Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-14
ECLI:NL:RBROT:2025:14571
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,656 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11610072 CV EXPL 25-7165
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: mr. C.A. Gobbens en mr. M. Erzeybek,
tegen
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.E. Roeters van Lennep.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’ (afzonderlijk ‘vader’ en ‘dochter’ [eiser 2] ) en ‘Woonstad’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 maart 2025, met productie 1 t/m 24;
het antwoord, met bijlagen;
de akte overleggen aanvullende productie van [eiser 1] , met productie 25;
de akte overleggen aanvullende productie van [eiser 1] , met productie 26 t/m 32;
de spreekaantekeningen van [eiser 1] .
1.2.
Op 14 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren dochter [eiser 2] en haar zus ( [persoon A] ) aanwezig, bijgestaan door mr. Erzeybek. Namens Woonstad was aanwezig de heer [persoon B] (verhuurmakelaar), bijgestaan door mr. P.J. Remmelts namens mr. Roeters van Lennep.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Vader [eiser 1] huurt sinds 1982 van Woonstad een woning aan de [adres] te Rotterdam ( [postcode] ). Dochter [eiser 2] is in 1990 geboren en is opgegroeid in de woning. In 2014 heeft dochter [eiser 2] haar ouderlijk huis verlaten en is ingetrokken bij haar zus. Op 13 juni 2022, zeven jaar later, is zij weer bij haar vader gaan wonen. Dit was een half jaar na het overlijden van moeder [familienaam] eind 2021. Vader [eiser 1] is inmiddels 86 jaar en dochter [eiser 2] is 35 jaar. Zij willen graag dat dochter [eiser 2] medehuurder wordt. Vader en dochter [eiser 2] willen graag de zekerheid dat dochter [eiser 2] in de woning kan blijven als vader (naar hij hoopt en verwacht pas over vele jaren) zal overlijden. Zij zien het medehuurderschap van dochter als een bevestiging van een verbinding die tussen hen gegroeid is en hun toekomst samen.
2.2.
Woonstad heeft het verzoek van vader en dochter [eiser 2] om dochter als medehuurder aan te merken afgewezen. Zij merkt op dat bij een ouder-kindrelatie slechts in uitzonderingsgevallen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en die is nodig om het verzoek te kunnen toewijzen. Woonstad stelt dat hier niet aan de voorwaarden voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding is voldaan. Daarnaast vindt zij dat niet vast staat dat dochter [eiser 2] voldoende (financiële) waarborgen biedt voor een juiste nakoming van de huurovereenkomst, als zij die zou voortzetten. Ook dat is een reden voor afwijzing van het verzoek.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat in deze procedure voldoende is komen vast te staan dat vader en dochter een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Ook staat niet vast dat de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om dochter [eiser 2] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en/of dat dochter [eiser 2] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Dit betekent dat geen van de afwijzingsgronden die in de wet zijn opgenomen zich voordoet en de vordering van [eiser 1] wordt (of beter: moet worden) toegewezen. Dat oordeel licht hij hieronder toe.
De voorwaarden voor toewijzing van de eis
2.4.
Artikel 7:267 lid 1 bepaalt dat de huurder van woonruimte samen met een andere persoon de rechter kunnen vragen om te bepalen dat die andere persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. De rechter mag de vordering volgens lid 3 van ditzelfde artikel alleen afwijzen als:
de andere persoon niet al minstens twee jaar in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om de andere persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
de andere persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Vertaald naar gewoon Nederlands: het moet gaan om een vorm van samenwonen die bedoeld is voor onbepaalde tijd te blijven duren, het mag geen opzetje zijn om de andere persoon makkelijk aan een woning te helpen en de andere persoon moet de huur kunnen (blijven) betalen.
Er is een duurzame gemeenschappelijke huishouding
2.5.
De vraag of vader en dochter [eiser 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW hebben, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband. Als een vader en zijn kind samenleven, is in de regel sprake van een aflopende samenlevingssituatie, maar in bijzondere omstandigheden kan dit toch als een duurzame gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93). De kantonrechter oordeelt dat hier van zulke bijzondere omstandigheden sprake is.
