Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-04
ECLI:NL:RBROT:2025:12754
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,406 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/2217 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 op het verzet van
Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [naam gemachtigde] )
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 augustus 2023 (de uitspraak) in het geding tussen
[persoon A] ( [persoon A] ), uit [plaats]
(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank)
en
Dienst Toeslagen
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van de Dienst Toeslagen gaat over de uitspraak waarin de rechtbank het beroep van [persoon A] gegrond heeft verklaard.
2. De Dienst Toeslagen heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk gegrond is geacht, de Dienst is opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en verweerder een dwangsom is opgelegd van € 50 voor elke dag dat verweerder de gegeven beslistermijn overschrijdt met een maximum van € 15.000.
4. De Dienst Toeslagen heeft in verzet aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen geen stukken en een verweerschrift heeft ingediend, want dit is gebeurd op 26 april 2023. Verder heeft de Dienst Toeslagen aangevoerd dat de rechtbank na kennisneming van het verweerschrift – waarin de Dienst Toeslagen heeft gewezen op een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2023 die de Dienst een langere beslistermijn heeft vergund – mogelijk tot een andere uitspraak was gekomen en de Dienst Toeslagen een langere nadere beslistermijn zou hebben vergund.
5. De rechtbank biedt haar verontschuldiging voor het late tijdstip dat zij uitspraak in het verzet doet.
6. In navolging van haar uitspraken van 30 juni 2025 en 4 juli 2025 oordeelt de rechtbank in verzet als volgt.
7. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoewel de Dienst Toeslagen moet worden nagegeven dat het wel een verweerschrift heeft ingediend, maakt dit niet dat de rechtbank indien zij daarvan kennis zou hebben genomen tot een andere uitspraak zou zijn gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
8. Het vaststellen van de hoogte van een dwangsom en een nadere beslistermijn zijn een discretionaire bevoegdheid van de rechter. In haar uitspraak van 26 april 2023 heeft een meervoudige kamer van de rechtbank – in afwijking van de door de Dienst Toeslagen genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2023 – haar oude lijn gehandhaafd dat de Dienst Toeslagen binnen een termijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een beslissing bekend dient te maken en dat in de situatie dat na het indienen van het verweerschrift tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank meer dan twaalf weken zijn verstreken, de rechtbank als lijn aanhoudt dat zij ondanks de bijzondere omstandigheden, geen aanleiding ziet om op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb af te wijken van de standaardtermijn van twee weken. Indien de rechtbank kennis zou hebben genomen van het verweerschrift van 26 april 2023, dan zou zij de Dienst Toeslagen na de uitspraak geen langere termijn hebben vergund dan zij heeft gedaan.
9. De verzetrechter voegt hier aan toe dat de rechtbank geen acht heeft kunnen slaan op ontwikkelingen na haar uitspraak, zoals de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023 en van 26 maart 2025, terwijl daar niet uit volgt dat de rechtbank destijds niet zonder zitting tot haar uitspraak heeft kunnen komen.
10. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
Conclusie
11. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
12. [persoon A] heeft in haar verweer in verzet verzocht om een proceskostenveroordeling van de Dienst Toeslagen voor de kosten die zij heeft gemaakt in verzet. Gelet op het besluit proceskosten bestuursrecht bestaat daarvoor geen aanleiding, want in de bijlage bij dit besluit is geen puntentoedeling opgenomen voor het schriftelijk voeren van verweer in verzet.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:RBMNE:2023:1702.
ECLI:NL:RBROT:2025:7534 en ECLI:NL:RBROT:2025:7831.
ECLI:NL:RBROT:2023:3474.
ECLI:NL:RVS:2023:3208 en ECLI:NL:RVS:2023:3209.
ECLI:NL:RVS:2025:1301.