Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-09-09
ECLI:NL:RBROT:2025:10736
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,272 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11118 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 op het verzet van
[naam opposante]
, uit [plaats] , opposante
(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 februari 2025 (de uitspraak) in het geding tussen
opposante
en
Dienst Toeslagen
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak waarin de rechtbank het beroep van opposante wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag van opposante om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade gegrond heeft verklaard.
2. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. De zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Partijen zijn met bericht niet verschenen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is geacht, verweerder is opgedragen binnen zes weken alsnog een besluit te nemen en verweerder een dwangsom is opgelegd van € 50 voor elke dag dat verweerder de gegeven beslistermijn overschrijdt met een maximum van € 15.000. De toegekende bestuurlijke dwangsom van
€ 1442 is niet in geschil.
4. Opposante stelt zich op het standpunt dat de vastgestelde dwangsom van € 50 per dag te laag is en afwijkt van het beleid van andere rechtbanken. Hierdoor wordt opposante in strijd met het gelijkheidsbeginsel ongelijk behandeld ten opzichte van andere gedupeerde ouders. Voorts is door andere uitspraken het vertrouwen bij opposante gewekt dat zij een hogere dwangsom zou ontvangen. Vanwege de precedentwerking van uitspraken van andere rechtbanken en eerdere uitspraken van de rechtbank is de uitspraak waartegen het verzet is gericht voorts in strijd met de rechtszekerheid. Opposante meent dat zij alsnog aanspraak heeft op een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
5. In navolging van haar uitspraken van 30 juni 2025 en 4 juli 2025 oordeelt de rechtbank in verzet als volgt.
6. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht die de rechtbank heeft verbonden aan de door haar vastgestelde nadere beslistermijn. Het vaststellen van de hoogte van een dwangsom is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. De dwangsomhoogte is voorts in overeenstemming met uitspraken van een meervoudige kamer van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom voortaan door de rechtbank in deze zaken de dwangsom wordt bepaald op € 50 per dag met een maximum van € 15.000. Dat de rechtbank eerder een dwangsom van € 100 per dag aanhield en andere rechtbanken dit zijn blijven doen, maakt dit niet anders. De precedentwerking en rechtsbeginselen waarop opposante zich beroept zijn niet van toepassing.
7. De verzetrechter concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposante het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetprocedure echter niet bedoeld.
8. De verzetrechter voegt hier aan toe dat de rechtbank geen acht heeft kunnen slaan op ontwikkelingen na haar uitspraak, zoals de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, terwijl daar niet uit volgt dat de rechtbank destijds niet zonder zitting tot haar uitspraak heeft kunnen komen.
9. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
Conclusie
10. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RBROT:2025:7534 en ECLI:NL:RBROT:2025:7831.
ECLI:NL:RBROT:2024:6560 en ECLI:NL:RBROT:2024:7458.
ECLI:NL:RVS:2025:1301.