Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-04-04
ECLI:NL:RBZWB:2023:2265
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,566 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3732 PW
uitspraak van 4 april 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] (eiser), te [plaatsnaam 1] ,
gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam 2] (het college), verweerder.
Procesverloop
In een besluit van 8 april 2021 (primair besluit I) is het college overgegaan tot het herzien, intrekken en terugvorderen van eisers bijstandsuitkering over verschillende periodes.
In een besluit van 13 april 2021 (primair besluit II) heeft het college besloten om vanaf april 2021 maandelijks een bedrag van € 76,82 in te houden op eisers bijstandsuitkering ter aflossing van zijn schuld aan het college.
Eiser heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft zijn bezwaren tegen primair besluit II op 18 juni 2021 echter weer ingetrokken.
In een besluit van 22 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het college eisers bezwaren tegen primair besluit I ongegrond verklaard, onder wijziging van de grondslag.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 21 maart 2023. Eiser werd vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] , kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Het college is – zonder voorafgaande afmelding – niet verschenen.
Overwegingen
Relevante feiten en omstandigheden
1. Eiser ontving met enige onderbrekingen sinds 2 april 2012 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. In de maanden mei en juli 2019 heeft het college onderzoek gedaan naar eisers recht op bijstand, naar aanleiding van meldingen dat hij niet op het door hem opgegeven adres in [plaatsnaam 2] zou verblijven. Dit onderzoek heeft geleid tot beëindiging van eisers uitkering. Zijn uitkering is weer opgestart na een onderzoek in juli 2019.
In februari 2021 is door het college opnieuw een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van eisers uitkering. In een besluit van 11 februari 2021 heeft het college eisers recht op uitkering opgeschort en is hij opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, waarbij hem is verzocht verschillende stukken mee te nemen. Eiser heeft niet gereageerd op dit besluit, waarna het college het onderzoek naar eisers verblijfplaats heeft voortgezet. Daarbij is er – onder meer – contact geweest met de nieuwe eigenaar van eisers woning in [plaatsnaam 2] , en zijn bankafschriften van eiser geanalyseerd. Ook heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, diens partner mevrouw [naam vrouw] en medewerkers van het college.
In primair besluit I is het college overgegaan tot het herzien van eisers recht op bijstand over de periode van 1 december 2020 tot en met 31 januari 2021. Eiser zou ten onrechte bijstand hebben ontvangen naar de norm van een alleenstaande, omdat hij zou samenwonen met [naam vrouw] . De als gevolg hiervan ten onrechte ontvangen bijstand is teruggevorderd tot een brutobedrag van € 818,64. Het college is verder overgegaan tot het herzien en terugvorderen van eisers recht op bijstand over de maanden juli, augustus, oktober en november van 2020.
In het bestreden besluit heeft het college eisers bezwaren tegen primair besluit I ongegrond verklaard, onder wijziging van de onderbouwing van zijn standpunt.
Standpunt van het college
2. Het college stelt zich met betrekking tot de periode van 1 december 2020 tot en met 31 januari 2021 op het standpunt dat voldoende aannemelijk is dat eiser vanaf 1 december 2020 niet meer woonde op het door hem opgegeven adres [adres] 53 in [plaatsnaam 2] . Eiser wordt tegengeworpen dat hij na de verkoop van het betreffende pand is gesommeerd om zijn woning te verlaten per 14 september 2020. Verder baseert het college zich op een verklaring van de nieuwe eigenaar van de woning, het retour komen van een brief van 8 februari 2021 met de mededeling dat eiser niet meer woont op het betrokken adres, het feit dat sinds begin december 2020 iemand anders op eisers (voormalige) adres staat ingeschreven en het ontbreken van bewijzen van huurbetalingen sinds december 2020. Omdat onbekend is waar eiser in genoemde periode wel zijn hoofdverblijf had, heeft eiser volgens het college de inlichtingenplicht geschonden en is zijn recht op bijstand niet vast te stellen.
Eisers standpunt
3. Eiser stelt dat hij in de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021 wel zijn hoofdverblijf had op de [adres] 53 in [plaatsnaam 2] . Hij voert daartoe aan dat het college zich niet mocht baseren op de verklaring van de nieuwe eigenaar van het betrokken pand. Volgens eiser werpt het college hem ook ten onrechte tegen dat post die bij hem zou zijn gedeponeerd retour is gekomen. Hij stelt dat post niet altijd bij de juiste persoon terecht kwam, omdat het huis in de [adres] door verschillende personen werd bewoond en de verhuurder vaak onaangekondigd binnen kwam. Eiser voert verder aan dat het college hem ten onrechte tegenwerpt dat sinds het begin van december 2020 iemand anders stond ingeschreven op het adres, omdat dit kan worden verklaard door de omstandigheid dat verschillende mensen in het huis verbleven. Eiser stelt ten slotte dat betaalbewijzen van zijn huur ontbreken omdat hij zijn huur altijd contant heeft betaald.
Wettelijk kader
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.
Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college de kosten van bijstand terug als door schending van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen.
Bewijslastverdeling
5. Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het college rust. De rechtbank wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1135).
Relevante rechtspraak over iemands hoofdverblijf
6. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Voor het antwoord op de vraag waar iemand woont is bepalend de plaats waar hij werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. Daarbij is niet doorslaggevend op welk adres iemand in de Basisregistratie personen (Brp) staat ingeschreven. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:372), te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de Participatiewet is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende.
Waar gaat het in deze zaak (niet) over?
7. De rechtbank stelt op basis van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting vast dat uitsluitend in geschil is of het college mocht overgaan tot het intrekken en terugvorderen van eisers bijstandsuitkering over de periode van 1 december 2020 tot en met 10 februari 2021, omdat eiser niet meer zou wonen op het door hem opgegeven adres [adres] 53 in [plaatsnaam 2] .
Is aannemelijk gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had?
8. Met betrekking tot de retour gekomen brief van 8 februari 2021 (met daarin een uitnodiging voor een gesprek en een verzoek tot het inleveren van stukken) overweegt de rechtbank dat het college niet – bijvoorbeeld door middel van foto’s van het deponeren van de brief– aannemelijk heeft gemaakt dat de brief daadwerkelijk bij eiser is bezorgd. Het college heeft dit ter zitting door zijn afwezigheid niet alsnog aannemelijk kunnen maken. De rechtbank volgt eiser reeds hierom in zijn stelling dat het college hem niet mocht tegenwerpen dat genoemde brief retour is gekomen met de mededeling dat eiser niet meer woont op genoemd adres. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de overige onderzoeksgegevens van het college echter een toereikende grondslag voor de conclusie dat eiser gedurende de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet op zijn uitkeringsadres had. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
9.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 4 april 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.