Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-04-25
ECLI:NL:RBROT:2023:3965
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,937 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/4662
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2023 in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij.
Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2021 (het bestuursdwangbesluit) heeft verweerder aan [naam 1] (de eigenaar) een last onder bestuursdwang opgelegd, teneinde vóór 8 november 2021 maatregelen te treffen in de woning aan de [adres] om strijd met bepaalde bepalingen van het Bouwbesluit en de Woningwet te beëindigen.
Eiser heeft in zijn hoedanigheid van advocaat namens de eigenaar en namens [naam 2] (de huurder) bezwaar gemaakt tegen het bestuursdwangbesluit.
Bij besluit van 4 november 2021 (het wijzigingsbesluit) heeft verweerder de begunstigingstermijn in het bestuursdwangbesluit verlengd met zes weken tot 20 december 2021.
Eiser heeft in zijn hoedanigheid van advocaat namens de eigenaar ook bezwaar gemaakt tegen het wijzigingsbesluit.
Bij besluit van 6 januari 2022 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder het bestuursdwangbesluit en het wijzigingsbesluit ingetrokken.
Eiser heeft in zijn hoedanigheid van advocaat namens de erven van de huurder tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt en dit bezwaar vervolgens weer ingetrokken.
Bij besluit van 31 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van de eigenaar en de huurder ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Eiser heeft op persoonlijke titel tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2023. Eiser heeft via een Teams-verbinding de zitting bijgewoond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 23 september 2021 heeft een inspecteur van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht geconstateerd dat het gebruik van de aan de eigenaar toebehorende woning op het adres [adres] in strijd is met de geldende voorschriften. De wijze waarop de woning werd gebruikt veroorzaakte ernstige hinder of gevaar. Bij brief van 30 september 2021 heeft verweerder de eigenaar in kennis gesteld van het voornemen om aan hem een last onder bestuursdwang op te leggen. De eigenaar heeft hierop geen zienswijze gegeven. Vervolgens is het bestuursdwangbesluit genomen en is de in het procesverloop genoemde procedure gevolgd.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geen proceskostenvergoeding toegekend. Verweerder heeft het bestuursdwangbesluit en het wijzigingsbesluit namelijk ingetrokken, omdat de huurder is overleden en de eigenaar (met Alzheimer) in een verzorgingshuis is opgenomen. De woning is onbewoond. Voor de toekenning van een proceskostenvergoeding is geen plaats omdat het bestuursdwangbesluit en het wijzigingsbesluit niet naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften zijn ingetrokken, aldus verweerder.
Ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank beoordeelt of eiser is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het voorliggende beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgrond van eiser.
4.2.
Eiser stelt dat zijn procesbelang gelegen is in het verkrijgen van de vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Door de persoonlijke omstandigheden van zijn voormalige cliënten heeft hij deze kosten niet bij hen in rekening gebracht. Volgens eiser lag het op de weg van verweerder om deze kosten te vergoeden, omdat volgens hem het bestuursdwangbesluit en wijzigingsbesluit – welke besluiten later zijn ingetrokken – onrechtmatig zijn genomen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belanghebbende is. In de volgende overwegingen wordt uitgelegd waarom.
4.4.
Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen.
4.5.
Uit vaste rechtspraak volgt dat aan het criterium rechtstreeks belang niet wordt voldaan wanneer uitsluitend sprake is van een afgeleid belang. Een afgeleid belang wordt in de regel aangenomen indien een eiser slechts indirect, bijvoorbeeld via een contractuele relatie, wordt getroffen in een belang dat parallel is aan dat van de geadresseerde van het besluit. In dat geval ligt het op de weg van de geadresseerde van het besluit om voor die belangen op te komen. In sommige gevallen bestaat er aanleiding om een betrokkene niet tegen te werpen dat hij een afgeleid belang heeft en geen rechtstreeks belanghebbende is omdat zijn belang uitsluitend voortvloeit uit een contractuele relatie. Dat is onder andere het geval als de betrokkenheid van zijn recht- of belangpositie een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2264).
4.6.
Het financiële belang waar eiser voor opkomt is naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks bij het bestuursdwangbesluit en wijzigingsbesluit betrokken. Dit belang wordt immers op zichzelf niet aangetast door de bij die besluiten opgelegde last en vloeit uitsluitend voort uit de civielrechtelijke verhouding met de eigenaar en de huurder. Ook bestaat er geen aanleiding om af te zien van het tegenwerpen van dit afgeleid belang. Eisers belangpositie rechtvaardigt geen zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming. Daar komt bij dat het niet ontvangen van een vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden het gevolg is van eisers (eerdere) keuze om deze kosten niet bij (de bewindvoerder van) de eigenaar en (de erven van) de huurder in rekening te brengen.
Conclusie
5. Omdat eiser niet is aan te merken als belanghebbende, kon hij tegen het bestreden besluit geen beroep instellen. Dat betekent ook dat eiser niet in aanmerking komt voor de in bezwaar gemaakte proceskosten zoals bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 april 2023.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.