2.6.
Net als in de procedure die leidde tot het arrest van het Hof Amsterdam van 31 maart 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:NL8080) doet zich hier niet de situatie voor dat dochter [eiser 2] bij haar vader is blijven wonen en op zeker moment na het zelfstandig worden een beroep doet op het feit dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook hier is sprake van een kind dat na jaren elders te hebben gewoond weer intrekt bij een ouder. In dat geval is eerder sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding dan wanneer een kind bij zijn ouder is blijven wonen. Het hof overweegt dat het kind (hier dus: dochter [eiser 2] ) wel voldoende feiten en omstandigheden zal moeten stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat de samenleving duurzaam en gemeenschappelijk is.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de samenleving tussen vader en dochter [eiser 2] duurzaam en gemeenschappelijk is. De kantonrechter stelt vast dat vader [eiser 1] heel zelfstandig is, maar ook hulp krijgt van zijn dochter bij alledaagse klussen in het huishouden. En andersom. Dochter [eiser 2] heeft betaald werk en is bij haar vader ingetrokken mede om hem te kunnen helpen, maar ook om zichzelf te kunnen helpen. Na het overlijden van moeder [familienaam] hebben zowel vader als dochter [eiser 2] een zeer verdrietige periode gekend. Vanaf het moment dat dochter bij vader [eiser 1] is ingetrokken zorgen zij voor elkaar en gaat het met beiden weer veel beter. De kantonrechter kent ook gewicht toe aan het feit dat ter zitting onweersproken door [eiser 1] is gesteld dat als vader fysiek hulpbehoevend zou zijn, dat dan een zoon (als man) en zeker geen vrouw voor hem zou zorgen. Daar is thans geen sprake van nu vader fysiek in goede conditie verkeert. De kantonrechter stelt vast dat dochter op dit moment niet fysiek voor haar vader hoeft te zorgen, nu vader onder meer zelfstandig naar het toilet gaat en onder de douche gaat.
Daarnaast staat vast dat vader en dochter [eiser 2] samen uitstapjes maken (ook naar het buitenland), samen naar de moskee gaan, samen koken en eten, samen tv kijken en dat zij een verdeling hebben gemaakt voor de huishoudelijke taken. Zij voeren aldus samen de huishouding.
Zij hebben ieder een eigen slaapkamer, maar maken verder gezamenlijk gebruik van de andere ruimtes in het gehuurde. Hiermee is sprake van voldoende wederkerigheid (zie Hof Den Bosch 10 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:27, r.o. 3.4.5).
Vader en dochter [eiser 2] hebben de kantonrechter er daarnaast van overtuigd dat dochter [eiser 2] maandelijks een contante bijdrage aan vader [eiser 1] betaalt voor de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Ter zitting heeft [eiser 1] onweersproken gesteld dat zij deze maandelijkse betalingen nog steeds verricht en dat zij daarvan geen stukken in het geding heeft gebracht, omdat het patroon door hetgeen wel in het geding is gebracht duidelijk is. Hoewel het patroon van contante opnames en pinbetalingen van dochter [eiser 2] bijzonder is, blijkt uit niets dat de verklaring van dochter over de wijze waarop (een groot deel van) de boodschappen worden betaald onjuist zou zijn. Het is niet nodig dat de bijdrage van dochter [eiser 2] direct aan bepaalde vaste lasten wordt gespendeerd. Ook als via ‘de grote hoop’ wordt meebetaald, is dat voldoende. Hetgeen dochter financieel bijdraagt is omvangrijker dan het door Woonstad gestelde kostgeld, doordat zij onder andere meebetaalt bij de aanschaf van grote meubels zoals een bank.
