Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2026-04-23
ECLI:NL:RBOBR:2026:2866
Civiel recht
Bodemzaak
34,579 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2866 text/xml public 2026-05-15T14:25:00 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-23 11345972 \ CV EXPL 24-7183 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2866 text/html public 2026-05-15T14:23:10 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2866 Rechtbank Oost-Brabant , 23-04-2026 / 11345972 \ CV EXPL 24-7183 arbeidsrecht; onrechtmatige concurrentie; schending nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding; cumulatie boete en schadevergoeding; verwijzing schadestaatprocedure; in de laatste maand van het dienstverband bij de werkgever verricht de werknemer al concurrerende werkzaamheden voor de nieuwe werkgever en stuurt hij bedrijfs- en klantgegevens van de werkgever door naar de nieuwe werkgever op diens verzoek. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding heeft geschonden en dat de werknemer daarom boetes aan de voormalig werkgever moet betalen. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en dat de werknemer aansprakelijk is voor de geleden schade. Aannemelijk is dat de voormalig werkgever schade heeft geleden, maar de omvang van de schade kan nu niet worden vastgesteld. Daarom volgt verwijzing naar de schadestaatprocedure. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11345972 \ CV EXPL 24-7183 Vonnis van 23 april 2026 in de zaak van ALL CONCRETE FLOORS B.V. , te Bergeijk, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: ACF, gemachtigde: mr. T.B.M. Kersten, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigden: mr. F.M.C. van Helmond en mr. J.P.M. Dexters. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis van 24 april 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 26; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte met een eiswijziging van ACF met producties 71 tot en met 77; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2026. De advocaten van partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier. 1.2. Het vonnis is nader bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. ACF is een onderneming die zich bezig houdt met het verkopen van (beton)vloeren, vloerprojecten en aanverwante producten. 2.2. Op 1 januari 2018 is [gedaagde] in dienst getreden bij ACF. [gedaagde] vervulde de functie van Sales Manager. In de arbeidsovereenkomst is het volgende nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen: “Artikel V Verbod andere werkzaamheden Werknemer verbindt zich, behoudens schriftelijke toestemming van werkgever, om gedurende de loop van de dienstbetrekking voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect, en zich te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. Overtreding van dit beding zal door werkgever als een dringende reden voor ontslag op staande voet kunnen worden aangemerkt. Bij overtreding van dit beding dient werknemer aan werkgever een boete te betalen van € 5.000 per overtreding.” Daarnaast is in artikel IV van de arbeidsovereenkomst het volgende geheimhoudingsbeding overeengekomen: “Artikel VI Geheimhouding etc. De werknemer zal tegenover derden alsmede collega’s tijdens en na de dienstbetrekking bijzonderheden of informatie betreffende werkgever of betreffende zakelijke relaties van werkgever, geheimhouden, tenzij werkgever hiertoe toestemming geeft. Schade die uit een overtreding voortvloeit, zal door werkgever rechtstreeks kunnen worden verhaald op werknemer .” De arbeidsovereenkomst bevat geen concurrentie- en geen relatiebeding. 2.3. Op 23 december 2023 heeft [gedaagde] zijn dienstverband opgezegd tegen 1 februari 2024. 2.4. Op 8 januari 2024 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld. 2.5. Op 1 februari 2024 is [gedaagde] in dienst getreden bij C.F.S. B.V., handelend onder de naam Concrete Floor Solutions, (hierna: CFS). [gedaagde] vervult de functie van Bedrijfsleider/Sales. CFS houdt zich net als ACF bezig met het verkopen van (beton)vloeren en aanverwante producten. CFS is (indirect) een onderneming van [A] (hierna: [A] ), die meerdere ondernemingen drijft in België. CFS is eind 2023 opgericht en is de eerste onderneming van [A] in Nederland. (Mede)directeur van CFS was [B] (hierna: [B] ). 2.6. In de loop van 2024 is ACF in het bezit gekomen van e-mailberichten afkomstig van [gedaagde] verzonden vanaf een e-mailaccount van CFS ( [e-mailadres] ), met verzenddata vanaf januari 2024 toen [gedaagde] nog in dienst was bij ACF. Ook is ACF in het bezit gekomen van e-mails met klant- en bedrijfsgegevens van ACF afkomstig van het e-mailadres van [gedaagde] bij ACF gericht aan [gedaagde] ’ e-mailadres bij CFS en gericht aan [B] . Volgens ACF heeft [gedaagde] met het versturen van deze e-mails het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding van de arbeidsovereenkomst geschonden en ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan. 2.7. Op 2 september 2024 heeft ACF conservatoir beslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank en op een pand waarvan [gedaagde] (gedeeltelijk) eigenaar is. [gedaagde] heeft bij de Voorzieningenrechter van deze rechtbank – samengevat – opheffing van de beslagen gevorderd, maar bij vonnis van 2 december 2024 is de vordering van [gedaagde] afgewezen. De zaak is bekend onder zaaknummer: C-01-408865 - KG ZA 24-545. 3 Het geschil in conventie: de vorderingen van ACF: 3.1. ACF heeft haar eis vermeerderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat hij daartegen geen formele bezwaren heeft. De kantonrechter zal daarom vonnis wijzen op de volgende (gewijzigde) eis. ACF vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] het nevenactiviteiten- en/of het geheimhoudingsbeding heeft overtreden; II. voor recht te verklaren dat [gedaagde] contractuele boetes heeft verbeurd van € 120,000,-, althans door de kantonrechter te bepalen bedragen, en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; III. [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van het direct en/of indirect gebruik maken en/of laten maken van overeenkomsten en/of zakelijke overeenkomsten en/of andere administratieve bescheiden en/of calculatiebladen en/of offertes van ACF, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-; IV. [gedaagde] te veroordelen alle documenten van ACF die [gedaagde] onder zich heeft te verwijderen en te vernietigen onder afgifte van een certificaat waaruit die verwijdering en vernietiging blijkt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-; V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.443,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 17.197,50 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.144,- aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; VIII.
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2026:2866 text/xml public 2026-05-15T14:25:00 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-04-23 11345972 \ CV EXPL 24-7183 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Eindhoven Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2866 text/html public 2026-05-15T14:23:10 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:2866 Rechtbank Oost-Brabant , 23-04-2026 / 11345972 \ CV EXPL 24-7183 arbeidsrecht; onrechtmatige concurrentie; schending nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding; cumulatie boete en schadevergoeding; verwijzing schadestaatprocedure; in de laatste maand van het dienstverband bij de werkgever verricht de werknemer al concurrerende werkzaamheden voor de nieuwe werkgever en stuurt hij bedrijfs- en klantgegevens van de werkgever door naar de nieuwe werkgever op diens verzoek. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding heeft geschonden en dat de werknemer daarom boetes aan de voormalig werkgever moet betalen. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en dat de werknemer aansprakelijk is voor de geleden schade. Aannemelijk is dat de voormalig werkgever schade heeft geleden, maar de omvang van de schade kan nu niet worden vastgesteld. Daarom volgt verwijzing naar de schadestaatprocedure. RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 11345972 \ CV EXPL 24-7183 Vonnis van 23 april 2026 in de zaak van ALL CONCRETE FLOORS B.V. , te Bergeijk, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: ACF, gemachtigde: mr. T.B.M. Kersten, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigden: mr. F.M.C. van Helmond en mr. J.P.M. Dexters. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis van 24 april 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 26; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte met een eiswijziging van ACF met producties 71 tot en met 77; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2026. De advocaten van partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier. 1.2. Het vonnis is nader bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. ACF is een onderneming die zich bezig houdt met het verkopen van (beton)vloeren, vloerprojecten en aanverwante producten. 2.2. Op 1 januari 2018 is [gedaagde] in dienst getreden bij ACF. [gedaagde] vervulde de functie van Sales Manager. In de arbeidsovereenkomst is het volgende nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen: “Artikel V Verbod andere werkzaamheden Werknemer verbindt zich, behoudens schriftelijke toestemming van werkgever, om gedurende de loop van de dienstbetrekking voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect, en zich te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. Overtreding van dit beding zal door werkgever als een dringende reden voor ontslag op staande voet kunnen worden aangemerkt. Bij overtreding van dit beding dient werknemer aan werkgever een boete te betalen van € 5.000 per overtreding.” Daarnaast is in artikel IV van de arbeidsovereenkomst het volgende geheimhoudingsbeding overeengekomen: “Artikel VI Geheimhouding etc. De werknemer zal tegenover derden alsmede collega’s tijdens en na de dienstbetrekking bijzonderheden of informatie betreffende werkgever of betreffende zakelijke relaties van werkgever, geheimhouden, tenzij werkgever hiertoe toestemming geeft. Schade die uit een overtreding voortvloeit, zal door werkgever rechtstreeks kunnen worden verhaald op werknemer .” De arbeidsovereenkomst bevat geen concurrentie- en geen relatiebeding. 2.3. Op 23 december 2023 heeft [gedaagde] zijn dienstverband opgezegd tegen 1 februari 2024. 2.4. Op 8 januari 2024 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld. 2.5. Op 1 februari 2024 is [gedaagde] in dienst getreden bij C.F.S. B.V., handelend onder de naam Concrete Floor Solutions, (hierna: CFS). [gedaagde] vervult de functie van Bedrijfsleider/Sales. CFS houdt zich net als ACF bezig met het verkopen van (beton)vloeren en aanverwante producten. CFS is (indirect) een onderneming van [A] (hierna: [A] ), die meerdere ondernemingen drijft in België. CFS is eind 2023 opgericht en is de eerste onderneming van [A] in Nederland. (Mede)directeur van CFS was [B] (hierna: [B] ). 2.6. In de loop van 2024 is ACF in het bezit gekomen van e-mailberichten afkomstig van [gedaagde] verzonden vanaf een e-mailaccount van CFS ( [e-mailadres] ), met verzenddata vanaf januari 2024 toen [gedaagde] nog in dienst was bij ACF. Ook is ACF in het bezit gekomen van e-mails met klant- en bedrijfsgegevens van ACF afkomstig van het e-mailadres van [gedaagde] bij ACF gericht aan [gedaagde] ’ e-mailadres bij CFS en gericht aan [B] . Volgens ACF heeft [gedaagde] met het versturen van deze e-mails het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding van de arbeidsovereenkomst geschonden en ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan. 2.7. Op 2 september 2024 heeft ACF conservatoir beslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank en op een pand waarvan [gedaagde] (gedeeltelijk) eigenaar is. [gedaagde] heeft bij de Voorzieningenrechter van deze rechtbank – samengevat – opheffing van de beslagen gevorderd, maar bij vonnis van 2 december 2024 is de vordering van [gedaagde] afgewezen. De zaak is bekend onder zaaknummer: C-01-408865 - KG ZA 24-545. 3 Het geschil in conventie: de vorderingen van ACF: 3.1. ACF heeft haar eis vermeerderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat hij daartegen geen formele bezwaren heeft. De kantonrechter zal daarom vonnis wijzen op de volgende (gewijzigde) eis. ACF vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat [gedaagde] het nevenactiviteiten- en/of het geheimhoudingsbeding heeft overtreden; II. voor recht te verklaren dat [gedaagde] contractuele boetes heeft verbeurd van € 120,000,-, althans door de kantonrechter te bepalen bedragen, en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; III. [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van het direct en/of indirect gebruik maken en/of laten maken van overeenkomsten en/of zakelijke overeenkomsten en/of andere administratieve bescheiden en/of calculatiebladen en/of offertes van ACF, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-; IV. [gedaagde] te veroordelen alle documenten van ACF die [gedaagde] onder zich heeft te verwijderen en te vernietigen onder afgifte van een certificaat waaruit die verwijdering en vernietiging blijkt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-; V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.443,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 17.197,50 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.144,- aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; VIII.
