Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2016-10-03
ECLI:NL:RBROT:2016:9307
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
3,742 tokens
Dictum
op het verzoek van
[naam verzoekster]
,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire inrichting [naam PI],
verzoekster,
advocaat mr. Y. Moszkowicz,
strekkende tot wraking van:
mr. J.L.M. Boek, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiek, team straf 1 (hierna: de rechter).
1Het procesverloop en de processtukken
Ter zitting van deze rechtbank in besloten raadkamer gevangenhouding van 23 augustus 2016 is behandeld het verzoekschrift tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis in de tegen verzoekster aanhangig gemaakte strafzaak. Deze procedure draagt als parketnummer 10/730025-16.
De wrakingskamer heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:
- relevante stukken uit het strafdossier;
- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.
Verzoekster, de raadsman mr. Y. Moszkowicz, de officier van justitie alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 7 september 2016.
Op 7 september 2016 heeft de raadsman naar aanleiding van voornoemde schriftelijke reactie van de rechter een faxbericht verzonden met daarin een reactie alsmede een verzoek tot onder meer het horen van de officier van justitie mr. Baars en de griffier [naam] als getuigen ter zitting van de wrakingskamer.
Op 13 september 2016 heeft de rechter op verzoek van de wrakingskamer een nadere schriftelijke reactie ingediend.
Op 14 september 2016 heeft de wrakingskamer voorlopig geoordeeld geen aanleiding te zien om de gevraagde getuigen ter zitting te horen.
Op 14 september 2016 heeft de raadsman wederom een schriftelijke reactie ingestuurd waarin hij onder meer heeft gepersisteerd bij zijn getuigenverzoek.
Op 15 september 2016 heeft de wrakingskamer andermaal geoordeeld vooralsnog geen aanleiding te zien om de gevraagde getuigen op de zitting van de wrakingskamer te horen.
Ter zitting van 19 september 2016 waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de raadsman mr. Y. Moszkowicz, de officier van justitie en de rechter. De raadsman heeft aan de hand van een pleitnota het standpunt van verzoekster nader toegelicht.
2Het verzoek en de reactie daarop
2.1
De raadsman van verzoekster heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities het wrakingsverzoek toegelicht. De pleitnotities zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Verkort en zakelijk weergegeven heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Het proces-verbaal van de raadkamerzitting d.d. 23 augustus 2016 is onvolledig en onjuist opgemaakt. Het uitgebreid mondeling geformuleerde wrakingsverzoek is gereduceerd tot de zinsnede ‘Ik wraak u. U geeft blijk van vooringenomenheid.’ Vervolgens zijn hem onterecht de woorden toegedicht: ‘In een nadere zitting wil ik dit verzoek nader toelichten.’ De raadsman heeft letterlijk tegen de griffier gezegd: ‘ik wil u verzoeken akte te nemen van het navolgende’ waarna de raadsman op dicteertoon en -snelheid de gronden voor wraking heeft geformuleerd. De raadsman heeft de wrakingskamer daarom ook verzocht om de officier van justitie en de griffier als getuige te doen verschijnen bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek. De gevraagde getuigen kunnen bewijzen dat de raadsman de gronden van de wraking volledig en tijdig heeft aangevoerd en het horen van getuigen is noodzakelijk voor de wrakingskamer om een oordeel te kunnen vormen over hetgeen zich heeft afgespeeld tijdens de zitting op 23 augustus 2016. De discussie over de voortgang van de zitting gezien de wraking, waarbij door de raadsman expliciet is verwezen naar artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), is slechts summier weergegeven in het proces-verbaal.
De rechter heeft in strijd met de wet na het wrakingsverzoek de behandeling van de raadkamerzitting voortgezet en een voor verzoekster nadelige beslissing genomen. Het proces-verbaal is de belangrijkste kenbron van de zitting en de rechter heeft de wrakingsgronden uit de enige bron van informatie over de zitting gewist. Er is sprake van geschiedvervalsing ten nadele van verzoekster en ten faveure van de positie van de rechter. Deze gang van zaken is een aanvullende grond voor wraking. Het bewust wissen van een wrakingsverzoek waarvan akte is gevraagd, is een omstandigheid die in objectieve en subjectieve zin de schijn van vooringenomenheid ventileert, zeker als vervolgens ten nadele van verzoekster wordt beslist door de rechter.
