Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-09-06
ECLI:NL:RBOVE:2024:4686
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,223 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2615
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
gemachtigde: P. Spoelstra.
Inleiding
1.1
Bij primair besluit van 1 februari 2024 heeft het UWV eiser ingelicht over de beslaglegging op zijn uitkering. Op 1 maart 2022 is er beslag gelegd op eisers uitkering door GGN Mastering Credit B.V. en op 19 januari 2024 is er ook beslag gelegd door Gerechtsdeurwaarderskantoor [bedrijf]. De beslagvrije voet van € 871,00 blijft hetzelfde.
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 2 april 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij het primaire besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV. Eiser heeft via een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
Standpunten van partijen
2.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op het moment dat er een beslaglegging komt op eisers uitkering het UWV gehouden is die uit te voeren. Het UWV kan en mag niet op de inhoud ingaan.
2.2
Eiser stelt dat de beslagleggingen onterecht zijn.
2.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het UWV op juiste gronden uitvoering heeft gegeven aan het derdenbeslag op de uitkering van eiser.
3.1
De rechtbank overweegt dat het UWV verplicht is om uitvoering te geven aan het beslag en dat het niet aan het UWV is om te beoordelen of de beslaglegging rechtmatig is. Het is ook niet aan de bestuursrechter om dat te beoordelen. Dit geldt ook ten aanzien van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet. Uit vaste rechtspraak volgt dat bezwaren tegen een gelegd beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
Bij de beoordeling van de beslissing van het UWV om een lager bedrag aan uitkering aan eiser te betalen, moet de bestuursrechter het beslag als een vaststaand gegeven beschouwen. De gronden die eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het beslag, kunnen dan ook niet slagen en zal de rechtbank onbesproken laten.
3.2
De bestuursrechter kan dus uitsluitend beoordelen of het UWV bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. De rechtbank stelt vast dat het UWV het beslag heeft uitgevoerd zoals opgedragen, namelijk tot aan de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet. Daarmee is het UWV binnen het kader van het beslag gebleven. Binnen het hiervoor genoemde beoordelingskader bestaat geen ruimte om persoonlijke omstandigheden van eiser mee te wegen. Het UWV heeft daarom op juiste gronden uitvoering gegeven aan het derdenbeslag op de uitkering van eiser.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het besluit over de uitvoering van het derdenbeslag blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:992, r.o. 4.1.