Volledig
voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig jegens ACF heeft gehandeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door ACF als gevolg daarvan geleden schade, primair tot een bedrag van € 933.703,-, althans subsidiair bij wege van proportionele aansprakelijkheid of kansschade te begroten op een bedrag van € 466.851,50 (50%), € 933.703,00, althans meer subsidiair tot een schade door de kantonrechter vast te stellen, althans uiterst subsidiair tot een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. [gedaagde] voert verweer en betwist de vorderingen. [gedaagde] stelt – samengevat – dat het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan gekoppelde boetebeding nietig zijn. [gedaagde] betwist daarnaast dat hij het nevenwerkzaamheden- en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Ook betwist [gedaagde] dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en dat ACF schade heeft geleden. in reconventie: de vorderingen van [gedaagde] : 3.3. [gedaagde] heeft een tegeneis ingesteld. [gedaagde] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – primair opheffing van de beslagen en subsidiair veroordeling van ACF om de gelegde beslagen op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met veroordeling van ACF in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.4. ACF voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenvorderingen en tot handhaving van de beslagen. 3.5. Voor de verdere onderbouwing van de vorderingen en de verweren van partijen over en weer wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling. 4 De beoordeling in conventie: de vordering van ACF: 4.1. In deze zaak gaat het er in de kern om of [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding – als dat in stand blijft – heeft geschonden en boetes heeft verbeurd. Daarnaast moet beoordeeld worden of [gedaagde] tegenover ACF aansprakelijk is voor door ACF geleden schade als gevolg van het schenden van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. De kantonrechter zal de afzonderlijke onderdelen van vordering en het gevoerde verweer hieronder puntsgewijs bespreken. Geen schending van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) 4.2. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft gehandeld omdat hij stelselmatig en herhaaldelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Volgens ACF moeten haar vorderingen om die reden volledig worden toegewezen. De kantonrechter gaat daar niet in mee en legt dat als volgt uit. 4.3. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zoals [gedaagde] terecht stelt, gaat het met dit artikel om het uitbannen van de bewuste leugen en het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Artikel 21 Rv laat onverlet dat het aan partijen zelf is om te bepalen welke feiten zij aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. ACF heeft diverse vermeende schendingen van de waarheidsplicht genoemd, maar het staat [gedaagde] vrij om een ander (juridisch) standpunt in te nemen of een andere lezing te hebben van hoe het volgens hem is gegaan. Dat levert als zodanig geen strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv op. Voor zover [gedaagde] in de zogenaamde 705 Rv procedure tot opheffing van de beslagen bij de Voorzieningenrechter heeft gesteld dat niet hij, maar [B] de e-mails heeft gestuurd, en [gedaagde] daarop nu in deze procedure terugkomt, levert dat niet zozeer schending van de waarheidsplicht in deze procedure op. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn eerdere standpunt niet loslaat omdat het onwaar is, maar omdat hij het niet kan bewijzen. Volgens [gedaagde] heeft [B] de digitale administratie / server van CFS gewist. Wat daar verder ook van zij, in deze procedure staat vast dat [gedaagde] de e-mails heeft gestuurd. Dat is in lijn met het standpunt van ACF. In zoverre gaat het op dit punt dan ook niet om een andere lezing van de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Van schending van artikel 21 Rv is daarom geen sprake. Het nevenwerkzaamhedenbeding is niet nietig 4.4. Aan haar vorderingen I en II heeft ACF ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Als zodanig is tussen partijen niet in geschil dat het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen en tot 1 februari 2024 door [gedaagde] moest worden nagekomen. Artikel 7:653a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, nietig is tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. ACF stelt dat de objectieve rechtvaardiging voor het beding ligt in het voorkomen van concurrerende activiteiten, het voorkomen van tegenstrijdig belang en het beding erop ziet dat [gedaagde] het bedrijfsdebiet van ACF niet afbreekt. 4.5. [gedaagde] beroept zich op de nietigheid van het beding. Volgens hem heeft ACF nagelaten om een objectieve reden te geven op het moment dat ACF een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding heeft gedaan. Volgens [gedaagde] heeft ACF voor het eerst een beroep op het beding gedaan in het verzoekschrift van 28 augustus 2024 tot het leggen van conservatoir beslag. ACF heeft de objectieve rechtvaardiging toen niet gegeven en ook niet in de dagvaarding. ACF is dus te laat en het beding is volgens [gedaagde] daarom nietig. 4.6. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van [gedaagde] . Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 7:653a BW blijkt dat de wetgever er van heeft afgezien dat in het nevenwerkzaamhedenbeding zelf al moet staan vermeld wat de objectieve reden is die maakt dat – volgens de werkgever – het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is. Niet blijkt daaruit dat de werkgever, direct wanneer hij zich op het nevenwerkzaamhedenbeding beroept, (alle) gronden dient aan te voeren die tot de conclusie leiden dat een objectieve reden aanwezig is. Tenslotte valt uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een nevenwerkzaamhedenbeding (op voorhand) geldig is, of nietig. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan en moet beoordeeld worden of het beding geldig is of niet. 4.7. De Voorzieningenrechter heeft reeds geoordeeld dat voor zover de nevenactiviteiten van [gedaagde] plaatsvonden buiten de tijdstippen waarop de arbeid gewoonlijk werd verricht –en dus in beginsel vallen onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW – de objectieve rechtvaardiging ligt in het voorkomen c.q. tegengaan van de aantasting van het bedrijfsdebiet. De kantonrechter is het daarmee eens. [gedaagde] heeft niets naar voren gebracht om van dat oordeel af te wijken. Voor zover [gedaagde] meent dat het beding in deze bodemprocedure opnieuw is ingeroepen, leidt dat niet tot een andere conclusie. De kantonrechter is van oordeel dat uit de gehele dagvaarding blijkt dat het nevenwerkzaamhedenbeding tot doel heeft het bedrijfsdebiet van ACF te beschermen, zo blijkt ook expliciet uit de vorderingen onder III en IV. Het doel waarmee een beroep is gedaan op het beding blijkt zowel uit het verzoekschrift als deze gehele bodemprocedure. 4.8. Het nevenwerkzaamhedenbeding is daarom niet nietig en dus van toepassing in de rechtsverhouding tussen ACF en [gedaagde] . Het boetebeding is niet nietig 4.9. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding gedurende het dienstverband tot en met 31 januari 2024 tenminste 24 keer heeft geschonden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan 24 keer de boete van € 5.000,- heeft verbeurd. [gedaagde] betwist dat en beroept zich op nietigheid van het aan het nevenwerkzaamhedenbeding verbonden boetebeding.
Volledig
voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig jegens ACF heeft gehandeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door ACF als gevolg daarvan geleden schade, primair tot een bedrag van € 933.703,-, althans subsidiair bij wege van proportionele aansprakelijkheid of kansschade te begroten op een bedrag van € 466.851,50 (50%), € 933.703,00, althans meer subsidiair tot een schade door de kantonrechter vast te stellen, althans uiterst subsidiair tot een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid; met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. [gedaagde] voert verweer en betwist de vorderingen. [gedaagde] stelt – samengevat – dat het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan gekoppelde boetebeding nietig zijn. [gedaagde] betwist daarnaast dat hij het nevenwerkzaamheden- en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Ook betwist [gedaagde] dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en dat ACF schade heeft geleden. in reconventie: de vorderingen van [gedaagde] : 3.3. [gedaagde] heeft een tegeneis ingesteld. [gedaagde] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – primair opheffing van de beslagen en subsidiair veroordeling van ACF om de gelegde beslagen op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met veroordeling van ACF in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.4. ACF voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenvorderingen en tot handhaving van de beslagen. 3.5. Voor de verdere onderbouwing van de vorderingen en de verweren van partijen over en weer wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling. 4 De beoordeling in conventie: de vordering van ACF: 4.1. In deze zaak gaat het er in de kern om of [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding – als dat in stand blijft – heeft geschonden en boetes heeft verbeurd. Daarnaast moet beoordeeld worden of [gedaagde] tegenover ACF aansprakelijk is voor door ACF geleden schade als gevolg van het schenden van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. De kantonrechter zal de afzonderlijke onderdelen van vordering en het gevoerde verweer hieronder puntsgewijs bespreken. Geen schending van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) 4.2. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft gehandeld omdat hij stelselmatig en herhaaldelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Volgens ACF moeten haar vorderingen om die reden volledig worden toegewezen. De kantonrechter gaat daar niet in mee en legt dat als volgt uit. 4.3. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zoals [gedaagde] terecht stelt, gaat het met dit artikel om het uitbannen van de bewuste leugen en het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Artikel 21 Rv laat onverlet dat het aan partijen zelf is om te bepalen welke feiten zij aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. ACF heeft diverse vermeende schendingen van de waarheidsplicht genoemd, maar het staat [gedaagde] vrij om een ander (juridisch) standpunt in te nemen of een andere lezing te hebben van hoe het volgens hem is gegaan. Dat levert als zodanig geen strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv op. Voor zover [gedaagde] in de zogenaamde 705 Rv procedure tot opheffing van de beslagen bij de Voorzieningenrechter heeft gesteld dat niet hij, maar [B] de e-mails heeft gestuurd, en [gedaagde] daarop nu in deze procedure terugkomt, levert dat niet zozeer schending van de waarheidsplicht in deze procedure op. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn eerdere standpunt niet loslaat omdat het onwaar is, maar omdat hij het niet kan bewijzen. Volgens [gedaagde] heeft [B] de digitale administratie / server van CFS gewist. Wat daar verder ook van zij, in deze procedure staat vast dat [gedaagde] de e-mails heeft gestuurd. Dat is in lijn met het standpunt van ACF. In zoverre gaat het op dit punt dan ook niet om een andere lezing van de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Van schending van artikel 21 Rv is daarom geen sprake. Het nevenwerkzaamhedenbeding is niet nietig 4.4. Aan haar vorderingen I en II heeft ACF ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Als zodanig is tussen partijen niet in geschil dat het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen en tot 1 februari 2024 door [gedaagde] moest worden nagekomen. Artikel 7:653a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, nietig is tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. ACF stelt dat de objectieve rechtvaardiging voor het beding ligt in het voorkomen van concurrerende activiteiten, het voorkomen van tegenstrijdig belang en het beding erop ziet dat [gedaagde] het bedrijfsdebiet van ACF niet afbreekt. 4.5. [gedaagde] beroept zich op de nietigheid van het beding. Volgens hem heeft ACF nagelaten om een objectieve reden te geven op het moment dat ACF een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding heeft gedaan. Volgens [gedaagde] heeft ACF voor het eerst een beroep op het beding gedaan in het verzoekschrift van 28 augustus 2024 tot het leggen van conservatoir beslag. ACF heeft de objectieve rechtvaardiging toen niet gegeven en ook niet in de dagvaarding. ACF is dus te laat en het beding is volgens [gedaagde] daarom nietig. 4.6. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van [gedaagde] . Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 7:653a BW blijkt dat de wetgever er van heeft afgezien dat in het nevenwerkzaamhedenbeding zelf al moet staan vermeld wat de objectieve reden is die maakt dat – volgens de werkgever – het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is. Niet blijkt daaruit dat de werkgever, direct wanneer hij zich op het nevenwerkzaamhedenbeding beroept, (alle) gronden dient aan te voeren die tot de conclusie leiden dat een objectieve reden aanwezig is. Tenslotte valt uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een nevenwerkzaamhedenbeding (op voorhand) geldig is, of nietig. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan en moet beoordeeld worden of het beding geldig is of niet. 4.7. De Voorzieningenrechter heeft reeds geoordeeld dat voor zover de nevenactiviteiten van [gedaagde] plaatsvonden buiten de tijdstippen waarop de arbeid gewoonlijk werd verricht –en dus in beginsel vallen onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW – de objectieve rechtvaardiging ligt in het voorkomen c.q. tegengaan van de aantasting van het bedrijfsdebiet. De kantonrechter is het daarmee eens. [gedaagde] heeft niets naar voren gebracht om van dat oordeel af te wijken. Voor zover [gedaagde] meent dat het beding in deze bodemprocedure opnieuw is ingeroepen, leidt dat niet tot een andere conclusie. De kantonrechter is van oordeel dat uit de gehele dagvaarding blijkt dat het nevenwerkzaamhedenbeding tot doel heeft het bedrijfsdebiet van ACF te beschermen, zo blijkt ook expliciet uit de vorderingen onder III en IV. Het doel waarmee een beroep is gedaan op het beding blijkt zowel uit het verzoekschrift als deze gehele bodemprocedure. 4.8. Het nevenwerkzaamhedenbeding is daarom niet nietig en dus van toepassing in de rechtsverhouding tussen ACF en [gedaagde] . Het boetebeding is niet nietig 4.9. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding gedurende het dienstverband tot en met 31 januari 2024 tenminste 24 keer heeft geschonden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan 24 keer de boete van € 5.000,- heeft verbeurd. [gedaagde] betwist dat en beroept zich op nietigheid van het aan het nevenwerkzaamhedenbeding verbonden boetebeding.
