekster is op dit moment verstoken van enig inkomen. Voor hulp en onderdak is verzoekster aangewezen op de goede wil van vrienden en kennissen.
De voorzieningenrechter treft daarom de voorlopige voorziening dat Stroomopwaarts, onder verstrekking van voorschotten, de aanvraag van verzoekster opnieuw in behandeling neemt en dat Stroomopwaarts, als verzoekster op dit moment niet in Vlaardingen/Schiedam het centrum van haar maatschappelijk leven heeft, zorgt voor een warme overdracht naar de gemeente waar verzoekster wel het centrum van haar maatschappelijk leven heeft. Daarbij is wel van groot belang dat het aan verzoekster is om met controleerbare en verifieerbare gegevens duidelijk te maken in welke gemeente zij (merendeels) verblijft en dus het centrum van haar maatschappelijk leven heeft. Het is vervolgens aan Stroomopwaarts om deze gegevens op juistheid en volledigheid te controleren. Als verzoekster niet duidelijk maakt waar het centrum van haar maatschappelijk leven is, is Stroomopwaarts niet gehouden haar voorschotten te blijven verstrekken.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat Stroomopwaarts de aanvraag van verzoekster opnieuw in behandeling neemt onder toekenning van voorschotten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat:
het bestreden besluit wordt geschorst tot de beslissing op het bezwaar;
zij bepaalt dat Stroomopwaarts de aanvraag van verzoekster opnieuw in behandeling neemt, onder verstrekking van voorschotten, en dat Stroomopwaarts daarbij zorg draagt voor een warme overdracht naar een andere gemeente indien blijkt dat het centrum van het maatschappelijk leven van verzoekster zich in een andere gemeente bevindt.
Deze uitspraken zijn gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraken zijn uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraken is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraken staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 40 van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1999.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:372.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034.
Zie artikel 40 van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1999.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:372.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034.