Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2017-06-07
ECLI:NL:RBNNE:2017:4204
Bestuursrecht
Rekestprocedure
1,119 tokens
Dictum
op het verzoek van
[naam] (hierna te noemen: [verzoeker] ),
wonende te [woonplaats] ,
tot wraking van
mr. L. Mulder (hierna te noemen: mr. Mulder), rechter in de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank.
1Het procesverloop
1.1.
Bij brief van 4 mei 2017 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend tot wraking van mr. Mulder in de zaak met zaaknummer LEE 16/4425, waarbij hij als partij is betrokken. Hij heeft dit verzoek bij brief van 15 mei 2017 nader toegelicht.
1.2.
Mr. Mulder heeft bij e-mailbericht van 15 mei 2017 meegedeeld niet in de wraking te berusten. Zij heeft op 26 mei 2017 een nadere reactie op het wrakingsverzoek van [verzoeker] gegeven.
1.3.
Op 6 juni 2017 is het wrakingsverzoek van [verzoeker] ter zitting behandeld door de wrakingskamer. [verzoeker] is hier verschenen. Mr. Mulder is niet verschenen.
2
Overwegingen
2.1.
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechter die een zaak behandelt - op verzoek van een partij - worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer Hoge Raad 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM9141).
2.2.
De enkele omstandigheid dat mr. Mulder eerder als rechter betrokken is geweest bij een zaak van [verzoeker] , is op zichzelf genomen onvoldoende om haar partijdigheid aan te nemen of te concluderen dat een schijn van partijdigheid is ontstaan. Hiervoor zijn bijkomende omstandigheden vereist (zie EHRM 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989: AD0800). Dat dergelijke bijkomende omstandigheden zich voordoen, heeft [verzoeker] naar het oordeel van de wrakingskamer ontoereikend gemotiveerd. Dat uit de beslissing in de zaak met zaaknummer LEE 16/3197 blijkt dat mr. Mulder niet onpartijdig was en zij daarom evenmin onpartijdig is in deze zaak, kan ook niet worden aangenomen. Ook daartoe is onvoldoende aangevoerd. Uit het enkele gegeven dat mr. Mulder tijdens de zitting in de zaak met zaaknummer LEE 16/3197 naar het procesbelang van [verzoeker] heeft gevraagd, volgt in elk geval niet dat mr. Mulder de zaak met vooringenomenheid heeft beoordeeld, ook niet als daarbij wordt betrokken dat zij [verzoeker] ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van de verlenging van de uitspraaktermijn in die zaak, zoals art. 8:66 Awb voorschrijft.
2.3.
Wat [verzoeker] overigens heeft aangevoerd kan evenmin tot wraking leiden. Het verzoek van [verzoeker] tot wraking van mr. Mulder zal dan ook worden afgewezen.
2.4.
De wrakingskamer overweegt ten overvloede nog dat, anders dan [verzoeker] ter terechtzitting heeft aangevoerd, het feit dat mr. Mulder het geschil in de zaak met zaaknummer LEE 16/4425 in haar reactie op het wrakingsverzoek op dezelfde wijze heeft omschreven als de gemeente het geschil in haar processtukken presenteert, ook geen blijk geeft van vooringenomenheid of een schijn daarvan doet ontstaan. Uit de woordkeuze blijkt op zich zelf genomen niet van een vooringenomenheid. Dat de omschrijving van de zaak overeenstemt, is mede gelet hierop van onvoldoende gewicht om de verregaande conclusie te rechtvaardigen dat de onpartijdigheid in het geding is.
Dictum
De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de procedure in de zaak met zaaknummer LEE 16/4425 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan [verzoeker] , aan mr. Mulder en aan gemeente Het Bildt.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. P.J. Duinkerken, en mr. S. Dijkstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.G. Meuleman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.