Volledig
[gedaagde] verwijst daarvoor naar artikel 7:650 lid 3 BW, waarin is opgenomen dat de overeenkomst waarbij een boete is bedongen nauwkeurig de bestemming van de boete moet vermelden. [gedaagde] stelt dat over de bestemming van de boete niets schriftelijk is overeengekomen en dat de boete niet onmiddellijk of middellijk mag strekken tot een persoonlijk voordeel van ACF zelf als werkgever. Hiervan kan worden afgeweken, maar dat moet schriftelijk worden vermeld en dat heeft ACF niet gedaan, aldus [gedaagde] . 4.10. Het beroep op nietigheid van het boetebeding van [gedaagde] slaagt niet. Als zodanig is juist dat het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding moet voldoen aan de eisen van artikel 7:650 BW. In het zesde lid is bepaald dat ten aanzien van werknemers die meer verdienen dan het minimumloon bij schriftelijke overeenkomst van artikel 7:650 lid 3, 4 en 5 BW mag worden afgeweken. Vaststaat dat [gedaagde] meer verdient c.q. verdiende dan het minimumloon. Het is vaste rechtspraak – ACF heeft ook naar die rechtspraak verwezen – dat het boetebeding dat is gesteld op overtreding van een verbod op nevenwerkzaamheden van een werknemer, zoals in dit geval, niet aan meer formaliteiten hoeft te voldoen dan dat het beding schriftelijk is overeengekomen met een werknemer met een hoger loon dan het minimumloon. Niet is vereist dat het boetebeding uitdrukkelijk vermeldt dat de boete toekomt aan de werkgever, nu het beding juist bedoeld is om, in afwijking van de regeling over de disciplinaire boete, wél betaling aan de werkgever mogelijk te maken en de wet specifiek daarvoor is aangepast, zo volgt ook uit de parlementaire geschiedenis (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam, 13 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3529). 4.11. Het boetebeding is daarom niet nietig en dus van toepassing, zodat [gedaagde] bij overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding een boete verbeurt. De (vermeende) overtredingen vallen onder het nevenwerkzaamhedenbeding 4.12. [gedaagde] bestrijdt verder dat het nevenwerkzaamhedenbeding van toepassing is op de vermeende overtredingen omdat deze overtredingen zijn begaan onder werktijd, en daarmee geen betrekking hebben op het verrichten van arbeid buiten de tijdstippen waarop arbeid moest worden verricht voor ACF als werkgever. Dit verweer slaagt ook niet. 4.13. De tekst van het nevenwerkzaamhedenbeding maakt geen onderscheid tussen het verrichten van (neven)werkzaamheden voor de werknemer zelf of een ander, onder of buiten werktijd. Voor een andere uitleg van artikel V van de arbeidsovereenkomst dan dat het [gedaagde] zonder toestemming – die hij niet had – ook tijdens de werktijd bij ACF niet was toegestaan voor zichzelf of een ander – in dit geval CFS – werkzaam te zijn, bestaan geen aanknopingspunten. In het bijzonder niet tegen de achtergrond dat de kern van een arbeidsovereenkomst is dat de werknemer tijdens werktijd werkzaam is voor de werkgever, zoals ook door ACF is gesteld. [gedaagde] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd dat hij een andere invulling van het nevenwerkzaamhedenbeding mocht verwachten of waarom hij erop mocht vertrouwen dat werken voor CFS tijdens zijn dienstverband bij ACF was toegestaan. Dat ACF zich wellicht nog op andere gronden kan beroepen of had kunnen beroepen als een concurrentie- en/of relatiebeding zou zijn overeengekomen, doet daaraan niets af. Voor zover [gedaagde] dat met zijn verweer heeft bedoeld, blijkt uit artikel 7:653a BW overigens niet dat een beding dat werken voor een ander tijdens werktijd verbiedt, nietig is. Dat volgt evenmin uit de Europese Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden. 4.14. [gedaagde] heeft in dit verband ook nog gesteld dat een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding en het vorderen van boetes naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het dienstverband is geëindigd en het belang van ACF niet meer hoeft te worden beschermd. Dit verweer slaagt ook niet. De kantonrechter begrijpt het zo dat [gedaagde] een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW. Op grond van dat wetsartikel is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij het toepassen van deze regel dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd wat maakt dat een beroep op het beding leidt tot een onaanvaardbare situatie. Zoals hiervoor al is overwogen, strekt het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan verbonden boetebeding ter bescherming van het bedrijfsdebiet en is het bedoeld om te voorkomen dat [gedaagde] tijdens zijn werktijd bij ACF (concurrerende) werkzaamheden verricht voor een ander. Het beding ziet weliswaar niet op overtredingen na 1 februari 2024, maar ACFs belang is niet verdwenen zodra het dienstverband is geëindigd. Dat de gestelde overtredingen pas na de beëindiging van het dienstverband aan het licht zijn gekomen, maakt dat niet anders. Zeker niet omdat [gedaagde] daarover niets tegen ACF heeft verteld. Het kan niet zo zijn dat [gedaagde] in feite wordt beloond voor het heimelijk werken voor CFS in de werktijd van ACF, althans voor het verhullen daarvan totdat het dienstverband is geëindigd. Het nevenwerkzaamhedenbeding is 18 keer geschonden 4.15. ACF stelt dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding ten minste 24 keer heeft overtreden. ACF heeft toegelicht dat zij daarbij heeft gekeken naar het aantal klanten dat [gedaagde] heeft benaderd (en niet naar het aantal communicatie-uitingen); dus maximaal één overtreding per benaderde klant. Voor ieder keer dat in strijd met het beding is gehandeld, vordert ACF een boete van € 5.000,-. Hieraan ten grondslag legt ACF e-mails van en naar [gedaagde] in de periode van 7 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 die zijn overgelegd als de producties 6 tot en met 34 bij de dagvaarding. ACF stelt zich hierbij op het standpunt dat alle e-mails die vanaf [gedaagde] ’ e-mailaccount bij CFS zijn verstuurd, werkzaamheden zijn die [gedaagde] voor CFS heeft verricht, omdat [gedaagde] iedere keer voor CFS bezig is geweest met salesactiviteiten en niet voor ACF. Al die werkzaamheden zijn volgens ACF gericht geweest op het (toekomstige) dienstverband met CFS. 4.16. [gedaagde] betwist dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden. Enerzijds stelt [gedaagde] dat een deel van de gestuurde e-mails (ten hoogste) voorbereidingshandelingen zijn geweest ten behoeve van zijn dienstverband bij CFS. Volgens [gedaagde] waren de e-mails alleen informatief bedoeld en wilde hij klanten en relaties informeren over zijn vertrek bij ACF. Interne communicatie over de bedrijfsvoering van CFS valt volgens hem ook onder dergelijke voorbereidingshandelingen. Anderzijds stelt [gedaagde] dat hij vóór 1 februari 2024 nooit daadwerkelijk een offerte voor CFS heeft uitgebracht. Telkens wanneer [gedaagde] een e-mail kreeg toegestuurd, leverde dat naar eigen zeggen niet zozeer werk op voor hem. Volgens [gedaagde] had dat een passief karakter, waardoor geen sprake is van ‘werkzaam zijn voor’ CFS. Ook het doorsturen van bedrijfsinformatie van ACF is volgens [gedaagde] geen arbeidsprestatie. 4.17. De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] in algemene zin en daarna per gestelde overtreding toelichten waarom er wel of geen sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.18. De kantonrechter is van oordeel dat het versturen van een louter informatieve en neutraal geformuleerde e-mail over het aanstaande vertrek van een werknemer op zichzelf niet voldoende is om schending van het overeengekomen nevenactiviteitenbeding aan te nemen. Echter, de zogenaamde standaard e-mail die [gedaagde] aan meerdere klanten van ACF heeft gestuurd, is niet louter informatief van aard. [gedaagde] schrijft daarin namelijk het volgende: “Goedenavond […], Hierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf. Zoals al gemeld start ik met [A] per 1 februari een nieuwe onderneming op in [plaats] voor het compleet maken van betonvloeren.
Volledig
[gedaagde] verwijst daarvoor naar artikel 7:650 lid 3 BW, waarin is opgenomen dat de overeenkomst waarbij een boete is bedongen nauwkeurig de bestemming van de boete moet vermelden. [gedaagde] stelt dat over de bestemming van de boete niets schriftelijk is overeengekomen en dat de boete niet onmiddellijk of middellijk mag strekken tot een persoonlijk voordeel van ACF zelf als werkgever. Hiervan kan worden afgeweken, maar dat moet schriftelijk worden vermeld en dat heeft ACF niet gedaan, aldus [gedaagde] . 4.10. Het beroep op nietigheid van het boetebeding van [gedaagde] slaagt niet. Als zodanig is juist dat het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding moet voldoen aan de eisen van artikel 7:650 BW. In het zesde lid is bepaald dat ten aanzien van werknemers die meer verdienen dan het minimumloon bij schriftelijke overeenkomst van artikel 7:650 lid 3, 4 en 5 BW mag worden afgeweken. Vaststaat dat [gedaagde] meer verdient c.q. verdiende dan het minimumloon. Het is vaste rechtspraak – ACF heeft ook naar die rechtspraak verwezen – dat het boetebeding dat is gesteld op overtreding van een verbod op nevenwerkzaamheden van een werknemer, zoals in dit geval, niet aan meer formaliteiten hoeft te voldoen dan dat het beding schriftelijk is overeengekomen met een werknemer met een hoger loon dan het minimumloon. Niet is vereist dat het boetebeding uitdrukkelijk vermeldt dat de boete toekomt aan de werkgever, nu het beding juist bedoeld is om, in afwijking van de regeling over de disciplinaire boete, wél betaling aan de werkgever mogelijk te maken en de wet specifiek daarvoor is aangepast, zo volgt ook uit de parlementaire geschiedenis (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam, 13 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3529). 4.11. Het boetebeding is daarom niet nietig en dus van toepassing, zodat [gedaagde] bij overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding een boete verbeurt. De (vermeende) overtredingen vallen onder het nevenwerkzaamhedenbeding 4.12. [gedaagde] bestrijdt verder dat het nevenwerkzaamhedenbeding van toepassing is op de vermeende overtredingen omdat deze overtredingen zijn begaan onder werktijd, en daarmee geen betrekking hebben op het verrichten van arbeid buiten de tijdstippen waarop arbeid moest worden verricht voor ACF als werkgever. Dit verweer slaagt ook niet. 4.13. De tekst van het nevenwerkzaamhedenbeding maakt geen onderscheid tussen het verrichten van (neven)werkzaamheden voor de werknemer zelf of een ander, onder of buiten werktijd. Voor een andere uitleg van artikel V van de arbeidsovereenkomst dan dat het [gedaagde] zonder toestemming – die hij niet had – ook tijdens de werktijd bij ACF niet was toegestaan voor zichzelf of een ander – in dit geval CFS – werkzaam te zijn, bestaan geen aanknopingspunten. In het bijzonder niet tegen de achtergrond dat de kern van een arbeidsovereenkomst is dat de werknemer tijdens werktijd werkzaam is voor de werkgever, zoals ook door ACF is gesteld. [gedaagde] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd dat hij een andere invulling van het nevenwerkzaamhedenbeding mocht verwachten of waarom hij erop mocht vertrouwen dat werken voor CFS tijdens zijn dienstverband bij ACF was toegestaan. Dat ACF zich wellicht nog op andere gronden kan beroepen of had kunnen beroepen als een concurrentie- en/of relatiebeding zou zijn overeengekomen, doet daaraan niets af. Voor zover [gedaagde] dat met zijn verweer heeft bedoeld, blijkt uit artikel 7:653a BW overigens niet dat een beding dat werken voor een ander tijdens werktijd verbiedt, nietig is. Dat volgt evenmin uit de Europese Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden. 4.14. [gedaagde] heeft in dit verband ook nog gesteld dat een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding en het vorderen van boetes naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het dienstverband is geëindigd en het belang van ACF niet meer hoeft te worden beschermd. Dit verweer slaagt ook niet. De kantonrechter begrijpt het zo dat [gedaagde] een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW. Op grond van dat wetsartikel is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij het toepassen van deze regel dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd wat maakt dat een beroep op het beding leidt tot een onaanvaardbare situatie. Zoals hiervoor al is overwogen, strekt het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan verbonden boetebeding ter bescherming van het bedrijfsdebiet en is het bedoeld om te voorkomen dat [gedaagde] tijdens zijn werktijd bij ACF (concurrerende) werkzaamheden verricht voor een ander. Het beding ziet weliswaar niet op overtredingen na 1 februari 2024, maar ACFs belang is niet verdwenen zodra het dienstverband is geëindigd. Dat de gestelde overtredingen pas na de beëindiging van het dienstverband aan het licht zijn gekomen, maakt dat niet anders. Zeker niet omdat [gedaagde] daarover niets tegen ACF heeft verteld. Het kan niet zo zijn dat [gedaagde] in feite wordt beloond voor het heimelijk werken voor CFS in de werktijd van ACF, althans voor het verhullen daarvan totdat het dienstverband is geëindigd. Het nevenwerkzaamhedenbeding is 18 keer geschonden 4.15. ACF stelt dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding ten minste 24 keer heeft overtreden. ACF heeft toegelicht dat zij daarbij heeft gekeken naar het aantal klanten dat [gedaagde] heeft benaderd (en niet naar het aantal communicatie-uitingen); dus maximaal één overtreding per benaderde klant. Voor ieder keer dat in strijd met het beding is gehandeld, vordert ACF een boete van € 5.000,-. Hieraan ten grondslag legt ACF e-mails van en naar [gedaagde] in de periode van 7 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 die zijn overgelegd als de producties 6 tot en met 34 bij de dagvaarding. ACF stelt zich hierbij op het standpunt dat alle e-mails die vanaf [gedaagde] ’ e-mailaccount bij CFS zijn verstuurd, werkzaamheden zijn die [gedaagde] voor CFS heeft verricht, omdat [gedaagde] iedere keer voor CFS bezig is geweest met salesactiviteiten en niet voor ACF. Al die werkzaamheden zijn volgens ACF gericht geweest op het (toekomstige) dienstverband met CFS. 4.16. [gedaagde] betwist dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden. Enerzijds stelt [gedaagde] dat een deel van de gestuurde e-mails (ten hoogste) voorbereidingshandelingen zijn geweest ten behoeve van zijn dienstverband bij CFS. Volgens [gedaagde] waren de e-mails alleen informatief bedoeld en wilde hij klanten en relaties informeren over zijn vertrek bij ACF. Interne communicatie over de bedrijfsvoering van CFS valt volgens hem ook onder dergelijke voorbereidingshandelingen. Anderzijds stelt [gedaagde] dat hij vóór 1 februari 2024 nooit daadwerkelijk een offerte voor CFS heeft uitgebracht. Telkens wanneer [gedaagde] een e-mail kreeg toegestuurd, leverde dat naar eigen zeggen niet zozeer werk op voor hem. Volgens [gedaagde] had dat een passief karakter, waardoor geen sprake is van ‘werkzaam zijn voor’ CFS. Ook het doorsturen van bedrijfsinformatie van ACF is volgens [gedaagde] geen arbeidsprestatie. 4.17. De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] in algemene zin en daarna per gestelde overtreding toelichten waarom er wel of geen sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.18. De kantonrechter is van oordeel dat het versturen van een louter informatieve en neutraal geformuleerde e-mail over het aanstaande vertrek van een werknemer op zichzelf niet voldoende is om schending van het overeengekomen nevenactiviteitenbeding aan te nemen. Echter, de zogenaamde standaard e-mail die [gedaagde] aan meerdere klanten van ACF heeft gestuurd, is niet louter informatief van aard. [gedaagde] schrijft daarin namelijk het volgende: “Goedenavond […], Hierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf. Zoals al gemeld start ik met [A] per 1 februari een nieuwe onderneming op in [plaats] voor het compleet maken van betonvloeren.
