Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2020-11-16
ECLI:NL:RBOVE:2020:3787
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,339 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.002207.19 (P)
Datum vonnis: 16 november 2020
Verstekvonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 02 november 2020.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. van Dijck en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. L.A. Versteegh, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair:
op 24 juli 2017 samen met anderen in een pand aan de [adres] in IJsselmuiden op professionele wijze 1500 hennepplanten heeft geteeld;
subsidiair:
medeplichtig is geweest aan het op 24 juli 2017 door meerdere personen op professionele wijze telen van 1500 hennepplanten in een pand aan de [adres] in IJsselmuiden.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks
24 juli 2017
te IJsselmuiden, gemeente Kampen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk - in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf - heeft
geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad
(in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500 hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 1500 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 24 juli 2017 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, althans in Nederland, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk - in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf - althans opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500 hennepplanten, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 1500 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan, tot en/of bij het plegen van welk(e)misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 24 juli 2017 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
3De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4De bewijsoverwegingen
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht gelet op de bekennende verklaring van verdachte het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
Ten aanzien van de anonieme melding die heeft geleid tot het op grond van artikel 9 van de Opiumwet binnentreden in het bedrijfspand heeft zij betoogd dat dit een melding is geweest door een persoon die zeer gedetailleerde informatie heeft verstrekt. Dit tezamen met een onderzoek in de gemeentelijke basisadminstratie is voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld. Een machtiging om binnen te treden was niet vereist.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen, omdat de doorzoeking in het bedrijfspand niet gegrond was op een redelijk vermoeden van schuld en daarmee onrechtmatig was. Het directe resultaat van de doorzoeking dient uitgesloten te worden van het bewijs. Ter onderbouwing van het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld heeft de raadsvrouw verwezen naar enkele arresten van de Hoge Raad en heeft zij betoogd dat de anonieme melding op geen enkele wijze is geverifieerd of getoetst is op betrouwbaarheid. Ook is er naar aanleiding van deze melding geen nader onderzoek geweest.
Subsidiair heeft de raadsvrouw opgemerkt dat nu verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.3
Beoordeling
Redelijk vermoeden van schuld
Ingevolge artikel 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de plaatsen, waar een overtreding van de Opiumwet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt. Op 11 maart 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie.
Uit het dossier volgt dat op 20 juni 2017 een man verbalisant [verbalisant] , wijkagent te Asten (Brabant), benadert met de navolgende informatie:
…’De man vertelde tegen mij dat wij maar eens moesten gaan kijken bij de [verdachte] , gevestigd aan de [adres] te IJsselmuiden. IJsselmuiden zou in de buurt van Kampen liggen. Ik had de indruk dat de man niet uit onze regio kwam, maar meer uit de buurt van de plaats waar hij over sprak. Deze man vertelde tegen mij dat er bij [verdachte] , gevestigd aan de [adres] te IJsselmuiden, al bijna 2 jaar een grote hennepkwekerij gevestigd was. Ik vroeg de man hoe oud deze info was. Ik hoorde dat de man, sprak over een paar maanden terug. De man gaf aan dat het nu nog steeds gaande was. Ik vroeg de man waar de kwekerij zat. De man vertelde mij gedetailleerd waar de kwekerij zat. De man vertelde dat de kwekerij in de grootste koelcel van het bedrijf
zou zitten. Het bedrijf zou 2 koelcellen hebben. De grootste koelcel zou aan de
rechterzijde zitten, gezien vanaf de hoofdingang/binnenkomst. Er zou rechts een wand
zijn met pallets. Vooraan zou een grote toegangsdeur zitten, maar deze werd nooit
gebruikt. Achter de rij met pallets zou een ingang c.q. deur zitten, welke toegang gaf
tot de kwekerij. Aan de linkerzijde vanaf de hoofdingang gezien zou o.a. een kantoor en
de kantine gevestigd zijn. Ik vroeg de man hoe groot de kwekerij was. Ik hoorde dat
de man aangaf, ik denk een 1000.‘
Vervolgens is er op 17 juli 2017 overleg geweest met een officier van justitie en heeft er een controle in de gemeentelijke basisadministratie plaatsgevonden waaruit bleek dat onder meer [verdachte] op de [adres] in IJsselmuiden ingeschreven stond. Op 24 juli 2017 is er binnengetreden in het bedrijfspand aan de [adres] in IJsselmuiden.
