Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2018-10-31
ECLI:NL:RBROT:2018:11065
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,006 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 10/545179 HA ZA 18-182
uitspraak: 31 oktober 2018
vonnis van de rechtbank, zitting houdende te Dordrecht,
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Interpro International Gorinchem B.V.,
gevestigd te Gorinchem,
eiseres,
advocaat: mr. T. Albayrak,
tegen
[gedaagde 1] ,
wonende te Giessenburg,
[gedaagde 2] ,
wonende te Kerkdriel,
gedaagden,
advocaat: mr. M.W. Kox.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘Interpro’ en ‘gedaagden’.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 8 februari 2018, met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
het proces-verbaal van de op 12 september 2018 gehouden comparitie van partijen;
het proces-verbaal van de op 2 oktober 2018 gehouden gerechtelijke plaatsopneming.
Het vonnis is bepaald op heden.
2De vaststaande feiten
2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.
2.2
Interpro is eigenaar van het pand aan het [adres 1] te Gorinchem. Gedaagden zijn eigenaar van het naastgelegen pand aan de [adres 2] . In november 2016 hebben gedaagden een dakterras aangelegd. Interpro heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Geschil
3.1
Interpro vordert dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden worden veroordeeld om het dakterras en de daarbij behorende houten schutting voor zover het zich bevindt binnen twee meter van de erfgrens met het perceel van Interpro te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan ten gunste van Interpro een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 250,00 voor iedere dag dat hieraan door gedaagden niet is voldaan, bij overtreding van dit verbod;
II. gedaagden te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke kosten;
III. gedaagden te veroordelen in de proceskosten, waaronder een bedrag aan nakosten.
3.2
Interpro legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Gedaagden hebben zonder overleg een dakterras aangelegd. Dat dakterras moet worden aangemerkt als een ‘soortgelijk werk’ als bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW. Het dakterras is in strijd met artikel 5:50 BW omdat het is geplaatst op een afstand van minder dan twee meter van de erfgrens. Subsidiair stelt Interpro dat sprake is van onrechtmatige hinder, omdat de schutting die gedaagden hebben geplaatst licht ontneemt op het erf van Interpro.
3.3
Gedaagden voeren aan dat het dakterras niet kan worden aangemerkt als een ‘soortgelijk werk’ als bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW. Zij betwisten dat sprake is van onrechtmatige hinder. Gedaagden voeren ten slotte als verweer dat Interpro misbruik maakt van bevoegdheid omdat zij geen belang heeft bij haar vordering.
Beoordeling
4.1
Vooropgesteld wordt het volgende. Tussen partijen is onder meer in geschil of gedaagden overleg hebben gevoerd met Interpro voordat zij de schutting hadden geplaatst. Hoewel dat in de praktijk voor de verhouding tussen buren van groot belang kan zijn, is het voor de juridische beoordeling van het geschil niet relevant. De rechtbank zal deze discussie daarom verder buiten beschouwing laten.
4.2
Artikel 5:50 lid 1 BW bepaalt dat het niet geoorloofd is om zonder toestemming van eigenaars van het naburig erf binnen twee meter van de grenslijn van dat erf balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
4.3
Niet in geschil is dat het dakterras van gedaagden is gelegen binnen twee meter van de grenslijn van het erf van Interpro. Tussen partijen is in geschil of het dakterras moet worden aangemerkt als een soortgelijk werk als bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW. Indien het niet als zodanig kan worden aangemerkt, is artikel 5:50 lid 1 BW immers niet van toepassing.
4.4
Artikel 5:50 lid 1 BW strekt blijkens haar slotwoorden ertoe de mogelijkheid van uitzicht op naburige erven te beperken. Gelet op deze strekking kan ook een plat dak op een uitbouw een soortgelijk werk in de zin van die bepaling zijn. Daartoe is vereist dat het gaat om een dak dat blijkens zijn constructie - bekleding, toegangsmogelijkheden, balustrade - kennelijk bestemd is om als dakterras te worden gebruikt. (HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5547). Van een ‘balkon of soortgelijk werk’ dat uitzicht op het naburige erf geeft, is pas sprake indien het gaat om een constructie die vanaf enige hoogte boven de grond een uitzicht op het naburige erf geeft dat vanaf de grond niet bestaat (HR 9 december 2016, ECLI: NL:HR:2016:2824).
4.5
Uit deze arresten van de Hoge Raad kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat een dakterras moet worden aangemerkt als een soortgelijk werk als bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW indien bij normaal gebruik van het terras men zicht heeft op het erf van de buren. De enkele mogelijkheid om vanaf het dakterras te kijken op het erf van de buren is onvoldoende. Die mogelijkheid bestaat immers ook bij een plat dak dat niet als dakterras is ingericht.
4.6
Tijdens de gerechtelijke plaatsopneming is het volgende vastgesteld. Het dakterras heeft aan de zijde van Interpro een schutting van, zo blijkt uit de stukken, twee meter hoog. De schutting is zo geplaatst dat degene die op het terras zit geen zicht heeft op het erf van Interpro. Het is alleen mogelijk om vanaf het terras op het erf van Interpro te kijken wanneer men om de schutting heen of vanaf zeer dichtbij de schutting door de openingen heen kijkt. Bij normaal gebruik van de schutting heeft men aldus geen zicht op het erf van Interpro. Het dakterras is niet in strijd met artikel 5:50 lid 1 BW, zodat de primaire grondslag voor de vordering faalt.
4.7
Interpro heeft tijdens de comparitie van partijen als subsidiaire grondslag gesteld dat gedaagden onrechtmatige hinder veroorzaken als bedoeld in artikel 5:37 BW. Op grond van dat artikel mag de eigenaar van een erf niet op onrechtmatige wijze, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
4.8
Weliswaar moet worden aangenomen dat door de schutting licht wordt ontnomen, maar Interpro heeft onvoldoende gesteld om daaruit de conclusie te trekken dat sprake is van een onrechtmatige daad. Buren dienen immers in beginsel enige hinder van elkaar te dulden. Van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW is onvoldoende gebleken.
4.9
Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen van Interpro worden afgewezen. Interpro zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
Dictum
De rechtbank:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt Interpro in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagden vastgesteld op € 895,- aan griffierecht en € 1.629,00 aan salaris voor de advocaat en indien Interpro niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 157,00 aan salaris, en een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;
verklaart de proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
371