Volledig
Ook voor schuur, polijst en renovatie werken bent u aan het juiste adres. [A] behoort tot de top 3 bedrijven van België, met ruim 800.000 m2 vloeren per jaar. Ik zal zowel de calculatie, planning en uitvoering begeleiden (zolang dit mogelijk is) zo hebt u maar een aanspreekpunt. Kwaliteit staat bij mij voorop, en zal er alles aan doen om onze klanten tevreden te houden. Hoop dat we de samenwerking kunnen voortzetten, en zie graag de aanvragen tegemoet.” Het werk van [gedaagde] als Sales Manager bij ACF hield onder meer in opdrachten binnen te halen en klanten te binden. Dit zijn werkzaamheden die [gedaagde] ook nu voor CFS verricht. De tekst en de strekking van deze e-mails hebben een duidelijk wervend en aanprijzend karakter, zo blijkt ook ondubbelzinnig uit de laatste zin. Duidelijk komt naar voren dat [gedaagde] de klanten van ACF in dienst van CFS wilde blijven bedienen. Dit sluit ook aan op de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat hij hoopte de samenwerking voort te zetten. De desbetreffende standaard e-mails en andere e-mails met een vergelijkbare strekking zijn dan ook niet slechts aan te merken als een voorbereidende handeling. 4.19. Het verweer dat [gedaagde] naar eigen zeggen nooit daadwerkelijk een offerte heeft uitgebracht voor CFS in de periode tot 1 februari 2024 maakt – voor zover dat al zo is – niet dat hij niet werkzaam is geweest voor CFS. Zijn werkzaamheden bestonden en bestaan uit meer dan het opstellen van offertes. Het gaat erom in hoeverre de door hem verrichte handelingen zien op het dienstverband bij CFS, het bewerkstelligen van sales voor CFS en gericht zijn op acquisitie en klantenbinding voor CFS. 4.20. Het alleen passief ontvangen van e-mails zonder dat daar enige opvolging aan is gegeven, is naar oordeel van de kantonrechter geen vorm van werkzaam zijn voor CFS. 4.21. De kantonrechter zal nu de gestelde overtredingen afzonderlijk bespreken en zal daarbij de volgorde aanhouden zoals genoemd in de dagvaarding en de opvolgende processtukken van partijen. ACF heeft gesteld dat zij per benaderde klant één overtreding rekent en één keer de boete vordert. Op die manier heeft ACF de gevorderde boete naar eigen zeggen al gematigd. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling bij die manier van tellen aansluiten. 4.21.1. Overtreding 1 : de e-mail d.d. 7 januari 2024 van [gedaagde] aan [C] (productie 7 bij de dagvaarding). Het verwijt van ACF is dat [gedaagde] [C] benadert om over te stappen naar CFS. Volgens [gedaagde] is slechts sprake van het aankondigen van zijn overstap naar CFS, dat hoogstens als voorbereidende handeling kan worden beschouwd. Naar oordeel van de kantonrechter is sprake van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Het betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. De intentie van [gedaagde] blijkt bovendien duidelijk uit zijn reactie op de aangekondigde overstap van [C] van ACF naar CFS aan [A] en [B] : “Goedenavond heren, Dit is een goed begin” . 4.21.2. Overtreding 2 : de e-mail d.d. 10 januari 2024 van [gedaagde] aan [B] met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding). [gedaagde] schrijft daarin het volgende: “Hoi [B] , Kun je de calculatie bladen aanpassen, met logo en adresgegevens. Calculatie enkel, dubbel en 3 voud. Tevens ons crm toegevoegd, maar weet niet of je hier wat meekunt? Anders moeten we diegene die het gemaakt heeft uitnodigen, hij heeft dat zelf gemaakt.” Het verwijt is dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waaronder calculatiebladen en het CRM bestand (het klantenbestand) van ACF aan CFS doorstuurt. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet gespecificeerd om welke bedrijfsinformatie het gaat en is het versturen van bedrijfsinformatie aan een nieuwe werkgever geen vorm van het verrichten van arbeid voor anderen. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat onder de meegestuurde bijlagen zich calculatiebladen en het CRM bestand bevonden. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij deze bijlagen heeft doorgestuurd op verzoek van [B] . Daaruit blijkt dus dat [gedaagde] dat heeft gedaan in opdracht van en ten behoeve van CFS. Daarmee kwalificeert de handelswijze van [gedaagde] als het verrichten van arbeid voor CFS. 4.21.3. Overtreding 3 : de e-mails d.d. 12 januari 2024 van [B] aan [gedaagde] over diverse prospects en de reactie van [gedaagde] aan [B] (productie 10 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] intern met [B] correspondeert over de toegezonden prospects en de inhoud van de website van CFS. ACF stelt dat [gedaagde] zich onder werktijd volop en uitsluitend richt op het werven en bedienen van klanten ten behoeve van CFS. [gedaagde] betwist dat. Hij stelt dat nergens uit blijkt dat hij opvolging aan de prospects heeft gegeven en dat interne communicatie over de inhoud van de website slechts als voorbereidende handeling kan worden gezien. De kantonrechter gaat niet met dat verweer mee en is van oordeel dat sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. Ter zitting heeft ACF erop gewezen dat [gedaagde] op de e-mails van [B] reageert dat het beter zou verkopen als er aanpassingen aan de website van CFS worden gedaan. Daaruit volgt dus dat [gedaagde] op dat moment wel actief bezig is voor CFS en dat zijn handeling is gericht op sales van CFS. 4.21.4. Overtreding 4 : de e-mail d.d. 12 januari 2024 van [gedaagde] aan [D] (productie 11 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] onder werktijd e-mailt vanuit zijn CFS-mailadres. Volgens ACF betreft het een offerte die [gedaagde] in november 2023 heeft gemaakt voor ACF en dus aan ACF overdragen had dienen te worden. [gedaagde] betwist dat sprake is van een overtreding. In de e-mail staat dat [gedaagde] een scherpe aanbieding wil maken en dat hij vanaf 1 februari actief is. Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat hij in januari 2024 niet voor CFS voor deze klant heeft gewerkt. Hij verzocht [D] immers te wachten tot 1 februari. Aan ACF kan worden toegegeven dat [gedaagde] op het moment van het verzenden van deze e-mail niet aan het werk was voor ACF, maar dat betekent niet dat hij op dat moment ook werkzaamheden heeft verricht voor CFS voor deze klant, althans niet vóór 1 februari 2024. Niet gesteld of gebleken is dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad waarbij in januari 2024 nog werkzaamheden door [gedaagde] zijn verricht. Van werkzaam zijn voor CFS is daarom geen sprake, zodat geen sprake is van overtreding van het beding. Verwezen wordt verder naar rechtsoverweging 4.20. 4.21.5. Overtreding 5 : de e-mails d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Breda Bouw en van [gedaagde] aan [A] en [B] (productie 12 bij de dagvaarding). Het verwijt is [gedaagde] Breda Bouw e-mailt dat hij een offerte voor CFS kan uitbrengen en daarover met [A] en [B] correspondeert. [gedaagde] brengt daar tegen in dat niet blijkt dat daadwerkelijk een offerte is uitgebracht. Verder stelt [gedaagde] dat de correspondentie tussen hem en [A] en [B] betrekking heeft op een andere overtreding (overtreding 8). De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst omdat de desbetreffende actie van [gedaagde] tot doel heeft om sales voor CFS te verwezenlijken. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.19. [gedaagde] schrijft immers aan Breda Bouw: “Goedemorgen [E] , Hierbij onze gegevens. Stuur maar door, ik zorg voor een passende aanbieding.” Vervolgens reageert Breda Bouw: “Hoi [gedaagde] , Hierbij de tekening en off die je destijds via ac hebt uitgebracht. Let even goed op de verdiepte stroken tbv de goten die aangebracht moeten worden.” Duidelijk komt hieruit naar voren dat [gedaagde] op dat moment bezig is met een opdracht en sales voor CFS. Ten aanzien van de interne correspondentie kan in het midden blijven of sprake is van een overtreding omdat ACF daarvoor geen afzonderlijk overtreding heeft gerekend en ook geen boete heeft gevorderd. 4.21.6. Overtreding 6 : de e-mails d.d.
Volledig
Ook voor schuur, polijst en renovatie werken bent u aan het juiste adres. [A] behoort tot de top 3 bedrijven van België, met ruim 800.000 m2 vloeren per jaar. Ik zal zowel de calculatie, planning en uitvoering begeleiden (zolang dit mogelijk is) zo hebt u maar een aanspreekpunt. Kwaliteit staat bij mij voorop, en zal er alles aan doen om onze klanten tevreden te houden. Hoop dat we de samenwerking kunnen voortzetten, en zie graag de aanvragen tegemoet.” Het werk van [gedaagde] als Sales Manager bij ACF hield onder meer in opdrachten binnen te halen en klanten te binden. Dit zijn werkzaamheden die [gedaagde] ook nu voor CFS verricht. De tekst en de strekking van deze e-mails hebben een duidelijk wervend en aanprijzend karakter, zo blijkt ook ondubbelzinnig uit de laatste zin. Duidelijk komt naar voren dat [gedaagde] de klanten van ACF in dienst van CFS wilde blijven bedienen. Dit sluit ook aan op de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat hij hoopte de samenwerking voort te zetten. De desbetreffende standaard e-mails en andere e-mails met een vergelijkbare strekking zijn dan ook niet slechts aan te merken als een voorbereidende handeling. 4.19. Het verweer dat [gedaagde] naar eigen zeggen nooit daadwerkelijk een offerte heeft uitgebracht voor CFS in de periode tot 1 februari 2024 maakt – voor zover dat al zo is – niet dat hij niet werkzaam is geweest voor CFS. Zijn werkzaamheden bestonden en bestaan uit meer dan het opstellen van offertes. Het gaat erom in hoeverre de door hem verrichte handelingen zien op het dienstverband bij CFS, het bewerkstelligen van sales voor CFS en gericht zijn op acquisitie en klantenbinding voor CFS. 4.20. Het alleen passief ontvangen van e-mails zonder dat daar enige opvolging aan is gegeven, is naar oordeel van de kantonrechter geen vorm van werkzaam zijn voor CFS. 4.21. De kantonrechter zal nu de gestelde overtredingen afzonderlijk bespreken en zal daarbij de volgorde aanhouden zoals genoemd in de dagvaarding en de opvolgende processtukken van partijen. ACF heeft gesteld dat zij per benaderde klant één overtreding rekent en één keer de boete vordert. Op die manier heeft ACF de gevorderde boete naar eigen zeggen al gematigd. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling bij die manier van tellen aansluiten. 4.21.1. Overtreding 1 : de e-mail d.d. 7 januari 2024 van [gedaagde] aan [C] (productie 7 bij de dagvaarding). Het verwijt van ACF is dat [gedaagde] [C] benadert om over te stappen naar CFS. Volgens [gedaagde] is slechts sprake van het aankondigen van zijn overstap naar CFS, dat hoogstens als voorbereidende handeling kan worden beschouwd. Naar oordeel van de kantonrechter is sprake van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Het betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. De intentie van [gedaagde] blijkt bovendien duidelijk uit zijn reactie op de aangekondigde overstap van [C] van ACF naar CFS aan [A] en [B] : “Goedenavond heren, Dit is een goed begin” . 4.21.2. Overtreding 2 : de e-mail d.d. 10 januari 2024 van [gedaagde] aan [B] met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding). [gedaagde] schrijft daarin het volgende: “Hoi [B] , Kun je de calculatie bladen aanpassen, met logo en adresgegevens. Calculatie enkel, dubbel en 3 voud. Tevens ons crm toegevoegd, maar weet niet of je hier wat meekunt? Anders moeten we diegene die het gemaakt heeft uitnodigen, hij heeft dat zelf gemaakt.” Het verwijt is dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waaronder calculatiebladen en het CRM bestand (het klantenbestand) van ACF aan CFS doorstuurt. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet gespecificeerd om welke bedrijfsinformatie het gaat en is het versturen van bedrijfsinformatie aan een nieuwe werkgever geen vorm van het verrichten van arbeid voor anderen. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat onder de meegestuurde bijlagen zich calculatiebladen en het CRM bestand bevonden. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij deze bijlagen heeft doorgestuurd op verzoek van [B] . Daaruit blijkt dus dat [gedaagde] dat heeft gedaan in opdracht van en ten behoeve van CFS. Daarmee kwalificeert de handelswijze van [gedaagde] als het verrichten van arbeid voor CFS. 4.21.3. Overtreding 3 : de e-mails d.d. 12 januari 2024 van [B] aan [gedaagde] over diverse prospects en de reactie van [gedaagde] aan [B] (productie 10 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] intern met [B] correspondeert over de toegezonden prospects en de inhoud van de website van CFS. ACF stelt dat [gedaagde] zich onder werktijd volop en uitsluitend richt op het werven en bedienen van klanten ten behoeve van CFS. [gedaagde] betwist dat. Hij stelt dat nergens uit blijkt dat hij opvolging aan de prospects heeft gegeven en dat interne communicatie over de inhoud van de website slechts als voorbereidende handeling kan worden gezien. De kantonrechter gaat niet met dat verweer mee en is van oordeel dat sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. Ter zitting heeft ACF erop gewezen dat [gedaagde] op de e-mails van [B] reageert dat het beter zou verkopen als er aanpassingen aan de website van CFS worden gedaan. Daaruit volgt dus dat [gedaagde] op dat moment wel actief bezig is voor CFS en dat zijn handeling is gericht op sales van CFS. 4.21.4. Overtreding 4 : de e-mail d.d. 12 januari 2024 van [gedaagde] aan [D] (productie 11 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] onder werktijd e-mailt vanuit zijn CFS-mailadres. Volgens ACF betreft het een offerte die [gedaagde] in november 2023 heeft gemaakt voor ACF en dus aan ACF overdragen had dienen te worden. [gedaagde] betwist dat sprake is van een overtreding. In de e-mail staat dat [gedaagde] een scherpe aanbieding wil maken en dat hij vanaf 1 februari actief is. Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat hij in januari 2024 niet voor CFS voor deze klant heeft gewerkt. Hij verzocht [D] immers te wachten tot 1 februari. Aan ACF kan worden toegegeven dat [gedaagde] op het moment van het verzenden van deze e-mail niet aan het werk was voor ACF, maar dat betekent niet dat hij op dat moment ook werkzaamheden heeft verricht voor CFS voor deze klant, althans niet vóór 1 februari 2024. Niet gesteld of gebleken is dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad waarbij in januari 2024 nog werkzaamheden door [gedaagde] zijn verricht. Van werkzaam zijn voor CFS is daarom geen sprake, zodat geen sprake is van overtreding van het beding. Verwezen wordt verder naar rechtsoverweging 4.20. 4.21.5. Overtreding 5 : de e-mails d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Breda Bouw en van [gedaagde] aan [A] en [B] (productie 12 bij de dagvaarding). Het verwijt is [gedaagde] Breda Bouw e-mailt dat hij een offerte voor CFS kan uitbrengen en daarover met [A] en [B] correspondeert. [gedaagde] brengt daar tegen in dat niet blijkt dat daadwerkelijk een offerte is uitgebracht. Verder stelt [gedaagde] dat de correspondentie tussen hem en [A] en [B] betrekking heeft op een andere overtreding (overtreding 8). De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst omdat de desbetreffende actie van [gedaagde] tot doel heeft om sales voor CFS te verwezenlijken. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.19. [gedaagde] schrijft immers aan Breda Bouw: “Goedemorgen [E] , Hierbij onze gegevens. Stuur maar door, ik zorg voor een passende aanbieding.” Vervolgens reageert Breda Bouw: “Hoi [gedaagde] , Hierbij de tekening en off die je destijds via ac hebt uitgebracht. Let even goed op de verdiepte stroken tbv de goten die aangebracht moeten worden.” Duidelijk komt hieruit naar voren dat [gedaagde] op dat moment bezig is met een opdracht en sales voor CFS. Ten aanzien van de interne correspondentie kan in het midden blijven of sprake is van een overtreding omdat ACF daarvoor geen afzonderlijk overtreding heeft gerekend en ook geen boete heeft gevorderd. 4.21.6. Overtreding 6 : de e-mails d.d.
Volledig
18 januari 2024 van [gedaagde] aan [F] verbonden aan [C] en het doorsturen van opdrachtgegevens aan zichzelf (productie 14 en 15 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] een verzoek ontvangt om een offerte uit te brengen voor CFS, voor een klant waarvoor hij eerder voor ACF een offerte heeft uitgebracht. [gedaagde] heeft de destijds opgemaakte offerte van ACF aan zichzelf gestuurd. [gedaagde] betwist dat sprake is van een schending omdat ACF niet heeft aangetoond dat het daadwerkelijk om een offerte gaat. De gevorderde boete is niet toewijsbaar voor deze (gestelde) overtreding. Ter zitting is vast komen te staan dat [F] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1. 4.21.7. Overtreding 7 : de e-mail d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Rimebo (productie 16 bij de dagvaarding). Het betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.21.8. Overtreding 8 : de e-mail d.d. 16 januari 2024 van [gedaagde] (afkomstig van zijn privé-e-mailaccount) aan [G] en [C] (productie 27 bij de dagvaarding): Ter zitting is komen vast te staan dat [G] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [G] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1. 4.21.9. Overtreding 9 tot en met 17, 19, 20 en 21 : de e-mails van [gedaagde] aan diverse klanten van ACF d.d. 23 en 25 januari 2024 (productie 18 tot en met 26, 29, 30 en 31 van de dagvaarding). Dit betreft het standaard e-mailbericht met al dan niet een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Deze e-mails leveren schending op van artikel V van de arbeidsovereenkomst, in totaal 11 overtredingen. Overtreding 21 wordt hieronder afzonderlijk besproken. 4.21.10. Overtreding 18 : de e-mail d.d. 25 januari 2025 van [gedaagde] aan [F] (productie 28 bij de dagvaarding). Zoals hiervoor is overwogen is [F] verbonden aan [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverwegingen 4.21, 4.21.1 en 4.21.6. 4.21.11. Overtreding 21 : de e-mail d.d. 25 januari 2024 van [gedaagde] aan [H] (productie 28 bij de dagvaarding). Het betreft het standaard e-mailbericht met de volgende toevoeging: “Goedemorgen [H] , Zoals met [I] besproken heb ik de opdracht (Roermond) bij AC eruit gehaald, We zullen deze rechtstreeks voor u maken. Hierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf. […]” Anders dan [gedaagde] meent, blijkt hieruit duidelijk dat [gedaagde] al bezig was met het verwezenlijken van sales voor CFS ten koste van ACF. [gedaagde] schrijft immers dat hij de opdracht bij ACF ‘eruit’ zal halen en de opdracht door CFS zal worden uitgevoerd. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.21.12. Overtreding 22 : de e-mail d.d. 24 januari 2024 van [J] aan [gedaagde] (productie 32 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS. [gedaagde] heeft dat betwist en stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft ACF niet nader onderbouwd dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS, zodat niet is komen vast te staan dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad. Althans blijkt onvoldoende dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan. Alleen het ontvangen van een e-mail is onvoldoende voor overtreding van het beding. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.20. 4.21.13. Overtreding 23 : de e-mails d.d. 30 januari 2024 van [K] aan [gedaagde] (productie 33 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] onderling contact heeft gehad met [K] en zich onrechtmatig heeft uitgelaten over ACF. [gedaagde] stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Aan ACF kan worden toegegeven dat de e-mails impliceren dat onderling contact heeft plaatsgevonden, maar zonder verdere onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat dit contact op initiatief van [gedaagde] is geweest en wat er is besproken. Onvoldoende blijkt dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan, zodat geen sprake is van overtreding van het beding. 4.21.14. Overtreding 24 : de e-mail d.d. 23 januari 2024 van [gedaagde] aan Spranco Metaalbouw en de aanvraag voor een offerte (productie 34 bij de dagvaarding). Het betreft het standaard e-mailbericht, waarbij ook blijkt dat dit een offerte oplevert voor CFS. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.22. De conclusie is dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding 18 keer heeft overtreden, zodat ACF aanspraak maakt op 18 keer de boete van € 5.000,-, in totaal € 90.000,-. Geen matiging van de boete 4.23. [gedaagde] doet een beroep op matiging van gevorderde boete tot nihil. Aan dat beroep legt hij ten grondslag dat niet over de tekst van de arbeidsovereenkomst, specifiek het boetebeding, is onderhandeld, dat het beding aan hem is opgedrongen, dat het beding louter strekt tot bescherming van ACF en dat hij nooit is gesommeerd tot nakoming van het nevenwerkzaamhedenbeding. ACF heeft eerder CFS aangesproken, maar vond het kennelijk niet nodig om [gedaagde] aan te spreken. Dit levert volgens [gedaagde] rechtsverwerking of afstand van recht op. Verder stelt [gedaagde] dat hij volledige transparantie heeft betracht, dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade omdat de klanten niet van ACF, maar van zustervennootschap AC Floors B.V. waren – ACF lijdt geen schade – en dat sprake is van een eenheidsboete. ACF betwist dat gronden voor matiging aanwezig zijn. ACF stelt dat zij de boete al zelf heeft gematigd door slechts één keer de boete per klant te vorderen in plaats van op basis van het aantal acties dat [gedaagde] heeft ondernomen. De vordering zou dan vele malen hoger zijn uitgevallen, aldus ACF. 4.24. De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 BW mogelijk is als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit betekent dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie Hoge Raad, 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). De rechter moet dus terughoudend omgaan met de bevoegdheid om de boete te matigen. Bij de boordeling moet de rechter onder meer letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 4.25. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete gezien de omstandigheden van het geval niet leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter het volgende. ACF heeft gemotiveerd betwist dat partijen niet over de inhoud van de arbeidsovereenkomst hebben onderhandeld. ACF heeft in dit verband onweersproken gesteld dat [gedaagde] tijdens zijn sollicitatie bij ACF niet akkoord ging met het opnemen van een concurrentie- en relatiebeding en dat het nevenwerkzaamhedenbeding daarom bewust is opgenomen. Het beding is [gedaagde] dus niet als ‘dictaat’ opgedrongen, zoals hij stelt. De omstandigheden waarin ACF het beding heeft ingeroepen, geven geen aanleiding voor matiging. ACF heeft het beding ingeroepen omdat zij er achter is gekomen dat [gedaagde] het beding structureel heeft geschonden. Dat ACF [gedaagde] nooit tot nakoming heeft gesommeerd, doet daaraan niets af.
Volledig
18 januari 2024 van [gedaagde] aan [F] verbonden aan [C] en het doorsturen van opdrachtgegevens aan zichzelf (productie 14 en 15 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] een verzoek ontvangt om een offerte uit te brengen voor CFS, voor een klant waarvoor hij eerder voor ACF een offerte heeft uitgebracht. [gedaagde] heeft de destijds opgemaakte offerte van ACF aan zichzelf gestuurd. [gedaagde] betwist dat sprake is van een schending omdat ACF niet heeft aangetoond dat het daadwerkelijk om een offerte gaat. De gevorderde boete is niet toewijsbaar voor deze (gestelde) overtreding. Ter zitting is vast komen te staan dat [F] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1. 4.21.7. Overtreding 7 : de e-mail d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Rimebo (productie 16 bij de dagvaarding). Het betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.21.8. Overtreding 8 : de e-mail d.d. 16 januari 2024 van [gedaagde] (afkomstig van zijn privé-e-mailaccount) aan [G] en [C] (productie 27 bij de dagvaarding): Ter zitting is komen vast te staan dat [G] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [G] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1. 4.21.9. Overtreding 9 tot en met 17, 19, 20 en 21 : de e-mails van [gedaagde] aan diverse klanten van ACF d.d. 23 en 25 januari 2024 (productie 18 tot en met 26, 29, 30 en 31 van de dagvaarding). Dit betreft het standaard e-mailbericht met al dan niet een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Deze e-mails leveren schending op van artikel V van de arbeidsovereenkomst, in totaal 11 overtredingen. Overtreding 21 wordt hieronder afzonderlijk besproken. 4.21.10. Overtreding 18 : de e-mail d.d. 25 januari 2025 van [gedaagde] aan [F] (productie 28 bij de dagvaarding). Zoals hiervoor is overwogen is [F] verbonden aan [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverwegingen 4.21, 4.21.1 en 4.21.6. 4.21.11. Overtreding 21 : de e-mail d.d. 25 januari 2024 van [gedaagde] aan [H] (productie 28 bij de dagvaarding). Het betreft het standaard e-mailbericht met de volgende toevoeging: “Goedemorgen [H] , Zoals met [I] besproken heb ik de opdracht (Roermond) bij AC eruit gehaald, We zullen deze rechtstreeks voor u maken. Hierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf. […]” Anders dan [gedaagde] meent, blijkt hieruit duidelijk dat [gedaagde] al bezig was met het verwezenlijken van sales voor CFS ten koste van ACF. [gedaagde] schrijft immers dat hij de opdracht bij ACF ‘eruit’ zal halen en de opdracht door CFS zal worden uitgevoerd. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.21.12. Overtreding 22 : de e-mail d.d. 24 januari 2024 van [J] aan [gedaagde] (productie 32 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS. [gedaagde] heeft dat betwist en stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft ACF niet nader onderbouwd dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS, zodat niet is komen vast te staan dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad. Althans blijkt onvoldoende dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan. Alleen het ontvangen van een e-mail is onvoldoende voor overtreding van het beding. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.20. 4.21.13. Overtreding 23 : de e-mails d.d. 30 januari 2024 van [K] aan [gedaagde] (productie 33 bij de dagvaarding). Het verwijt is dat [gedaagde] onderling contact heeft gehad met [K] en zich onrechtmatig heeft uitgelaten over ACF. [gedaagde] stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Aan ACF kan worden toegegeven dat de e-mails impliceren dat onderling contact heeft plaatsgevonden, maar zonder verdere onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat dit contact op initiatief van [gedaagde] is geweest en wat er is besproken. Onvoldoende blijkt dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan, zodat geen sprake is van overtreding van het beding. 4.21.14. Overtreding 24 : de e-mail d.d. 23 januari 2024 van [gedaagde] aan Spranco Metaalbouw en de aanvraag voor een offerte (productie 34 bij de dagvaarding). Het betreft het standaard e-mailbericht, waarbij ook blijkt dat dit een offerte oplevert voor CFS. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. 4.22. De conclusie is dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding 18 keer heeft overtreden, zodat ACF aanspraak maakt op 18 keer de boete van € 5.000,-, in totaal € 90.000,-. Geen matiging van de boete 4.23. [gedaagde] doet een beroep op matiging van gevorderde boete tot nihil. Aan dat beroep legt hij ten grondslag dat niet over de tekst van de arbeidsovereenkomst, specifiek het boetebeding, is onderhandeld, dat het beding aan hem is opgedrongen, dat het beding louter strekt tot bescherming van ACF en dat hij nooit is gesommeerd tot nakoming van het nevenwerkzaamhedenbeding. ACF heeft eerder CFS aangesproken, maar vond het kennelijk niet nodig om [gedaagde] aan te spreken. Dit levert volgens [gedaagde] rechtsverwerking of afstand van recht op. Verder stelt [gedaagde] dat hij volledige transparantie heeft betracht, dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade omdat de klanten niet van ACF, maar van zustervennootschap AC Floors B.V. waren – ACF lijdt geen schade – en dat sprake is van een eenheidsboete. ACF betwist dat gronden voor matiging aanwezig zijn. ACF stelt dat zij de boete al zelf heeft gematigd door slechts één keer de boete per klant te vorderen in plaats van op basis van het aantal acties dat [gedaagde] heeft ondernomen. De vordering zou dan vele malen hoger zijn uitgevallen, aldus ACF. 4.24. De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 BW mogelijk is als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit betekent dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie Hoge Raad, 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). De rechter moet dus terughoudend omgaan met de bevoegdheid om de boete te matigen. Bij de boordeling moet de rechter onder meer letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 4.25. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete gezien de omstandigheden van het geval niet leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter het volgende. ACF heeft gemotiveerd betwist dat partijen niet over de inhoud van de arbeidsovereenkomst hebben onderhandeld. ACF heeft in dit verband onweersproken gesteld dat [gedaagde] tijdens zijn sollicitatie bij ACF niet akkoord ging met het opnemen van een concurrentie- en relatiebeding en dat het nevenwerkzaamhedenbeding daarom bewust is opgenomen. Het beding is [gedaagde] dus niet als ‘dictaat’ opgedrongen, zoals hij stelt. De omstandigheden waarin ACF het beding heeft ingeroepen, geven geen aanleiding voor matiging. ACF heeft het beding ingeroepen omdat zij er achter is gekomen dat [gedaagde] het beding structureel heeft geschonden. Dat ACF [gedaagde] nooit tot nakoming heeft gesommeerd, doet daaraan niets af.