Dat dochter [eiser 2] sinds 2017 zelf op een wachtlijst voor een woning van Woonstad heeft gestaan maakt niet dat er nu geen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat [eiser 2] vanaf de datum van dit vonnis medehuurder is van de woning aan de [adres] in Rotterdam;
3.2.
veroordeelt Woonstad in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] worden begroot op € 833,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62574
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11610072 CV EXPL 25-7165
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: mr. C.A. Gobbens en mr. M. Erzeybek,
tegen
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.E. Roeters van Lennep.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’ (afzonderlijk ‘vader’ en ‘dochter’ [eiser 2] ) en ‘Woonstad’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 maart 2025, met productie 1 t/m 24;
het antwoord, met bijlagen;
de akte overleggen aanvullende productie van [eiser 1] , met productie 25;
de akte overleggen aanvullende productie van [eiser 1] , met productie 26 t/m 32;
de spreekaantekeningen van [eiser 1] .
1.2.
Op 14 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren dochter [eiser 2] en haar zus ( [persoon A] ) aanwezig, bijgestaan door mr. Erzeybek. Namens Woonstad was aanwezig de heer [persoon B] (verhuurmakelaar), bijgestaan door mr. P.J. Remmelts namens mr. Roeters van Lennep.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Vader [eiser 1] huurt sinds 1982 van Woonstad een woning aan de [adres] te Rotterdam ( [postcode] ). Dochter [eiser 2] is in 1990 geboren en is opgegroeid in de woning. In 2014 heeft dochter [eiser 2] haar ouderlijk huis verlaten en is ingetrokken bij haar zus. Op 13 juni 2022, zeven jaar later, is zij weer bij haar vader gaan wonen. Dit was een half jaar na het overlijden van moeder [familienaam] eind 2021. Vader [eiser 1] is inmiddels 86 jaar en dochter [eiser 2] is 35 jaar. Zij willen graag dat dochter [eiser 2] medehuurder wordt. Vader en dochter [eiser 2] willen graag de zekerheid dat dochter [eiser 2] in de woning kan blijven als vader (naar hij hoopt en verwacht pas over vele jaren) zal overlijden. Zij zien het medehuurderschap van dochter als een bevestiging van een verbinding die tussen hen gegroeid is en hun toekomst samen.
2.2.
Woonstad heeft het verzoek van vader en dochter [eiser 2] om dochter als medehuurder aan te merken afgewezen. Zij merkt op dat bij een ouder-kindrelatie slechts in uitzonderingsgevallen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en die is nodig om het verzoek te kunnen toewijzen. Woonstad stelt dat hier niet aan de voorwaarden voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding is voldaan. Daarnaast vindt zij dat niet vast staat dat dochter [eiser 2] voldoende (financiële) waarborgen biedt voor een juiste nakoming van de huurovereenkomst, als zij die zou voortzetten. Ook dat is een reden voor afwijzing van het verzoek.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat in deze procedure voldoende is komen vast te staan dat vader en dochter een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Ook staat niet vast dat de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om dochter [eiser 2] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en/of dat dochter [eiser 2] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Dit betekent dat geen van de afwijzingsgronden die in de wet zijn opgenomen zich voordoet en de vordering van [eiser 1] wordt (of beter: moet worden) toegewezen. Dat oordeel licht hij hieronder toe.
De voorwaarden voor toewijzing van de eis
2.4.
Artikel 7:267 lid 1 bepaalt dat de huurder van woonruimte samen met een andere persoon de rechter kunnen vragen om te bepalen dat die andere persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. De rechter mag de vordering volgens lid 3 van ditzelfde artikel alleen afwijzen als:
de andere persoon niet al minstens twee jaar in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om de andere persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
de andere persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Vertaald naar gewoon Nederlands: het moet gaan om een vorm van samenwonen die bedoeld is voor onbepaalde tijd te blijven duren, het mag geen opzetje zijn om de andere persoon makkelijk aan een woning te helpen en de andere persoon moet de huur kunnen (blijven) betalen.
Er is een duurzame gemeenschappelijke huishouding
2.5.
De vraag of vader en dochter [eiser 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW hebben, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband. Als een vader en zijn kind samenleven, is in de regel sprake van een aflopende samenlevingssituatie, maar in bijzondere omstandigheden kan dit toch als een duurzame gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93). De kantonrechter oordeelt dat hier van zulke bijzondere omstandigheden sprake is.
