Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2025-03-12
ECLI:NL:CRVB:2025:373
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,736 tokens
Inleiding
24/2228 WIA, 25/187 WIA-VV
Datum uitspraak: 12 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 september 2024, 24/2615 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht en op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan een op de WIA-uitkering van appellant gelegd executoriaal derdenbeslag.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 1 maart 2022 heeft [naam B.V.] namens Menzis Zorgverzekeraar N.V. executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uwv op de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellant. Daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.190,- netto per maand. Op 23 januari 2023 is de beslagvrije voet aangepast naar € 1.233,- per maand.
1.2.
Op 19 januari 2024 heeft Gerechtsdeurwaarderskantoor [naam] executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uwv op de WIA-uitkering van appellant. Daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op € 871,- per maand. Daarbij is het Uwv bevolen om gelden verschuldigd aan appellant onder zich te houden en ingehouden bedragen uit te betalen.
1.3.
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het Uwv aan appellant het executoriaal derdenbeslag van Gerechtsdeurwaarderskantoor [naam] meegedeeld, waarbij hem te kennen is gegeven dat het Uwv het deel van de WIA-uitkering van appellant boven de beslagvrije voet van € 871,- zal blijven afdragen aan [naam B.V.]
1.4.
Bij besluit van 2 april 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 februari 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv verplicht is om uitvoering te geven aan het derdenbeslag, dat het niet aan het Uwv is om te beoordelen of de beslaglegging rechtmatig is en ook niet aan de bestuursrechter. Dit geldt ook ten aanzien van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet. Uit vaste rechtspraak volgt dat bezwaren tegen een gelegd beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Bij de beoordeling van de beslissing van het Uwv om een lager bedrag aan uitkering aan appellant te betalen, moet de bestuursrechter het beslag als een vaststaand gegeven beschouwen. De gronden die appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het beslag, kunnen dan ook niet slagen en zal de rechtbank onbesproken laten. De bestuursrechter kan dus uitsluitend beoordelen of het Uwv bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. De rechtbank stelt vast dat het Uwv het beslag heeft uitgevoerd zoals opgedragen, namelijk tot aan de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet. Daarmee is het Uwv binnen het kader van het beslag gebleven. Binnen het hiervoor genoemde beoordelingskader bestaat geen ruimte om persoonlijke omstandigheden van appellant mee te wegen. Het Uwv heeft daarom op juiste gronden uitvoering gegeven aan het derdenbeslag op de uitkering van appellant.
Het hoger beroep van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft hiertegen opnieuw gronden aangevoerd over de gebeurtenissen die hebben geleid tot de derdenbeslagen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht en op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het executoriaal derdenbeslag.
4.2.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omvang van het geding zich naar vaste rechtspraak van de Raad beperkt tot de vraag of de derdebeslagene, in dit geval het Uwv, bij het nemen van het bestreden besluit is gebleven binnen het kader van het beslag. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het ligt niet op de weg van het Uwv, en niet op de weg van de bestuursrechter om de geldigheid en omvang van het beslag te beoordelen. Het Uwv was gehouden om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het beslag. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank, die worden onderschreven. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv binnen de grenzen van het beslag is gebleven. Het Uwv heeft toegelicht dat de maandelijkse netto-uitkering van appellant € 1.621,48 bedraagt, terwijl in ieder geval tot juni 2024 daarop een bedrag van € 388,48 per maand wordt ingehouden, nog steeds uitgaande van de hogere, op 23 januari 2023 vastgestelde, beslagvrije voet van € 1.233,-. Appellant heeft ook niet betwist dat het Uwv bij de vaststelling van de inhouding op de WIA-uitkering van appellant rekening heeft gehouden met de door de deurwaarder opgegeven beslagvrije voet. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de uitvoering van het onder het Uwv gelegde derdenbeslag in stand blijft. Omdat het hoger beroep niet slaagt, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S. Pouw
Tegen deze uitspraak op het hoger beroep kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2022. ECLI:NL:CRVB:2022:992.