Volledig
De aard van het beding en de overtredingen brengt mee dat het voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat werken voor de concurrent onder werktijd van ACF niet geoorloofd is. Dat ACF het beding pas enige tijd na het einde van het dienstverband heeft ingeroepen, komt voort uit de omstandigheid dat [gedaagde] juist niet transparant is geweest over zijn handelen. [gedaagde] heeft daarover toen zijn handelen uitkwam ook niet consistent verklaard. Van rechtsverwerking of afstand van recht is geen sprake. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ACF haar aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor [gedaagde] ’ positie onredelijk is verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Daarvoor heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld. Dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade kan de kantonrechter niet vaststellen. Zoals hieronder zal blijken, is het mogelijk dat ACF schade heeft geleden als gevolg van schending van het geheimhoudingsbeding en onrechtmatige concurrentie. Hoeveel die schade bedraagt, kan de kantonrechter niet vaststellen. Tegen de achtergrond dat de boete al door ACF zelf is gematigd, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor verdere matiging.. Tot slot maakt de aard van de schendingen van het beding ondanks dat sprake is van een eenheidsboete niet dat het verbeuren van boetes van € 5.000,- onaanvaardbaar is. De aard van de handelingen die schending hebben opgeleverd – werken voor een concurrent in de werktijd van de werkgever – is namelijk de meest ernstige schending van het beding. Het beroep op matiging van de boete wordt daarom afgewezen. Conclusie: [gedaagde] heeft het nevenwerkzaamhedenbeding overtreden en is 18 keer de boete verschuldigd 4.26. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden en dat hij 18 keer de boete is verschuldigd. De gevorderde verklaringen voor recht op dit punt zullen worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] € 90.000,- aan boetes heeft verbeurd. [gedaagde] zal worden veroordeeld dit bedrag aan ACF te betalen. De wettelijke rente over de boetes zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, gelet op de toelichting van ACF ter zitting over het moment van opeisbaarheid. [gedaagde] heeft ook het geheimhoudingsbeding overtreden 4.27. ACF heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] het geheimhoudingsbeding in ieder geval overtreden door het versturen van de e-mail d.d. 10 januari 2024 met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding) aan [B] . Welke gegevens [gedaagde] precies heeft doorgestuurd, kan op dit punt in het midden blijven. Vast is komen te staan dat [gedaagde] in ieder geval enkele calculatiebladen en het CRM bestand van ACF aan CFS heeft gestuurd, zo blijkt uit de toelichting van [gedaagde] ’ gemachtigde en ook uit zijn eigen verklaring ter zitting dat hij de informatie op verzoek van [B] heeft gestuurd en dat hij het CRM bestand niet kon openen en niets aan de calculatiebladen zou hebben gehad. Zowel de calculatiebladen als het CRM bestand bevat informatie van ACF en diens zakelijke relaties zoals bedoeld in het geheimhoudingsbeding (zie 2.2). Vast staat dat ACF geen toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] om deze informatie met derden (CFS) te delen. De verklaring voor recht op dit punt zal daarom worden gegeven. [gedaagde] heeft ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan; [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld en is tegenover ACF aansprakelijk 4.28. ACF stelt dat [gedaagde] in de periode na 1 februari 2024 haar onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. In dit verband vordert ACF een verklaring voor recht en een schadevergoeding van € 933.703,-. Hieraan legt ACF ten grondslag dat [gedaagde] stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van ACF heeft afgebroken met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Dit onderbouwt ACF met de stelling dat [gedaagde] op grote schaal vertrouwelijke bedrijfsinformatie, zoals bedrijfs- en klantgegevens, heeft doorgespeeld aan CFS met als doel deze klanten te benaderen. Ook zijn gegevens over prijsafspraken van ACF met leveranciers gebruikt om CFS een voordeel te geven bij onderhandelingen met diezelfde leveranciers. [gedaagde] heeft hiertoe tijdens zijn dienstverband al op grote schaal en planmatig voorbereidende handelingen getroffen door het CRM bestand en offertes naar zichzelf te e-mailen en direct daarna relaties van ACF te benaderen. [gedaagde] heeft tijdens zijn dienstverband met CFS offertes uitgebracht voor producten en diensten die ACF ook levert en heeft die na zijn vertrek direct opgevolgd en daarbij bewust lagere prijzen geoffreerd waarvan hij als salesmedewerker bij ACF weet had en kennis had van technische en klantgebonden vertrouwelijke informatie. Dit heeft volgens ACF geen ander doel gehad dan klanten bij haar weg te kapen naar CFS. 4.29. [gedaagde] betwist dat hij ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. Hij stelt dat hij geen enkel belang in of bij CFS heeft en dat niet hij, maar CFS concurrentie aangaat met ACF. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van het stelstelmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van ACF met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet onderbouwd dat hiervan sprake is. [gedaagde] betwist verder dat hij informatie van ACF heeft gebruikt voor offertes van CFS. CFS en de bedrijven van [A] beschikken over eigen calculatiemethoden, prijskennis en klantrelaties. ACF heeft volgens [gedaagde] geen duurzaam bedrijfsdebiet. De genoemde klanten zijn geen klanten van ACF, maar van zusteronderneming AC Floors B.V, en betreft dan ook het bedrijfsdebiet van AC Floors B.V. Daarnaast is sprake van extreem veel concurrentie in de markt. [gedaagde] stelt dat het in de betonvloerenbranche gebruikelijk is dat opdrachtgevers geen structurele, langdurige relatie hebben met één specifieke aanbieder, maar per project kiezen voor de partij die op dat moment het beste aanbod kan doen. 4.30. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan, daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ACF en daarom tegenover ACF aansprakelijk is. De kantonrechter legt dat als volgt uit. 4.31. Vaststaat dat [gedaagde] niet was gebonden aan een concurrentie- of relatiebeding. Dit betekent dat het [gedaagde] in beginsel vrij stond om zich na afloop van de arbeidsovereenkomst in vrije concurrentie met ACF te begeven, ook wanneer ACF daarvan nadeel zou ondervinden. In het arrest Boogaard/Vesta heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd om te kunnen beoordelen of in een specifiek geval sprake is van onrechtmatige concurrentie (zie Hoge Raad, 9 december 1955, NJ 1956/1957): Van onrechtmatige concurrentie is sprake bij: het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de (arbeids)overeenkomst heeft meehelpen opbouwen met de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg. Anders dan [gedaagde] kennelijk heeft gemeend, gaat het hierbij niet om limitatieve voorwaarden. Ook niet is vereist dat de werknemer zelf of zijn vennootschap direct concurreert met de voormalig werkgever. Als uitgangspunt geldt dat het profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent niet zonder meer onrechtmatig is, en dat daarvoor bijkomende omstandigheden zijn vereist. Veelal worden deze omstandigheden nader ingevuld aan de hand van de Boogaard/Vesta-criteria. In de rechtspraak en rechtsliteratuur is aanvaard dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat, ook wanneer de gedragingen niet voldoen aan de Boogaard/Vesta-criteria, zij toch onrechtmatig zijn.
