Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-03
ECLI:NL:RBROT:2024:6103
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,404 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4278
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Spijkenisse, verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Kattestaart),
en
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college
(gemachtigde: [persoon A] ).
Inleiding
1. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van 11 maart 2024, waarin het college heeft bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. Daarbij heeft hij ook de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.1.
Op 6 mei 2024 heeft het college schriftelijk laten weten dat aan verzoeker vanaf 11 maart 2024 een bijstandsuitkering is toegekend. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 mei 2024 ingetrokken en verzocht het college te veroordelen in de gemaakte proceskosten.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft op 22 mei 2024 gereageerd en toegelicht dat met verzoeker is afgesproken dat het college de gemaakte proceskosten vergoedt voor het indienen van een bezwaarschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening, te weten 2 punten ad € 624,-.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het toekennen van verzoekers bijstandsuitkering vanaf 11 maart 2024 aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Hiervan is niet gebleken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoeker om het college in de proceskosten te veroordelen daarom toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden op basis van het Bpb als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft twee proceshandelingen verricht: het indienen van een bezwaarschrift en het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening. Het indienen van een bezwaarschrift levert één punt op met een waarde van € 624,-. Het indienen van het verzoekschrift levert één punt op met een waarde van € 875,-. In tegenstelling tot wat het college heeft aangevoerd, bedraagt het totaal aan proceskosten dat het college aan verzoeker moet vergoeden dus € 1.499,-.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- dient te vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor tot het college wenden.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 1.499,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2024.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb.