Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2013-08-20
ECLI:NL:PHR:2013:843
Strafrecht
2,009 tokens
=== CONCLUSIE ===
[verdachte]
1. Bij arrest van 23 september 20011 heeft het Gerechtshof Arnhem – na terugwijzing door de Hoge Raad - de verdachte ter zake van feit 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren
2. Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th. O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Alle middelen klagen over de verwerping van het verweer dat de melding via MMA onvoldoende grond vormt voor het aannemen van een redelijk vermoeden als bedoeld in art. 9 Opiumwet. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4. Zoals reeds opgemerkt in noot 1: deze zaak is eerder aan Uw Raad voorgelegd. Ook toen werd geklaagd over de verwerping van het verweer dat een redelijk vermoeden als bedoeld in art. 9 Opiumwet ontbrak, zodat de woning van de verdachte (en de medeverdachte) onrechtmatig zou zijn binnengetreden.
De verwerping van het verweer door het Hof luidde destijds:
“Namens verdachte is aangevoerd dat het bewijs niet rechtmatig is verkregen, nu door de politieambtenaren - kort gezegd - slechts op basis van de gedane MMA-melding de woning van verdachte is binnengetreden.Bovendien zou de toestemming die medeverdachte [medeverdachte] verleende aan de politieambtenaren voor de doorzoeking van de woning, na het aantreffen van 57 kilogram hennep, geen waarde hebben, nu verdachte de toegang aan hen reeds daarvóór geweigerd zou hebben. De resultaten van deze zoeking zouden daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs.De advocaat-generaal heeft ter zitting - kort gezegd - zich op het standpunt gesteld, dat de MMA-melding voldoende was om tot binnentreden ter inbeslagneming over te gaan nu het ging om een zeer gedetailleerde melding, waar dan nog bijkwam dat verdachte, toen zij buiten de gesloten woning werd aangesproken door politieambtenaren, tegenover hen verklaarde dat zij geen sleutel daarvan bij zich had (door welke mededeling de verdenking, zoals ontstaan door de MMA-melding, werd versterkt) en dat voor de politie spoed geboden was. De advocaat-generaal heeft op grond hiervan geconcludeerd dat het bewijs rechtmatig verkregen is. Het hof overweegt als volgt.Het hof is - mede gezien de arresten van de HR d.d. 11 maart 2008, NJ 2008, 328 en NJ 2008, 329, alsmede HR NJ 1993, 83 - van oordeel dat een voldoende concrete en gedetailleerde anonieme melding van een misdrijf voldoende grond voor het in artikel 9 lid 1 sub b Opiumwet bedoelde vermoeden kan opleveren om het afgeven van een machtiging tot binnentreden van de woning te rechtvaardigen. In casu werd gemeld, dat in een kelderruimte van de woning [a-straat 1] te Nijmegen door zes dames reeds de gehele week een grote hoeveelheid hennep werd geknipt. Er zouden zich in het pand 1.000 hennepplanten bevinden. Verder werd er beschreven waar de hennepkwekerij zich bevond. De melding was zeer gedetailleerd, en het hof is van oordeel dat op basis van die melding de betrokken politiemensen zeer wel het vermoeden konden hebben, dat in de bedoelde woning een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd.Het hof is van oordeel, dat gewenst is, dat zo mogelijk naar aanleiding van een dergelijke MMA-melding enig nader onderzoek plaatsvindt ter verificatie of falsificatie, maar het achterwege laten daarvan maakt nog niet dat het handelen op basis van die verdenking onder alle omstandigheden onrechtmatig is. Naar het oordeel van het hof kon de politie nader onderzoek achterwege laten, nu de situatie, gelet op de inhoud van de MMA-melding, noopte tot spoed; immers, volgens de melding waren op dat ogenblik niet alleen de verdovende middelen, maar ook een aantal hennepknippers aanwezig in het pand, zodat bij onverwijld optreden het vooruitzicht op inbeslagneming en een succesvol opsporingsonderzoek zeer gunstig was. Het hof oordeelt derhalve, dat de last tot binnentreden terecht is gegeven, en dat het binnentreden ter inbeslagneming als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet derhalve rechtmatig was.”
5. De Hoge Raad vernietigde:
“2.5. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat een verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie en dat het in geval van een zogenoemde MMA-melding doorgaans gewenst is dat zo mogelijk enig nader onderzoek plaatsvindt ter verificatie van die informatie. Dat uitgangspunt geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarom faalt het middel voor zover het op de opvatting berust dat voor het aannemen van voldoende verdenking steeds nader onderzoek naar aanleiding van de MMA-melding is vereist. 2.6. Het Hof heeft vooreerst geoordeeld dat in het onderhavige geval op basis van de MMA-melding "de betrokken politiemensen zeer wel het vermoeden konden hebben dat in de bedoelde woning een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd". Vervolgens heeft het Hof echter nadere aandacht besteed aan de rechtmatigheid van het politieoptreden en heeft het in dat verband uiteengezet dat en waarom in de omstandigheden van het geval het achterwege laten van nader onderzoek het binnentreden van de desbetreffende woning niet onrechtmatig doet zijn, waarbij het heeft benadrukt dat spoed was geboden.Daarmee heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat in het onderhavige geval voor het aannemen van verdenking van overtreding van de Opiumwet nadere verificatie van de anonieme melding was vereist, maar dat het achterwege laten daarvan in de omstandigheden van het geval het binnentreden niet onrechtmatig doet zijn. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. De enkele door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de inhoud van de MMA-melding tot spoed noopte, ontneemt immers niet de onrechtmatigheid aan het binnentreden op grond van (anonieme) informatie die zonder nadere verificatie onvoldoende verdenking oplevert.”
6. De thans bestreden uitspraak van het Hof houdt het volgende in:
"De raadsman heeft betoogd dat - kort gezegd - een melding via Meld Misdaad Anoniem (MMA) zo mogelijk nadere verificatie vereist, zonder welke geen sprake kan zijn van een redelijk vermoeden van schuld als omschreven in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Nu daarvan geen sprake was, werd door de politie onrechtmatig binnengetreden in de woning van verdachte, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting van datgene wat later in de woning werd aangetroffen.Vooropgesteld dient te worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie (vgl. HR LJN BC1367 en BK8836). De beantwoording van de vraag of dergelijke informatie toereikend is voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet is in belangrijke mate afhankelijk van aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval.Op 16 mei 2006 kwam bij de regiopolitie Gelderland-Zuid via "Meld Misdaad Anoniem" de tip binnen dat er op het adres [a-straat 1] in Nijmegen een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was. In de melding werd aangegeven dat er al de hele week zes dames henneptoppen aan het knippen waren en dat die op het moment van de melding ook bezig zouden zijn. Volgens de melding zouden er in het pand 1000 hennepplanten staan.Verder werd er aangegeven hoe het pand er uit zou zien en waar de kwekerij in de woning zou zijn gevestigd.In het onderhavige geval behelsde de melding aldus concrete informatie over de aard van het strafbare feit, de tijd en plaats daarvan en degene die daarbij betrokken zou zijn. Voorts was het vermoedelijke feit nog nader geconcretiseerd, o.m. door de aanwijzing van de kelder van de woning als plaats daarvan, hetgeen duidt op specifieke kennis van de gang van zaken.