Volledig
De aard van het beding en de overtredingen brengt mee dat het voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat werken voor de concurrent onder werktijd van ACF niet geoorloofd is. Dat ACF het beding pas enige tijd na het einde van het dienstverband heeft ingeroepen, komt voort uit de omstandigheid dat [gedaagde] juist niet transparant is geweest over zijn handelen. [gedaagde] heeft daarover toen zijn handelen uitkwam ook niet consistent verklaard. Van rechtsverwerking of afstand van recht is geen sprake. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ACF haar aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor [gedaagde] ’ positie onredelijk is verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Daarvoor heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld. Dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade kan de kantonrechter niet vaststellen. Zoals hieronder zal blijken, is het mogelijk dat ACF schade heeft geleden als gevolg van schending van het geheimhoudingsbeding en onrechtmatige concurrentie. Hoeveel die schade bedraagt, kan de kantonrechter niet vaststellen. Tegen de achtergrond dat de boete al door ACF zelf is gematigd, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor verdere matiging.. Tot slot maakt de aard van de schendingen van het beding ondanks dat sprake is van een eenheidsboete niet dat het verbeuren van boetes van € 5.000,- onaanvaardbaar is. De aard van de handelingen die schending hebben opgeleverd – werken voor een concurrent in de werktijd van de werkgever – is namelijk de meest ernstige schending van het beding. Het beroep op matiging van de boete wordt daarom afgewezen. Conclusie: [gedaagde] heeft het nevenwerkzaamhedenbeding overtreden en is 18 keer de boete verschuldigd 4.26. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden en dat hij 18 keer de boete is verschuldigd. De gevorderde verklaringen voor recht op dit punt zullen worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] € 90.000,- aan boetes heeft verbeurd. [gedaagde] zal worden veroordeeld dit bedrag aan ACF te betalen. De wettelijke rente over de boetes zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, gelet op de toelichting van ACF ter zitting over het moment van opeisbaarheid. [gedaagde] heeft ook het geheimhoudingsbeding overtreden 4.27. ACF heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] het geheimhoudingsbeding in ieder geval overtreden door het versturen van de e-mail d.d. 10 januari 2024 met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding) aan [B] . Welke gegevens [gedaagde] precies heeft doorgestuurd, kan op dit punt in het midden blijven. Vast is komen te staan dat [gedaagde] in ieder geval enkele calculatiebladen en het CRM bestand van ACF aan CFS heeft gestuurd, zo blijkt uit de toelichting van [gedaagde] ’ gemachtigde en ook uit zijn eigen verklaring ter zitting dat hij de informatie op verzoek van [B] heeft gestuurd en dat hij het CRM bestand niet kon openen en niets aan de calculatiebladen zou hebben gehad. Zowel de calculatiebladen als het CRM bestand bevat informatie van ACF en diens zakelijke relaties zoals bedoeld in het geheimhoudingsbeding (zie 2.2). Vast staat dat ACF geen toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] om deze informatie met derden (CFS) te delen. De verklaring voor recht op dit punt zal daarom worden gegeven. [gedaagde] heeft ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan; [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld en is tegenover ACF aansprakelijk 4.28. ACF stelt dat [gedaagde] in de periode na 1 februari 2024 haar onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. In dit verband vordert ACF een verklaring voor recht en een schadevergoeding van € 933.703,-. Hieraan legt ACF ten grondslag dat [gedaagde] stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van ACF heeft afgebroken met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Dit onderbouwt ACF met de stelling dat [gedaagde] op grote schaal vertrouwelijke bedrijfsinformatie, zoals bedrijfs- en klantgegevens, heeft doorgespeeld aan CFS met als doel deze klanten te benaderen. Ook zijn gegevens over prijsafspraken van ACF met leveranciers gebruikt om CFS een voordeel te geven bij onderhandelingen met diezelfde leveranciers. [gedaagde] heeft hiertoe tijdens zijn dienstverband al op grote schaal en planmatig voorbereidende handelingen getroffen door het CRM bestand en offertes naar zichzelf te e-mailen en direct daarna relaties van ACF te benaderen. [gedaagde] heeft tijdens zijn dienstverband met CFS offertes uitgebracht voor producten en diensten die ACF ook levert en heeft die na zijn vertrek direct opgevolgd en daarbij bewust lagere prijzen geoffreerd waarvan hij als salesmedewerker bij ACF weet had en kennis had van technische en klantgebonden vertrouwelijke informatie. Dit heeft volgens ACF geen ander doel gehad dan klanten bij haar weg te kapen naar CFS. 4.29. [gedaagde] betwist dat hij ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. Hij stelt dat hij geen enkel belang in of bij CFS heeft en dat niet hij, maar CFS concurrentie aangaat met ACF. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van het stelstelmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van ACF met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet onderbouwd dat hiervan sprake is. [gedaagde] betwist verder dat hij informatie van ACF heeft gebruikt voor offertes van CFS. CFS en de bedrijven van [A] beschikken over eigen calculatiemethoden, prijskennis en klantrelaties. ACF heeft volgens [gedaagde] geen duurzaam bedrijfsdebiet. De genoemde klanten zijn geen klanten van ACF, maar van zusteronderneming AC Floors B.V, en betreft dan ook het bedrijfsdebiet van AC Floors B.V. Daarnaast is sprake van extreem veel concurrentie in de markt. [gedaagde] stelt dat het in de betonvloerenbranche gebruikelijk is dat opdrachtgevers geen structurele, langdurige relatie hebben met één specifieke aanbieder, maar per project kiezen voor de partij die op dat moment het beste aanbod kan doen. 4.30. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan, daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ACF en daarom tegenover ACF aansprakelijk is. De kantonrechter legt dat als volgt uit. 4.31. Vaststaat dat [gedaagde] niet was gebonden aan een concurrentie- of relatiebeding. Dit betekent dat het [gedaagde] in beginsel vrij stond om zich na afloop van de arbeidsovereenkomst in vrije concurrentie met ACF te begeven, ook wanneer ACF daarvan nadeel zou ondervinden. In het arrest Boogaard/Vesta heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd om te kunnen beoordelen of in een specifiek geval sprake is van onrechtmatige concurrentie (zie Hoge Raad, 9 december 1955, NJ 1956/1957): Van onrechtmatige concurrentie is sprake bij: het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de (arbeids)overeenkomst heeft meehelpen opbouwen met de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg. Anders dan [gedaagde] kennelijk heeft gemeend, gaat het hierbij niet om limitatieve voorwaarden. Ook niet is vereist dat de werknemer zelf of zijn vennootschap direct concurreert met de voormalig werkgever. Als uitgangspunt geldt dat het profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent niet zonder meer onrechtmatig is, en dat daarvoor bijkomende omstandigheden zijn vereist. Veelal worden deze omstandigheden nader ingevuld aan de hand van de Boogaard/Vesta-criteria. In de rechtspraak en rechtsliteratuur is aanvaard dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat, ook wanneer de gedragingen niet voldoen aan de Boogaard/Vesta-criteria, zij toch onrechtmatig zijn.
Volledig
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als sprake is van het beconcurreren van de voormalige werkgever tijdens het dienstverband. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de recente conclusies van De Bock en Lindenbergh. In die conclusies wordt tot uitgangspunt genomen dat uit het arrest Boogaard/Vesta slechts kan worden afgeleid dat ook zonder concurrentiebeding sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen jegens een voormalig werkgever wegens strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW, en dat daarvoor niet is vereist dat de desbetreffende handelingen ook onrechtmatig zijn als wordt geabstraheerd van de vroegere arbeidsovereenkomst. Wanneer de hier bedoelde strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid zich voordoet valt volgens De Bock en Lindenbergh niet af te leiden uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Een en ander hangt af van alle omstandigheden van het geval. 4.32. De kantonrechter is van oordeel dat er in deze zaak bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld. Dit wordt als volgt toegelicht. 4.33. Het gaat om een grove schending van het geheimhoudingsbeding met post-contractuele werking. [gedaagde] heeft bewust voor het drijven van concurrentie relevante en vertrouwelijke bedrijfsinformatie van ACF aan CFS toezonden, bestaande uit het volledige klantenbestand (CRM bestand) en calculatiebladen. Dit is het bedrijfsdebiet van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat hij het CRM bestand niet kon openen, wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft over het versturen van de desbetreffende e-mail aanvankelijk niet (volledig) naar waarheid verklaard. Zijn verklaringen op dit punt zijn ook niet consistent. Ter zitting is pas gebleken dat hij het CRM bestand en de calculatiebladen op uitdrukkelijk verzoek van [B] heeft doorgestuurd. Daarin ligt besloten dat de gegevens waardevol voor CFS zijn geweest, althans relevant werden geacht. In de correspondentie tussen ACF en [B] zijn de bedrijfsgegevens van ACF ook als “zeer bedrijfsgevoelige en privacygevoelige informatie” omschreven. Ook heeft [gedaagde] verklaard dat hij dit een raar verzoek vond en dat hij [B] vanaf begin af aan niet vertrouwde. [gedaagde] verklaarde: “Het voelde niet goed, maar ik heb het wel gedaan” Desgevraagd heeft [gedaagde] geen verklaring willen geven waarom hij de informatie dan toch heeft doorgestuurd. ACF heeft gesteld dat de calculatiebladen de unieke werkwijze van ACF weergeven en dat de bladen worden gebruikt om opdrachten te berekenen en offertes te maken. Het verweer van [gedaagde] dat de bladen niet uniek zijn, heeft ACF gemotiveerd weerlegd met de toelichting ter zitting dat de bladen zijn ontworpen door de heer [L] (hierna: [L] ) die destijds samen met mevrouw [M] (hierna [M] ) heeft samengewerkt bij een betonbedrijf, dat [M] daarna ACF is gestart en [L] andere ondernemingen is gestart en dat de calculatiebladen alleen door ACF en de ondernemingen van [L] worden gebruikt. Het verweer dat [gedaagde] bij CFS gebruik maakt van de calculatiebladen van [A] , maakt niet dat de calculatiebladen van ACF niet waardevol zijn. [gedaagde] weet hoe deze calculatiebladen door ACF worden gebruikt. Dit geeft kennis en inzage in hoe een offerte van ACF er in een specifiek geval uit zou zien en daarmee kennis die voor CFS relevant is. Dat geeft een voorsprong bij het concurreren. 4.34. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails dat [gedaagde] voor CFS veelvuldig klanten van ACF heeft benaderd en offertes heeft uitgebracht. In het bijzonder verwijst de kantonrechter naar productie 37 bij de dagvaarding waaruit blijkt dat [gedaagde] op 1 februari 2024 een offerte stuurt aan Breda Bouw nadat hij eerder een tekening en offerte voor ACF heeft uitgebracht. Daarnaast wordt verwezen naar de andere klanten waarbij [gedaagde] tot 1 februari 2024 heeft gewacht, zoals [D] (productie 11 bij de dagvaarding) en Spranco Metaalbouw (productie 34 bij de dagvaarding) en de klanten waarvan [gedaagde] offertes van ACF naar zichzelf heeft gemaild zoals [N] (productie 41 bij de dagvaarding) en VDR Bouwgroep (productie 42 bij de dagvaarding). Uit de vele e-mails blijkt weliswaar dat er meer klanten zijn benaderd, maar kan niet worden vastgesteld wat voor gevolgen dat heeft gehad, in die zin dat een directe opdracht aan ACF naar CFS is gegaan, terwijl ACF de opdracht anders zou hebben uitgevoerd. Wel blijkt uit het tussentijdse rapport van [O] (productie 75 van ACF) dat na 1 februari 2024 een substantiële daling in de omzet heeft plaatsgevonden. ACF heeft ter zitting toegelicht dat de onderzochte klanten terugkerende klanten, ofwel rechtstreeks ofwel via een derde. [gedaagde] heeft dat niet bestreden. Verder heeft ACF onbestreden aangevoerd dat de klanten waarvan [gedaagde] een verklaring heeft overlegd voorheen klanten waren van ACF en nu niet meer. Uit die verklaringen blijkt dat die klanten nu klant zijn van CFS. 4.35. De slotsom is dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld door met gebruikmaking van het CRM bestand, de calculatiebladen en informatie over prijsafspraken met leveranciers vaste klanten van ACF over te halen om klant te worden van CFS, waarbij meeweegt dat [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding tijdens zijn dienstverband bij ACF heeft verstrekt aan CFS om daar vanaf de start van zijn dienstverband bij CFS gebruik van te kunnen maken en ACF op een oneerlijke en onrechtmatige manier te beconcurreren Dit onrechtmatige gedrag kan als zodanig ook aan [gedaagde] worden toegerekend. De gevraagde verklaring voor recht zal daarom als zodanig worden toegewezen. Geen samenloop van boete en schade 4.36. [gedaagde] heeft aangevoerd dat ACF voor dezelfde onderliggende feiten niet zowel nakoming van het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding kan vorderen als schadevergoeding op grond van schending van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. ACF meen dat dit wel kan. 4.37. In artikel 7:651 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever ter zake van eenzelfde feit niet een boete mag heffen en tevens schadevergoeding vorderen. ACF heeft de gevorderde boetes gebaseerd op overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst gedurende het dienstverband, terwijl de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de schending van het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst in combinatie met onrechtmatig handelen in de periode ná het einde van het dienstverband. In dat geval is geen sprake dat voor hetzelfde feit zowel een boete als schadevergoeding wordt gevorderd (zie ook Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2531). Het verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen. Verwijzing naar de schadestaatprocedure 4.38. Primair heeft ACF vergoeding van de volledige geleden schade gevorderd, die zij op € 933.703,- stelt. ACF heeft de hoogte van de schade onderbouwd met het tussentijdse rapport van [O] . Volgens ACF is de kans op het bestaan van een causaal verband zeer groot en is daarom volledige toerekening op zijn plaats. Subsidiair heeft ACF een beroep gedaan op kansschade en proportionele aansprakelijkheid. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat ACF schade heeft geleden en dat sprake is van een causaal verband. Ook de inhoud van het rapport heeft zij bestreden. Het rapport kan niet dienen ter onderbouwing van de schade van ACF omdat daarin de schade van AC Floors B.V. is begroot. 4.39. De kantonrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat ACF schade heeft geleden als gevolg van de schending van het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] en door zijn onrechtmatig handelen tegenover ACF. Begroting van de schade is echter op dit moment niet mogelijk. Dit wordt als volgt uitgelegd. 4.40. Het tussentijdse rapport van [O] vormt een onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade van € 933.703,-. Het in het rapport genoemde schadebedrag heeft betrekking op door AC Floors B.V. geleden schade, zijnde € 257.437,- door het overdragen van concrete opdrachten van en offerte-aanvragen bij AC Floors B.V.