Het weigeren de camerabeelden te bekijken waar de onschuld van verzoekster uit blijkt, heeft de schijn van partijdigheid gewekt. Het niet willen bekijken van de camerabeelden sec heeft in de subjectieve zin de schijn van partijdigheid reeds gewekt. Maar het weigeren – zonder opgaaf van reden – terwijl om die reden meermaals is gevraagd, heeft ook in objectieve zin de onpartijdigheid van de rechter aangetast. De raadsman betwist dat de rechter (meermalen) heeft gezegd dat het bekijken van de camerabeelden niet nodig was aangezien hij geen reden had aan de juistheid van de weergave daarvan in het verzoekschrift te twijfelen. Het ontnemen van het woord aan de raadsman onder de mededeling dat kennelijk het schorsingsverzoek niet wordt toegelicht om vervolgens de officier van justitie het woord te geven, heeft opnieuw in objectieve en subjectieve zin de gerechtelijke partijdigheid aangetast. De raadsman heeft in dit verband op de zitting van de raadkamer het Hauschildt-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0800, aangehaald. De beslissing van de rechter is zodanig in afwijking van de wet en de rechtspraktijk dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Het weigeren om ontlastend bewijs te bekijken is in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Indien de rechter werkelijk zou hebben geloofd wat in het verzoekschrift is weergegeven, dan was verzoekster thans vrij geweest.
Desgevraagd geeft de raadsman te kennen dat hetgeen vandaag door hem is gesteld overeenkomt met hetgeen hij in raadkamer van 23 augustus 2016 ter onderbouwing van het wrakingsverzoek heeft aangevoerd. Of hij toen in dat kader ook nog andere gronden naar voren heeft gebracht is hij vergeten.
2.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
De rechter heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat hij het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis inmiddels heeft afgewezen waarmee de bemoeienis van de raadkamer gevangenhouding wat betreft dit verzoek ten einde is.
Daarbij merkt de rechter op dat er geen wettelijke reden was om de behandeling in de raadkamer ex artikel 513, vijfde lid, Sv te schorsen, nu er geen sprake was van een behandeling van de zaak op de terechtzitting. Dat er geen wettelijke reden tot schorsing is tijdens de behandeling van zaken in de raadkamer gevangenhouding vloeit ook voort uit het karakter van die behandeling, waar het in beginsel gaat om beslissingen omtrent gevangenhouding die geen uitstel dulden en die steeds, ook op de terechtzitting in geval van een verzoek tot wraking, kunnen worden genomen. Hoewel het in de onderhavige zaak niet ging om een beslissing omtrent gevangenhouding, vond deze plaats tijdens de raadkamer gevangenhouding.
Beoordeling
de ontvankelijkheid van het verzoek
3.1
De wrakingskamer stelt vast dat de rechter na het mondeling wrakingsverzoek is doorgegaan met de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer en hierop een voor de verzoekster negatieve beslissing heeft gegeven. Nu de strafzaak tegen verzoekster nog niet tot een einde is gekomen en de verzoekster thans nog in voorlopige hechtenis verblijft, blijft de mogelijkheid bestaan dat de rechter een nieuw verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis ter beoordeling kan gaan krijgen. Ook is niet uitgesloten dat de rechter deel zal gaan uitmaken van de meervoudige strafkamer die de strafzaak tegen verzoekster inhoudelijk zal gaan behandelen. Gelet op de mogelijkheid dat de rechter op enige manier in de toekomst bij deze strafzaak tegen verzoekster betrokken zou kunnen raken, is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.
de inhoudelijke beoordeling van het verzoek
3.2
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
3.3
Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond met betrekking tot de volledigheid van het proces-verbaal van de zitting van de raadkamer van 23 augustus 2016 overweegt de wrakingskamer als volgt.
De wrakingskamer stelt vast dat niet in geschil is dat het proces-verbaal niet volledig is wat betreft de door de raadsman van verzoekster tijdens die zitting gegeven toelichting op het wrakingsverzoek. Dat neemt niet weg dat de in het proces-verbaal opgenomen kern daarvan: “vooringenomenheid omdat de rechter zonder nadere motivering heeft aangegeven de camerabeelden niet te willen bekijken”, als een zakelijke weergave kan worden beschouwd van hetgeen de raadsman ten overstaan van de wrakingskamer heeft verklaard. Dat er hele andere gronden door de raadsman aan het wrakingsverzoek ten grondslag waren gelegd die door de rechter “ten faveure van zijn eigen positie en ten nadele van de positie van verzoekster” niet in het proces-verbaal zijn opgenomen, is gesteld noch gebleken. Het horen van getuigen hierover acht de wrakingskamer dan ook niet nodig.
Dat de rechter in raadkamer, anders dan uit het proces-verbaal blijkt, niet zou hebben gezegd dat hij uitging van de juistheid van de beschrijving van de camerabeelden in het verzoekschrift, acht de wrakingskamer niet aannemelijk. De wrakingskamer baseert dat op wat de rechter en de officier van justitie ter zitting van de wrakingskamer hebben verklaard. Het horen van getuigen op dit onderdeel wijst de wrakingskamer eveneens af. In de eerste plaats omdat de raadsman zijn tweede wrakingsgrond met name heeft gebaseerd op de onvolledigheid en niet zozeer op de onjuistheid van het proces-verbaal en in de tweede plaats omdat het onderzoek naar de feiten door de wrakingskamer niet uitputtend maar meer marginaal plaatsvindt. De wrakingskamer volgt de raadsman derhalve niet in zijn stelling dat er sprake is van geschiedvervalsing en manipulatie. Gelet op het voorgaande ziet de wrakingskamer dan ook geen aanleiding om de door de raadsman (en subsidiair door de rechter) gevraagde getuigen alsnog te horen.
3.4
Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond met betrekking tot de weigering camerabeelden te bekijken overweegt de wrakingskamer als volgt.
Een voor een partij onwelgevallige beslissing levert in beginsel geen grond voor wraking op. Dat kan slechts anders zijn, indien een omstreden beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven, dan dat de beslissing door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Van een dergelijke beslissing is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Zoals uit het voorgaande blijkt acht de wrakingskamer aannemelijk dat de rechter, overigens net als de officier van justitie, uitging van de juistheid van de beschrijving van de camerabeelden in het verzoekschrift. Kennelijk waren er desondanks andere redenen om het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen maar daar gaat de wrakingskamer niet over. De beslissing om de camerabeelden niet te bekijken was in ieder geval niet onbegrijpelijk.
3.5
Voor zover het wrakingsverzoek mede is gestoeld op de omstandigheid dat na het wrakingsverzoek de rechter niet direct is overgegaan tot schorsing van de behandeling in raadkamer, overweegt de wrakingskamer als volgt. Vast kan worden gesteld dat de rechter vanwege het ingediende verzoek tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis een beslissing diende te nemen omtrent vrijheidsberoving, Dergelijke beslissingen kunnen naar hun aard niet lang op zich laten wachten. Een schorsing van de zitting van de raadkamer in verband met het wrakingsverzoek zou hebben geleid tot de onaanvaardbare situatie dat de behandeling van het verzoekschrift de nodige dagen, zo niet weken, op zich zou hebben laten wachten met als gevolg dat in deze tussentijd geen nieuw verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis op dezelfde gronden zou kunnen worden ingediend. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de rechter dan ook terecht besloten dat de beslissing in de zaak van verzoekster geen uitstel duldde.
3.6
Gelet op het vooroverwogene is naar het oordeel van de wrakingskamer van subjectieve vooringenomenheid van de rechter niet gebleken. Ook kan niet gezegd worden dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de vrees dat de rechter enigerlei vooringenomenheid jegens verzoekster koestert, objectief kunnen rechtvaardigen.
Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot wraking van mr. J.L.M. Boek.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.C. Santema, voorzitter, mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. H. van der Kaaij, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2016 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.
De griffier is afwezig en is derhalve buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Verzonden op:
aan:
- verzoekster
- mr. Y. Moszkowicz
- mr. J.L.M. Boek
- mr. E. Baars