Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-14
ECLI:NL:RBROT:2025:13431
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,498 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11596686 CV EXPL 25-6102
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],
woonplaats: Rotterdam,
eisers,
gemachtigde: mr. I. Jansen,
tegen
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon.
De partijen worden hierna ‘[eisers]’ (afzonderlijk ‘[eiser 1]’ en [eiser 2]) en ‘Havensteder’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 maart 2025, met producties 1 t/m 9;
het antwoord, met productie 1;
de akte overleggen aanvullende producties van [eisers], met producties 10 t/m 14;
de brief van de gemachtigde van Havensteder van 3 oktober 2025, met productie 2;
de e-mail van de gemachtigde van [eisers] van 14 oktober 2025, met producties 15 en 16.
1.2.
Op 16 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig, bijgestaan door mr. Jansen. Namens Havensteder waren aanwezig [naam 1] (woonconsulente) en [naam 2] (wijkbeheerder), bijgestaan door mr. Van de Weteringe Buys.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiser 1] huurt van Havensteder een woning. [eiser 2] heeft in de periode van 1969 tot 1991 bij zijn [eiser 1] gewoond. In 1991 is hij op zichzelf gaan wonen. In 2019 is hij weer bij zijn [eiser 1] gaan wonen. [eiser 1] is inmiddels 93 jaar en [eiser 2] 58. Zij willen graag dat [eiser 2] medehuurder wordt. [eiser 1] en [eiser 2] willen graag de zekerheid dat [eiser 2] in de woning kan blijven als [eiser 1] (naar zij hoopt en verwacht pas over vele jaren) zal overlijden.
2.2.
Havensteder heeft het verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] om zoon als medehuurder aan te merken afgewezen. Zij merkt op dat bij een ouder-kindrelatie slechts in uitzonderingsgevallen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en die is nodig om het verzoek te kunnen toewijzen en dat hier niet aan de voorwaarden voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding is voldaan. Daarnaast vindt zij dat niet vast staat dat [eiser 2] voldoende (financiële) waarborgen biedt voor een juiste nakoming van de huurovereenkomst, als hij die zou voortzetten. Ook dat is een reden voor afwijzing van het verzoek.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat in deze procedure voldoende is komen vast te staan dat [eiser 1] en zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Ook staat niet vast dat de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om [eiser 2] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en/of dat [eiser 2] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Dit betekent dat geen van de afwijzingsgronden die in de wet zijn opgenomen zich voordoet en de vordering van [eisers] wordt (of beter: moet worden) toegewezen. Dat oordeel licht hij hieronder toe.
De voorwaarden voor toewijzing van de eis
2.4.
Artikel 7:267 lid 1 bepaalt dat de huurder van woonruimte samen met een andere persoon de rechter kunnen vragen om te bepalen dat die andere persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. De rechter mag de vordering volgens lid 3 van ditzelfde artikel alleen afwijzen als:
de andere persoon niet al minstens twee jaar in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om de andere persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
de andere persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Vertaald naar gewoon Nederlands: het moet gaan om een vorm van samenwonen die bedoeld is voor onbepaalde tijd te blijven duren, het mag geen opzetje zijn om de andere persoon makkelijk aan een woning te helpen en de andere persoon moet de huur kunnen (blijven) betalen.
Er is een duurzame gemeenschappelijke huishouding
2.5.
De vraag of [eiser 1] en [eiser 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW hebben, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband. Als een [eiser 1] en haar kind samenleven, is in de regel sprake van een aflopende samenlevingssituatie, maar in bijzondere omstandigheden kan dit toch als een duurzame gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93). De kantonrechter oordeelt dat hier van zulke bijzondere omstandigheden sprake is.
2.6.