De rechtbank overweegt dat de anonieme melding op 20 juni 2017 gedetailleerde informatie betreft over de plaats en grootte van de hennepkwekerij. Er is genoemd dat een zekere [verdachte] een hennepkwekerij had, waar de hennepkwekerij gesitueerd zou zijn, hoe groot deze was, hoe lang deze er al zit en dat deze nog altijd in bedrijf zou zijn. De verbalisant in kwestie heeft deze informatie als betrouwbaar aangemerkt. Op basis van deze informatie kon er een redelijk vermoeden van schuld aangenomen worden dat verdachte ( [verdachte] ), zijnde de [beroep] gevestigd aan de [adres] in IJsselmuiden, zich schuldig maakte aan een overtreding van de Opiumwet. Naar aanleiding van de anonieme melding heeft er bovendien een controle in de gemeentelijke basisadministratie plaatsgevonden, waaruit naar voren kwam dat verdachte stond ingeschreven op het in de anonieme melding genoemde adres. Daarmee is de melding geverifieerd.
De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw dat er een onrechtmatige doorzoeking heeft plaatsgevonden op 24 juli 2017 en de vruchten van deze doorzoeking van het bewijs uitgesloten zouden moeten worden.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
Zoals hiervoor is gerelateerd, is er naar aanleiding van de anonieme melding op 24 juli 2017 het bedrijfspand aan de [adres] in IJsselmuiden binnengetreden. In [bedrijf] is – achter een muur van pallets en opgestapelde kratten - een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De kwekerij bestond uit drie kweekruimten. In kweekruimte A, die zich bevond in de koelcel, stonden ruim 1500 volgroeide planten. In de andere ruimten werd voornamelijk apparatuur en benodigdheden aangetroffen voor hennepteelt. In kweekruimte C werden in totaal 66 bevuilde knipbenodigdheden, zowel scharen als tangen aangetroffen. Verbalisanten constateerden op basis van de uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en de daarnaast herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. Verdachte werd in [bedrijf] aangehouden. In de hennepkwekerij zijn een plastic fles en een glazen beker in beslag genomen. Hierop zijn DNA sporen aangetroffen van minimaal twee andere personen dan verdachte.
Verdachte heeft ter terechtzitting op 2 november 2020 onder meer het navolgende verklaard:
…”Het klopt dat ik met twee andere mannen de hennepkwekerij heb opgezet. Ik heb de kwekerij zelf opgebouwd en zij regelden de afzet van de hennep. Met de opbouw van de kwekerij ben ik misschien twee weken bezig geweest. De lampen en schakelkast lagen al in de kwekerij en de andere benodigdheden heb ik via de groothandel aangeschaft. Ik heb zelf de zaadjes voor de planten gekocht en de hennepplanten gekweekt. Ik heb in totaal voor 2 oogsten tussen de € 30.000,- en € 40.000,- geïnvesteerd. Er is één eerdere oogst van 1000 hennepplanten geweest. De hennep is toen in één dag door ongeveer 25 mensen geknipt en nat meegenomen. De twee andere mannen hebben de opbrengst gewogen en ik kreeg 1/3 van de totale opbrengst. Ik heb er misschien € 7.500,- aan overgehouden.”
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor het bewijs dat verdachte nauw en bewust met anderen hennep heeft geteeld.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen op 24 juli 2017 een grote hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld. Daarbij wordt opgemerkt dat op grond van artikel 1 Opiumwetbesluit (Stb. 2012/603) onder ‘een grote hoeveelheid’ moet worden verstaan een hoeveelheid van 200 hennepplanten of meer.
De rechtbank acht het tenlastegelegde handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf niet bewezen.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
primair:
hij op
24 juli 2017
te IJsselmuiden, gemeente Kampen, tezamen en in vereniging met anderen,, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 1500 hennepplanten.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 onder B en 11 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet, gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mrs. R.M. van Vuure en
A.H. toe Laer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2020.
O.a. HR 13 juni 2006, LJN AV4179, NJ 2006, 346, HR 11 maart 2008 LJN BC1367, NJ 2008, 328 en HR 13 juli 2017, ECLI:NL:HR:2010:BM2490.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017331374. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
ECLI:NL:HR:2010:BC1367.
pagina 68.
pagina 5.
pagina 6.
pagina 6, 7, 8 en 13 tot en met 67
pagina 9 en 10.
pagina 7.
pagina 114.
Pagina 115, 133, 134 en 135.
Zie de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 2 november 2020.