Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2016-03-09
ECLI:NL:RBOVE:2016:821
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,675 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
Zittingsplaats Zwolle
Registratienummer: Awb 15/1908
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen
[eiser] ,
wonende te Luttenberg, eiser,gemachtigde: [gemachtigde]
en
de ambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte, verweerder. 15/1908
1Ontstaan en loop van het geding
Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te Luttenberg vastgesteld bij beschikking van 28 februari 2015. Daarbij is de waarde vastgesteld op € 417.000,-- per waardepeildatum 1 januari 2014 voor het belastingjaar 2015. Tegelijk met deze beschikking heeft verweerder eiser voor het belastingjaar 2015 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd van € 526,25.
Bij uitspraak op bezwaar van heeft verweerder het tegen de beschikking gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde nader vastgesteld op € 328.000,-- en aan eiser een schadevergoeding toegekend van € 246,50.
Tegen deze uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 17 november 2015 ter zitting behandeld. Namens eiser is A. Oosters verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.M.E. Vos, M.M. Beltman en I. Achterkamp.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Geschil
2.2
Eiser stelt dat geen sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat geen sprake is van gelijktijdige behandeling of werkzaamheden die in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
Verweerder stelt dat wel sprake is van samenhangende zaken als hiervoor bedoeld. In het verweerschrift heeft verweerder gewezen op het door haar gehanteerde beleid met betrekking tot de beoordeling of sprake is van identieke of nagenoeg identieke werkzaamheden door een rechtsbijstandverlener en op de wijze waarop ontvangen bezwaarschriften van eenzelfde rechtsbijstandverlener geclusterd worden behandeld.
Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Overwegingen
3.1
Bij Besluit van 27 oktober 2014 (Stb. 2014, 411) is artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) gewijzigd. Dat artikellid luidt met ingang van
1 januari 2015 als volgt:
“Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”
Op grond van het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel II van het Besluit, heeft de wijziging onmiddellijke werking. Dat betekent dat zowel de proceskostenvergoeding in beroep als de kostenvergoeding in bezwaar in de zaak van eiser op basis van het gewijzigde artikel 3, tweede lid, van het Bpb moet worden vastgesteld.
In de nota van toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 is onder meer opgenomen:
“In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.
Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip “samenhangende zaak” in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar of gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient. Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor ieder zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.”
In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3, tweede lid, van het Bpb is gesteld:
“Het nieuwe tweede lid van artikel 3 van het Bpb strekt ertoe dat de rechter en het bestuursorgaan bezwaren en beroepen waarbij rechtsbijstand is verleend door één of meer personen en die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elke individuele zaak nagenoeg identiek konden zijn en welke (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld, moeten aanmerken als één zaak. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten alsdan worden vastgesteld conform de in onderdeel C2 van de bijlage opgenomen wegingsfactoren voor samenhangende zaken.”
3.2
Naar aanleiding van de wijziging van artikel 3, tweede lid, van het Bpb, heeft verweerder per 1 januari 2015 de Beleidsregel proceskosten “Toepassing wegingsfactoren en taxatietarieven Wet waardering onroerende zaken 2015” (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld.
Artikel 4 van de Beleidsregel luidt als volgt:
1. Zaken die ingevolge artikel 3, tweede lid Bpb als samenhangend worden aangemerkt worden beoordeeld op basis van de volgende categorieën van waardebepaling:
a. woningen op basis van de vergelijkingsmethodiek;
b. niet-woningen op basis van de huurwaardekapitalisatie methode;
c. agrarische niet-woningen;
d. niet-woningen op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde.
2. Voor minder dan 4 zaken die op basis van artikel 3, tweede lid Bpb als samenhangend worden aangemerkt en waarop het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, wordt de wegingsfactor 1 gehanteerd.
3. Voor 4 of meer zaken die op basis van artikel 3, tweede lid Bpb als samenhangend worden aangemerkt, en waarop het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, wordt de wegingsfactor 1,5 gehanteerd.
De toelichting bij de Beleidsregel luidt als volgt (voor zover hier van belang):
In artikel 4 wordt een afwijkende regeling getroffen voor samenhangende zaken. Er wordt aansluiting gezocht bij artikel 3, tweede lid, van het Bpb zoals dit luidt vanaf 1 januari 2015. [..] Leidend is de vraag of het bestuursorgaan de bezwaren gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt en de dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak [..]. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor iedere zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.
Voor de toekenning van de factor bij de samenhangende zaken wordt uitgegaan van omstandigheden waarbij wordt beoordeeld of binnen de betreffende categorie identieke of nagenoeg identieke argumenten worden aangevoerd. Als behorend tot één categorie worden respectievelijk aangemerkt: de waardebepaling van woningen op basis van de vergelijkingsmethodiek, de waardebepaling van niet-woningen op basis van de huurwaardekapitalisatie methode, de waardebepaling van agrarische niet-woningen en de waardebepaling van niet-woningen op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde.
De rechtbank begrijp dit beleid aldus dat in beginsel alle door eenzelfde rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden met betrekking tot objecten binnen eenzelfde categorie als nagenoeg identiek worden aangemerkt, maar dat per geval wordt bezien of dat ook daadwerkelijk zo is.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Afschrift verzonden op: