Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-04-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:5666
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Proceskostenveroordeling
1,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/6870
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2024 in de zaak tussen
[naam] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (de staatssecretaris)
(gemachtigde: H.Q. van der Zaan).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten.
1.1.
Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 27 oktober 2022 waarbij de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is afgewezen. Op 31 oktober 2022 heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd.
1.2.
Bij besluit van 1 februari 2023 heeft de staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek ingetrokken met daarbij het verzoek de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De staatssecretaris heeft de rechtbank meegedeeld dat geen aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden.
1.5.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is de staatssecretaris aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is sprake als het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het verzoekschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit inhouden. De rechtbank stelt vast dat verzoekster in de bezwaarfase aanvullende medische informatie heeft overgelegd op 5 december 2022. Naar aanleiding van deze informatie is het BMA gevraagd om een aanvullend advies. Uit de nota van BMA van 18 januari 2023 blijkt dat er op grond van de overgelegde medische stukken in bezwaar nu wel een medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht en dat de noodzakelijke behandeling niet beschikbaar is. In het besluit van 1 februari 2023 heeft de staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaard en verzoekster uitstel van vertrek verleend. Daarmee heeft de staatssecretaris het door verzoekster gewenste besluit alsnog genomen onder erkenning van de onrechtmatigheid van het primaire besluit. Dat dit is gebeurd op basis van in de bezwaarfase overgelegde medische informatie maakt dit niet anders.
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 875,-.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.W. Karsowidjojo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.