2.6.
Net als in de procedure die leidde tot het arrest van het Hof Amsterdam van 31 maart 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:NL8080) doet zich hier niet de situatie voor dat dochter [eiser 2] bij haar vader is blijven wonen en op zeker moment na het zelfstandig worden een beroep doet op het feit dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook hier is sprake van een kind dat na jaren elders te hebben gewoond weer intrekt bij een ouder. In dat geval is eerder sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding dan wanneer een kind bij zijn ouder is blijven wonen. Het hof overweegt dat het kind (hier dus: dochter [eiser 2] ) wel voldoende feiten en omstandigheden zal moeten stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat de samenleving duurzaam en gemeenschappelijk is.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de samenleving tussen vader en dochter [eiser 2] duurzaam en gemeenschappelijk is. De kantonrechter stelt vast dat vader [eiser 1] heel zelfstandig is, maar ook hulp krijgt van zijn dochter bij alledaagse klussen in het huishouden. En andersom. Dochter [eiser 2] heeft betaald werk en is bij haar vader ingetrokken mede om hem te kunnen helpen, maar ook om zichzelf te kunnen helpen. Na het overlijden van moeder [familienaam] hebben zowel vader als dochter [eiser 2] een zeer verdrietige periode gekend. Vanaf het moment dat dochter bij vader [eiser 1] is ingetrokken zorgen zij voor elkaar en gaat het met beiden weer veel beter. De kantonrechter kent ook gewicht toe aan het feit dat ter zitting onweersproken door [eiser 1] is gesteld dat als vader fysiek hulpbehoevend zou zijn, dat dan een zoon (als man) en zeker geen vrouw voor hem zou zorgen. Daar is thans geen sprake van nu vader fysiek in goede conditie verkeert. De kantonrechter stelt vast dat dochter op dit moment niet fysiek voor haar vader hoeft te zorgen, nu vader onder meer zelfstandig naar het toilet gaat en onder de douche gaat.
Daarnaast staat vast dat vader en dochter [eiser 2] samen uitstapjes maken (ook naar het buitenland), samen naar de moskee gaan, samen koken en eten, samen tv kijken en dat zij een verdeling hebben gemaakt voor de huishoudelijke taken. Zij voeren aldus samen de huishouding.
Zij hebben ieder een eigen slaapkamer, maar maken verder gezamenlijk gebruik van de andere ruimtes in het gehuurde. Hiermee is sprake van voldoende wederkerigheid (zie Hof Den Bosch 10 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:27, r.o. 3.4.5).
Vader en dochter [eiser 2] hebben de kantonrechter er daarnaast van overtuigd dat dochter [eiser 2] maandelijks een contante bijdrage aan vader [eiser 1] betaalt voor de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Ter zitting heeft [eiser 1] onweersproken gesteld dat zij deze maandelijkse betalingen nog steeds verricht en dat zij daarvan geen stukken in het geding heeft gebracht, omdat het patroon door hetgeen wel in het geding is gebracht duidelijk is. Hoewel het patroon van contante opnames en pinbetalingen van dochter [eiser 2] bijzonder is, blijkt uit niets dat de verklaring van dochter over de wijze waarop (een groot deel van) de boodschappen worden betaald onjuist zou zijn. Het is niet nodig dat de bijdrage van dochter [eiser 2] direct aan bepaalde vaste lasten wordt gespendeerd. Ook als via ‘de grote hoop’ wordt meebetaald, is dat voldoende. Hetgeen dochter financieel bijdraagt is omvangrijker dan het door Woonstad gestelde kostgeld, doordat zij onder andere meebetaalt bij de aanschaf van grote meubels zoals een bank.