Inleiding
24/2228 WIA, 25/187 WIA-VV
Datum uitspraak: 12 maart 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 september 2024, 24/2615 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht en op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan een op de WIA-uitkering van appellant gelegd executoriaal derdenbeslag.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 1 maart 2022 heeft [naam B.V.] namens Menzis Zorgverzekeraar N.V. executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uwv op de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellant. Daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op € 1.190,- netto per maand. Op 23 januari 2023 is de beslagvrije voet aangepast naar € 1.233,- per maand.
1.2.
Op 19 januari 2024 heeft Gerechtsdeurwaarderskantoor [naam] executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uwv op de WIA-uitkering van appellant. Daarbij is de beslagvrije voet vastgesteld op € 871,- per maand. Daarbij is het Uwv bevolen om gelden verschuldigd aan appellant onder zich te houden en ingehouden bedragen uit te betalen.
1.3.
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het Uwv aan appellant het executoriaal derdenbeslag van Gerechtsdeurwaarderskantoor [naam] meegedeeld, waarbij hem te kennen is gegeven dat het Uwv het deel van de WIA-uitkering van appellant boven de beslagvrije voet van € 871,- zal blijven afdragen aan [naam B.V.]
1.4.
Bij besluit van 2 april 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 februari 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv verplicht is om uitvoering te geven aan het derdenbeslag, dat het niet aan het Uwv is om te beoordelen of de beslaglegging rechtmatig is en ook niet aan de bestuursrechter. Dit geldt ook ten aanzien van de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet. Uit vaste rechtspraak volgt dat bezwaren tegen een gelegd beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Bij de beoordeling van de beslissing van het Uwv om een lager bedrag aan uitkering aan appellant te betalen, moet de bestuursrechter het beslag als een vaststaand gegeven beschouwen. De gronden die appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het beslag, kunnen dan ook niet slagen en zal de rechtbank onbesproken laten. De bestuursrechter kan dus uitsluitend beoordelen of het Uwv bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. De rechtbank stelt vast dat het Uwv het beslag heeft uitgevoerd zoals opgedragen, namelijk tot aan de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet. Daarmee is het Uwv binnen het kader van het beslag gebleven. Binnen het hiervoor genoemde beoordelingskader bestaat geen ruimte om persoonlijke omstandigheden van appellant mee te wegen. Het Uwv heeft daarom op juiste gronden uitvoering gegeven aan het derdenbeslag op de uitkering van appellant.
Het hoger beroep van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft hiertegen opnieuw gronden aangevoerd over de gebeurtenissen die hebben geleid tot de derdenbeslagen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht en op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het executoriaal derdenbeslag.
4.2.
De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omvang van het geding zich naar vaste rechtspraak van de Raad beperkt tot de vraag of de derdebeslagene, in dit geval het Uwv, bij het nemen van het bestreden besluit is gebleven binnen het kader van het beslag. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het ligt niet op de weg van het Uwv, en niet op de weg van de bestuursrechter om de geldigheid en omvang van het beslag te beoordelen. Het Uwv was gehouden om medewerking te verlenen aan de uitvoering van het beslag. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank, die worden onderschreven. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv binnen de grenzen van het beslag is gebleven. Het Uwv heeft toegelicht dat de maandelijkse netto-uitkering van appellant € 1.621,48 bedraagt, terwijl in ieder geval tot juni 2024 daarop een bedrag van € 388,48 per maand wordt ingehouden, nog steeds uitgaande van de hogere, op 23 januari 2023 vastgestelde, beslagvrije voet van € 1.233,-. Appellant heeft ook niet betwist dat het Uwv bij de vaststelling van de inhouding op de WIA-uitkering van appellant rekening heeft gehouden met de door de deurwaarder opgegeven beslagvrije voet. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de uitvoering van het onder het Uwv gelegde derdenbeslag in stand blijft. Omdat het hoger beroep niet slaagt, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S. Pouw
Tegen deze uitspraak op het hoger beroep kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2022. ECLI:NL:CRVB:2022:992.