Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-11-04
ECLI:NL:RBDHA:2024:23524
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,822 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5811
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.N. Huizenga),
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).
Inleiding
1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2023 waarbij is besloten over de compensatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Partijen hebben voorafgaand aan het plaatsvinden van de zitting te kennen gegeven hierbij niet aanwezig te zijn. De rechtbank doet daarom uitspraak op basis van de stukken in het dossier.
Beoordeling
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Partijen zijn het erover eens dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Niet gebleken is dat verweerder alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist.
4. Het beroep is gegrond.
5. Verweerder heeft de ingebrekestelling van eiseres op 7 mei 2024 ontvangen en is vanaf twee weken na die ontvangst een dwangsom verschuldigd. De rechtbank stelt de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het bezwaar van eiseres, zal de rechtbank bepalen dat verweerder dit alsnog moet doen.
7. Sinds het uitbrengen van het verweerschrift zijn meer dan zes weken verstreken. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb, en de toepasselijke rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar bekend te maken.
8. De rechtbank is ambtshalve bekend met uiteenlopende uitspraken die gaan over de hoogte van de rechterlijke dwangsom en de beslistermijn, zoals de door verweerder genoemde uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 en de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2024. De rechtbank ziet hierin echter vooralsnog geen aanleiding om af te wijken van de tot dusver door deze rechtbank bepaalde hoogte van de dwangsom en de op te leggen beslistermijn in dit soort zaken. Dit in afwachting van een uitspraak op dit onderdeel van de Afdeling. Gelet daarop bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn voor het bekendmaken van een besluit op het bezwaar overschrijdt. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak in beginsel behoort in de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt naar vaste rechtspraak slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. Een situatie als aan de orde, waarin uitsluitend dient te worden beoordeeld of de beslistermijn is overschreden en een dwangsom is verbeurd, is grond om af te wijken van de wegingsfactor 1 (gemiddeld). Niet het aantal en de omvang van de door de gemachtigde van eiseres opgestelde documenten zijn doorslaggevend voor het oordeel of de zaak bewerkelijk is, maar het gewicht van de zaak en de activiteiten die de gemachtigde in dat kader heeft moeten verrichten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 is de rechtbank van oordeel dat in dit geval wegingsfactor 0,5 (licht) voor het instellen van beroep op zijn plaats is.
10. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 875,- en wegingsfactor 0,5).
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het bezwaar;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.
ECLI:NL:RBROT:2024:6560.
ECLI:NL:RBGELD:2024:6647.
Beleid extra dwangsom (zie www.rechtspraak.nl).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:829.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3403.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253.