Dat dochter [eiser 2] sinds 2017 zelf op een wachtlijst voor een woning van Woonstad heeft gestaan maakt niet dat er nu geen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat [eiser 2] vanaf de datum van dit vonnis medehuurder is van de woning aan de [adres] in Rotterdam;
3.2.
veroordeelt Woonstad in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] worden begroot op € 833,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62574
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11610072 CV EXPL 25-7165
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: mr. C.A. Gobbens en mr. M. Erzeybek,
tegen
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.E. Roeters van Lennep.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’ (afzonderlijk ‘vader’ en ‘dochter’ [eiser 2] ) en ‘Woonstad’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 maart 2025, met productie 1 t/m 24;
het antwoord, met bijlagen;
de akte overleggen aanvullende productie van [eiser 1] , met productie 25;
de akte overleggen aanvullende productie van [eiser 1] , met productie 26 t/m 32;
de spreekaantekeningen van [eiser 1] .
1.2.
Op 14 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren dochter [eiser 2] en haar zus ( [persoon A] ) aanwezig, bijgestaan door mr. Erzeybek. Namens Woonstad was aanwezig de heer [persoon B] (verhuurmakelaar), bijgestaan door mr. P.J. Remmelts namens mr. Roeters van Lennep.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Vader [eiser 1] huurt sinds 1982 van Woonstad een woning aan de [adres] te Rotterdam ( [postcode] ). Dochter [eiser 2] is in 1990 geboren en is opgegroeid in de woning. In 2014 heeft dochter [eiser 2] haar ouderlijk huis verlaten en is ingetrokken bij haar zus. Op 13 juni 2022, zeven jaar later, is zij weer bij haar vader gaan wonen. Dit was een half jaar na het overlijden van moeder [familienaam] eind 2021. Vader [eiser 1] is inmiddels 86 jaar en dochter [eiser 2] is 35 jaar. Zij willen graag dat dochter [eiser 2] medehuurder wordt. Vader en dochter [eiser 2] willen graag de zekerheid dat dochter [eiser 2] in de woning kan blijven als vader (naar hij hoopt en verwacht pas over vele jaren) zal overlijden. Zij zien het medehuurderschap van dochter als een bevestiging van een verbinding die tussen hen gegroeid is en hun toekomst samen.
2.2.
Woonstad heeft het verzoek van vader en dochter [eiser 2] om dochter als medehuurder aan te merken afgewezen. Zij merkt op dat bij een ouder-kindrelatie slechts in uitzonderingsgevallen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en die is nodig om het verzoek te kunnen toewijzen. Woonstad stelt dat hier niet aan de voorwaarden voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding is voldaan. Daarnaast vindt zij dat niet vast staat dat dochter [eiser 2] voldoende (financiële) waarborgen biedt voor een juiste nakoming van de huurovereenkomst, als zij die zou voortzetten. Ook dat is een reden voor afwijzing van het verzoek.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat in deze procedure voldoende is komen vast te staan dat vader en dochter een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Ook staat niet vast dat de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om dochter [eiser 2] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en/of dat dochter [eiser 2] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Dit betekent dat geen van de afwijzingsgronden die in de wet zijn opgenomen zich voordoet en de vordering van [eiser 1] wordt (of beter: moet worden) toegewezen. Dat oordeel licht hij hieronder toe.
De voorwaarden voor toewijzing van de eis
2.4.
Artikel 7:267 lid 1 bepaalt dat de huurder van woonruimte samen met een andere persoon de rechter kunnen vragen om te bepalen dat die andere persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. De rechter mag de vordering volgens lid 3 van ditzelfde artikel alleen afwijzen als:
de andere persoon niet al minstens twee jaar in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
de vordering kennelijk alleen de strekking heeft om de andere persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
de andere persoon vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Vertaald naar gewoon Nederlands: het moet gaan om een vorm van samenwonen die bedoeld is voor onbepaalde tijd te blijven duren, het mag geen opzetje zijn om de andere persoon makkelijk aan een woning te helpen en de andere persoon moet de huur kunnen (blijven) betalen.
Er is een duurzame gemeenschappelijke huishouding
2.5.
De vraag of vader en dochter [eiser 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:267 BW hebben, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband. Als een vader en zijn kind samenleven, is in de regel sprake van een aflopende samenlevingssituatie, maar in bijzondere omstandigheden kan dit toch als een duurzame gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93). De kantonrechter oordeelt dat hier van zulke bijzondere omstandigheden sprake is.