Net als in de procedure die leidde tot het arrest van het Hof Amsterdam van 31 maart 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:NL8080) doet zich hier niet de situatie voor dat [eiser 2] bij zijn [eiser 1] is blijven wonen en op zeker moment na het zelfstandig worden een beroep doet op het feit dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook hier is sprake van een kind dat na jaren zelfstandig te hebben gewoond op hogere leeftijd (in 2019 was hij 52 jaar) weer intrekt bij een ouder. In dat geval is eerder sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding dan wanneer een kind bij zijn ouder is blijven wonen. Het hof overweegt dat het kind (hier dus: [eiser 2]) wel voldoende feiten en omstandigheden zal moeten stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat de samenleving duurzaam en gemeenschappelijk is.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de samenleving tussen [eiser 1] en [eiser 2] duurzaam en gemeenschappelijk is. Hoewel [eiser 1] ten tijde van de zitting (weer) een redelijk zelfstandige indruk maakte, staat vast dat zij bij bepaalde zaken hulp nodig heeft, zoals bij het dichtmaken van haar kleding. [eiser 2] heeft geen betaald werk en is bij zijn [eiser 1] ingetrokken mede om haar te kunnen helpen, zodat zij zelfstandig kan blijven wonen in het appartement dat haar zo dierbaar is. Daarnaast staat vast dat [eiser 1] en zoon samen uitstapjes maken, samen koken en eten, (als zij het eens zijn over het programma dat zij willen zien) samen tv kijken en dat zij een verdeling hebben gemaakt voor de huishoudelijke taken. Zij hebben ieder een eigen slaapkamer, maar maken verder gezamenlijk gebruik van de andere ruimtes in het gehuurde. Hiermee is sprake van voldoende wederkerigheid (zie Hof Den Bosch 10 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:27, r.o. 3.4.5).
[eiser 1] en [eiser 2] hebben de kantonrechter er daarnaast van overtuigd dat [eiser 2] maandelijks een contante bijdrage aan [eiser 1] betaalt voor de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Hoewel het patroon van contante opnames en pinbetalingen van [eiser 2] bijzonder is, blijkt uit niets dat de verklaring van [eiser 1] en zoon over de envelop met contanten waaruit (een groot deel van) de boodschappen worden betaald onjuist zou zijn. Dat [eiser 2] (veel) minder dan de helft van de kosten betaalt, vindt de kantonrechter geen reden om tot een ander oordeel te komen. [eiser 2] heeft ook minder inkomsten dan [eiser 1] en helpt haar bij de dagelijkse verzorging. Tot slot is ook de omstandigheid dat op de en/of rekening alleen de inkomsten van [eiser 1] binnenkomen en dat de uitkering en zorgtoeslag van [eiser 2] op zijn eigen bankrekening binnenkomen, naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. Zeker nu [eiser 1] en zoon kennelijk de gewoonte hebben om veel contant te betalen, betekent dit gegeven namelijk niet dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Ook is niet nodig dat de bijdrage van [eiser 2] direct aan bepaalde vaste lasten wordt gespendeerd. Ook als via ‘de grote hoop’ wordt meebetaald, is dat voldoende.
2.8.
Kortom: de afwijzingsgrond van artikel 7:267 lid 3 onder a BW doet zich niet voor.
Het is geen opzetje
2.9.
Anders dan Havensteder betoogt, is niet gebleken dat [eiser 1] en [eiser 2] via een opzetje proberen [eiser 2] (uiteindelijk) huurder van deze woning te laten worden. [eiser 2] woonde al vijf jaar bij [eiser 1] toen zij op 23 juli 2024 het verzoek deden om [eiser 2] als medehuurder aan te merken. Ook blijkt uit niets dat op het moment dat [eiser 2] bij [eiser 1] introk, de verwachting was dat [eiser 1] binnen afzienbare tijd niet meer zelfstandig zou kunnen wonen en naar een verzorgingshuis of iets vergelijkbaars zou moeten verhuizen. Integendeel, [eiser 1] en zoon gingen en gaan er nog steeds vanuit dat zij nog jaren samen in het gehuurde kunnen blijven wonen. Van de afwijzingsgrond van artikel 7:267 lid 3 onder b BW is daarom geen sprake.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat [eiser 2] vanaf de datum van dit vonnis medehuurder is van de woning aan de [adres];
3.2.
veroordeelt Havensteder in de proceskosten, die aan de kant van [eisers] worden begroot op € 685,-;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
51909