Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-16
ECLI:NL:RBROT:2025:417
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Verzet
778 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7600 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 op het verzet van
[Naam] ([Naam]), uit [Plaats], opposante
(gemachtigde: mr. K. Hoesenie),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2024 in het geding tussen
opposante
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van [Naam] gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 augustus 2024 waarin de rechtbank de verschuldigde dwangsom van € 1.442 wegens niet tijdig beslissen op bezwaar heeft vastgesteld, verweerder een nadere termijn van 40 weken (te rekenen vanaf het verweerschrift) heeft geboden om op het bezwaar te beslissen en daaraan een dwangsom van € 50 per dag met een maximum van € 15.000 heeft verbonden.
2. [Naam] heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De bereidverklaring van haar gemachtigde om een nadere mondelinge toelichting te geven is niet een dergelijk verzoek.
Beoordeling
3. In verzet dient de rechtbank te beoordelen of een behandeling van de zaak ter zitting tot een andere uitkomst had kunnen leiden dan de vereenvoudigde afdoening die heeft plaatsgevonden. De rechtbank meent dat dit niet het geval is. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn en de daaraan verbonden hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht. De nadere beslistermijn en de dwangsomhoogte zijn in overeenstemming met de uitspraak van een meervoudige kamer van de rechtbank van 15 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:6560). De kritiek van [Naam] op die uitspraak onderschrijft de rechtbank niet. Zij wijst in dit verband voor wat betreft de hoogte van de dwangsom op haar uitspraak van 20 december 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:12947). En voor wat betreft de nadere beslistermijn acht zij de overwegingen 3.1 tot en met 3.9 van haar uitspraak van 15 juli 2024 toereikend.
Conclusie
4. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 augustus 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.