2.6.
Net als in de procedure die leidde tot het arrest van het Hof Amsterdam van 31 maart 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:NL8080) doet zich hier niet de situatie voor dat dochter [eiser 2] bij haar vader is blijven wonen en op zeker moment na het zelfstandig worden een beroep doet op het feit dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ook hier is sprake van een kind dat na jaren elders te hebben gewoond weer intrekt bij een ouder. In dat geval is eerder sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding dan wanneer een kind bij zijn ouder is blijven wonen. Het hof overweegt dat het kind (hier dus: dochter [eiser 2] ) wel voldoende feiten en omstandigheden zal moeten stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat de samenleving duurzaam en gemeenschappelijk is.
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de samenleving tussen vader en dochter [eiser 2] duurzaam en gemeenschappelijk is. De kantonrechter stelt vast dat vader [eiser 1] heel zelfstandig is, maar ook hulp krijgt van zijn dochter bij alledaagse klussen in het huishouden. En andersom. Dochter [eiser 2] heeft betaald werk en is bij haar vader ingetrokken mede om hem te kunnen helpen, maar ook om zichzelf te kunnen helpen. Na het overlijden van moeder [familienaam] hebben zowel vader als dochter [eiser 2] een zeer verdrietige periode gekend. Vanaf het moment dat dochter bij vader [eiser 1] is ingetrokken zorgen zij voor elkaar en gaat het met beiden weer veel beter. De kantonrechter kent ook gewicht toe aan het feit dat ter zitting onweersproken door [eiser 1] is gesteld dat als vader fysiek hulpbehoevend zou zijn, dat dan een zoon (als man) en zeker geen vrouw voor hem zou zorgen. Daar is thans geen sprake van nu vader fysiek in goede conditie verkeert. De kantonrechter stelt vast dat dochter op dit moment niet fysiek voor haar vader hoeft te zorgen, nu vader onder meer zelfstandig naar het toilet gaat en onder de douche gaat.
Daarnaast staat vast dat vader en dochter [eiser 2] samen uitstapjes maken (ook naar het buitenland), samen naar de moskee gaan, samen koken en eten, samen tv kijken en dat zij een verdeling hebben gemaakt voor de huishoudelijke taken. Zij voeren aldus samen de huishouding.
Zij hebben ieder een eigen slaapkamer, maar maken verder gezamenlijk gebruik van de andere ruimtes in het gehuurde. Hiermee is sprake van voldoende wederkerigheid (zie Hof Den Bosch 10 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:27, r.o. 3.4.5).
Vader en dochter [eiser 2] hebben de kantonrechter er daarnaast van overtuigd dat dochter [eiser 2] maandelijks een contante bijdrage aan vader [eiser 1] betaalt voor de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Ter zitting heeft [eiser 1] onweersproken gesteld dat zij deze maandelijkse betalingen nog steeds verricht en dat zij daarvan geen stukken in het geding heeft gebracht, omdat het patroon door hetgeen wel in het geding is gebracht duidelijk is. Hoewel het patroon van contante opnames en pinbetalingen van dochter [eiser 2] bijzonder is, blijkt uit niets dat de verklaring van dochter over de wijze waarop (een groot deel van) de boodschappen worden betaald onjuist zou zijn. Het is niet nodig dat de bijdrage van dochter [eiser 2] direct aan bepaalde vaste lasten wordt gespendeerd. Ook als via ‘de grote hoop’ wordt meebetaald, is dat voldoende. Hetgeen dochter financieel bijdraagt is omvangrijker dan het door Woonstad gestelde kostgeld, doordat zij onder andere meebetaalt bij de aanschaf van grote meubels zoals een bank.
Dat dochter [eiser 2] sinds 2017 zelf op een wachtlijst voor een woning van Woonstad heeft gestaan maakt niet dat er nu geen sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat [eiser 2] vanaf de datum van dit vonnis medehuurder is van de woning aan de [adres] in Rotterdam;
3.2.
veroordeelt Woonstad in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] worden begroot op € 833,04 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62574