Volledig
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als sprake is van het beconcurreren van de voormalige werkgever tijdens het dienstverband. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de recente conclusies van De Bock en Lindenbergh. In die conclusies wordt tot uitgangspunt genomen dat uit het arrest Boogaard/Vesta slechts kan worden afgeleid dat ook zonder concurrentiebeding sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen jegens een voormalig werkgever wegens strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW, en dat daarvoor niet is vereist dat de desbetreffende handelingen ook onrechtmatig zijn als wordt geabstraheerd van de vroegere arbeidsovereenkomst. Wanneer de hier bedoelde strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid zich voordoet valt volgens De Bock en Lindenbergh niet af te leiden uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Een en ander hangt af van alle omstandigheden van het geval. 4.32. De kantonrechter is van oordeel dat er in deze zaak bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld. Dit wordt als volgt toegelicht. 4.33. Het gaat om een grove schending van het geheimhoudingsbeding met post-contractuele werking. [gedaagde] heeft bewust voor het drijven van concurrentie relevante en vertrouwelijke bedrijfsinformatie van ACF aan CFS toezonden, bestaande uit het volledige klantenbestand (CRM bestand) en calculatiebladen. Dit is het bedrijfsdebiet van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat hij het CRM bestand niet kon openen, wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft over het versturen van de desbetreffende e-mail aanvankelijk niet (volledig) naar waarheid verklaard. Zijn verklaringen op dit punt zijn ook niet consistent. Ter zitting is pas gebleken dat hij het CRM bestand en de calculatiebladen op uitdrukkelijk verzoek van [B] heeft doorgestuurd. Daarin ligt besloten dat de gegevens waardevol voor CFS zijn geweest, althans relevant werden geacht. In de correspondentie tussen ACF en [B] zijn de bedrijfsgegevens van ACF ook als “zeer bedrijfsgevoelige en privacygevoelige informatie” omschreven. Ook heeft [gedaagde] verklaard dat hij dit een raar verzoek vond en dat hij [B] vanaf begin af aan niet vertrouwde. [gedaagde] verklaarde: “Het voelde niet goed, maar ik heb het wel gedaan” Desgevraagd heeft [gedaagde] geen verklaring willen geven waarom hij de informatie dan toch heeft doorgestuurd. ACF heeft gesteld dat de calculatiebladen de unieke werkwijze van ACF weergeven en dat de bladen worden gebruikt om opdrachten te berekenen en offertes te maken. Het verweer van [gedaagde] dat de bladen niet uniek zijn, heeft ACF gemotiveerd weerlegd met de toelichting ter zitting dat de bladen zijn ontworpen door de heer [L] (hierna: [L] ) die destijds samen met mevrouw [M] (hierna [M] ) heeft samengewerkt bij een betonbedrijf, dat [M] daarna ACF is gestart en [L] andere ondernemingen is gestart en dat de calculatiebladen alleen door ACF en de ondernemingen van [L] worden gebruikt. Het verweer dat [gedaagde] bij CFS gebruik maakt van de calculatiebladen van [A] , maakt niet dat de calculatiebladen van ACF niet waardevol zijn. [gedaagde] weet hoe deze calculatiebladen door ACF worden gebruikt. Dit geeft kennis en inzage in hoe een offerte van ACF er in een specifiek geval uit zou zien en daarmee kennis die voor CFS relevant is. Dat geeft een voorsprong bij het concurreren. 4.34. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails dat [gedaagde] voor CFS veelvuldig klanten van ACF heeft benaderd en offertes heeft uitgebracht. In het bijzonder verwijst de kantonrechter naar productie 37 bij de dagvaarding waaruit blijkt dat [gedaagde] op 1 februari 2024 een offerte stuurt aan Breda Bouw nadat hij eerder een tekening en offerte voor ACF heeft uitgebracht. Daarnaast wordt verwezen naar de andere klanten waarbij [gedaagde] tot 1 februari 2024 heeft gewacht, zoals [D] (productie 11 bij de dagvaarding) en Spranco Metaalbouw (productie 34 bij de dagvaarding) en de klanten waarvan [gedaagde] offertes van ACF naar zichzelf heeft gemaild zoals [N] (productie 41 bij de dagvaarding) en VDR Bouwgroep (productie 42 bij de dagvaarding). Uit de vele e-mails blijkt weliswaar dat er meer klanten zijn benaderd, maar kan niet worden vastgesteld wat voor gevolgen dat heeft gehad, in die zin dat een directe opdracht aan ACF naar CFS is gegaan, terwijl ACF de opdracht anders zou hebben uitgevoerd. Wel blijkt uit het tussentijdse rapport van [O] (productie 75 van ACF) dat na 1 februari 2024 een substantiële daling in de omzet heeft plaatsgevonden. ACF heeft ter zitting toegelicht dat de onderzochte klanten terugkerende klanten, ofwel rechtstreeks ofwel via een derde. [gedaagde] heeft dat niet bestreden. Verder heeft ACF onbestreden aangevoerd dat de klanten waarvan [gedaagde] een verklaring heeft overlegd voorheen klanten waren van ACF en nu niet meer. Uit die verklaringen blijkt dat die klanten nu klant zijn van CFS. 4.35. De slotsom is dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld door met gebruikmaking van het CRM bestand, de calculatiebladen en informatie over prijsafspraken met leveranciers vaste klanten van ACF over te halen om klant te worden van CFS, waarbij meeweegt dat [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding tijdens zijn dienstverband bij ACF heeft verstrekt aan CFS om daar vanaf de start van zijn dienstverband bij CFS gebruik van te kunnen maken en ACF op een oneerlijke en onrechtmatige manier te beconcurreren Dit onrechtmatige gedrag kan als zodanig ook aan [gedaagde] worden toegerekend. De gevraagde verklaring voor recht zal daarom als zodanig worden toegewezen. Geen samenloop van boete en schade 4.36. [gedaagde] heeft aangevoerd dat ACF voor dezelfde onderliggende feiten niet zowel nakoming van het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding kan vorderen als schadevergoeding op grond van schending van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. ACF meen dat dit wel kan. 4.37. In artikel 7:651 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever ter zake van eenzelfde feit niet een boete mag heffen en tevens schadevergoeding vorderen. ACF heeft de gevorderde boetes gebaseerd op overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst gedurende het dienstverband, terwijl de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de schending van het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst in combinatie met onrechtmatig handelen in de periode ná het einde van het dienstverband. In dat geval is geen sprake dat voor hetzelfde feit zowel een boete als schadevergoeding wordt gevorderd (zie ook Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2531). Het verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen. Verwijzing naar de schadestaatprocedure 4.38. Primair heeft ACF vergoeding van de volledige geleden schade gevorderd, die zij op € 933.703,- stelt. ACF heeft de hoogte van de schade onderbouwd met het tussentijdse rapport van [O] . Volgens ACF is de kans op het bestaan van een causaal verband zeer groot en is daarom volledige toerekening op zijn plaats. Subsidiair heeft ACF een beroep gedaan op kansschade en proportionele aansprakelijkheid. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat ACF schade heeft geleden en dat sprake is van een causaal verband. Ook de inhoud van het rapport heeft zij bestreden. Het rapport kan niet dienen ter onderbouwing van de schade van ACF omdat daarin de schade van AC Floors B.V. is begroot. 4.39. De kantonrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat ACF schade heeft geleden als gevolg van de schending van het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] en door zijn onrechtmatig handelen tegenover ACF. Begroting van de schade is echter op dit moment niet mogelijk. Dit wordt als volgt uitgelegd. 4.40. Het tussentijdse rapport van [O] vormt een onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade van € 933.703,-. Het in het rapport genoemde schadebedrag heeft betrekking op door AC Floors B.V. geleden schade, zijnde € 257.437,- door het overdragen van concrete opdrachten van en offerte-aanvragen bij AC Floors B.V.
Volledig
door [gedaagde] aan CFS en € 659.608,- vanwege het wegblijven van klanten in 2024 bij AC Floors B.V. door toedoen van [gedaagde] . Van de in het rapport genoemde schadebedragen is onduidelijk of deze betrekking hebben op schade geleden door ACF of alleen door AC Floors B.V. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF voor het eerst in deze procedure toegelicht hoe ACF en AC Floors B.V. zich tot elkaar verhouden. ACF heeft in dit verband gesteld dat AC Floors B.V. vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2024 als zogeheten Servicevennootschap functioneerde en dat dit inhoudt dat de vennootschap enkel factureert binnen een groep en geen andere zelfstandige activiteit exploiteert. Tussen ACF en AC Floors B.V. bestaat volgens ACF een overeenkomst van lastgeving en voor zover er dus al enig relevant onderscheid is, treedt AC Floors B.V. als lasthebber op in naam van ACF als lastgever. De omzet en marge komt aan ACF toe, aldus ACF. [gedaagde] heeft deze toelichting bij gebrek aan wetenschap betwist. ACF heeft haar stellingen niet nader met stukken onderbouwd, zoals door het in het geding brengen van een schriftelijke overeenkomst tot lastgeving. Onduidelijk blijft wanneer door ACF en wanneer door AC Floors B.V. werd gefactureerd en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Het rapport geeft daar namelijk geen informatie over. Voor het begroten van de schade is noodzakelijk dat inzichtelijk wordt gemaakt welke schade door ACF is geleden omdat het haar bedrijfsdebiet is dat [gedaagde] heeft aangetast. Dat blijkt echter niet uit het rapport van [O] . Wel is aannemelijk dat ACF schade heeft gelegen als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] omdat aannemelijk is dat ACF (terugkerende) klanten is verloren. Dat blijkt ook uit de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat de door hem benaderde klanten voorheen klanten van ACF waren, die hij tijdens zijn dienstverband met ACF voor ACF bediende. 4.41. [gedaagde] betwist het bestaan van een causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de schade omdat uit de door hem overgelegde verklaringen blijkt dat die klanten zijn overgestapt om andere redenen, zoals incidenten bij ACF en/of AC Floors B.V., lange wachttijden op offertes, de goede ervaringen met [gedaagde] als persoon en de prijsstelling. Ook stelt [gedaagde] dat het een vrije markt is met veel concurrentie en veel bewegende – ‘shoppende’ – klanten. De kantonrechter ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten die op dit moment de conclusie rechtvaardigen dat er geen causaal verband bestaat. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft ACF onweersproken aangevoerd dat zij onderzoek heeft laten doen naar de klanten die sinds 2021 terugkerende klanten waren. De verklaringen die [gedaagde] heeft ingebracht zijn gekleurd omdat het juist de klanten zijn die vanaf februari 2024 – na daartoe te zijn benaderd door [gedaagde] – naar CFS zijn overgestapt. Daarvoor waren zij terugkerende klanten van ACF, zo heeft [gedaagde] zelf verklaard. 4.42. Op dit moment bestaan er nog te veel onduidelijkheden om de omvang van de schade te kunnen begroten. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. (Zie Hoge Raad, 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246) Aan deze voorwaarden is voldaan. In de schadestaatprocedure zal de omvang van de schade indachtig het causaliteitsverweer – andere oorzaken waarom klanten zijn overgestapt – het verlies van een kans en de grootheid van een kans verder moeten worden uitgezocht. De kantonrechter zal daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure, zoals overigens ook uiterst subsidiair door ACF is gevorderd. De kantonrechter geeft partijen in overweging mee dat het naast het starten van een schadestaatprocedure ook mogelijk is om gezamenlijk een deskundige in te schakelen die de omvang van de schade met in achtneming van de hiervoor genoemde aandachtspunten onderzoekt. De overige vorderingen van ACF 4.43. Onder III van het petitum heeft ACF – samengevat – gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het onthouden van het gebruik maken van overeenkomsten, andere administratieve bescheiden, calculatiebladen en offertes van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat de vordering te onbepaald is en daarvoor geen grondslag aanwezig is, wordt verworpen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF nader gespecifieerd dat met haar vordering bedoeld wordt de calculatiebladen en het CRM bestand dat [gedaagde] aan CFS heeft verstrekt. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst met CFS gedeeld. Daarmee is de grondslag voor de vordering gegeven. De vordering zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Weliswaar heeft [gedaagde] toegezegd dat hij de informatie niet zal gebruiken, maar vaststaat dat [gedaagde] al eerder gebruik heeft gemaakt van aan zichzelf c.q. CFS toegestuurde gegevens, zodat een dwangsom een noodzakelijke prikkel vormt om dat in toekomst niet weer te doen. 4.44. Ten aanzien van de vordering onder IV van het petitum die strekt tot verwijdering van alle gegevens van ACF heeft [gedaagde] ook aangevoerd dat deze vordering te onbepaald is. Ter zitting heeft ACF ook deze vordering nader gespecificeerd dat het gaat om verwijdering van de calculatiebladen en het CRM bestand van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS. [gedaagde] heeft toegezegd dat hij hiervoor zal zorgen, althans dat hij een certificaat kan aanleveren waaruit blijkt dat de bestanden niet meer op zijn laptop en op de server van CFS aanwezig zijn. ACF heeft kenbaar gemaakt dat dit voldoende is. De vordering zal met in achtneming van het voorgaande worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat [gedaagde] heeft toegezegd hieraan te zullen meewerken, onduidelijk is bleven hoeveel tijd nodig is om dergelijk certificaat te kunnen verstrekken en omdat al een dwangsom is verbonden aan de toewijsbare vordering onder III. 4.45. ACF heeft daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd bestreden met de stelling dat ACF geen enkele inhoudelijk brief of aanmaning aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] heeft ACF geen incassohandelingen tegenover hem verricht. ACF is niet ingegaan op dit verweer. Voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is nodig dat incassohandelingen worden verricht tegenover de schuldenaar. Gesteld noch gebleken is dat ACF buiten het laten leggen van conservatoir beslag – hiervoor bestaat een eigen regeling, zie onder ‘De proceskosten’ – incassomaatregelen tegenover [gedaagde] heeft genomen. Dat ACF met CFS heeft gecorrespondeerd, is niet voldoende. Het had op de weg van ACF gelegen om haar vordering op dit punt toe te lichten, maar dat heeft zij niet gedaan. De gevorderde vergoeding is daarom niet toewijsbaar. 4.46. Tot slot heeft ACF op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW een vergoeding gevorderd van de onderzoekskosten verbonden aan het rapport van [O] . [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd betwist met de stelling dat de onderliggende facturen gericht zijn aan AC Floors B.V. en het niet gaat om onderzoekskosten die ACF heeft gemaakt voor schade die ACF heeft geleden. Dit verweer slaagt. De gevorderde vergoeding is niet toewijsbaar omdat het niet gaat om de kosten voor vaststelling van de schade in deze zaak tussen ACF en [gedaagde] , maar ziet op de schade van AC Floors B.V., die geen partij is in deze procedure. Zoals hiervoor is overwogen, is de onderlinge verhouding tussen ACF en AC Floors B.V. onduidelijk gebleven. De proceskosten 4.47. In conventie is [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
door [gedaagde] aan CFS en € 659.608,- vanwege het wegblijven van klanten in 2024 bij AC Floors B.V. door toedoen van [gedaagde] . Van de in het rapport genoemde schadebedragen is onduidelijk of deze betrekking hebben op schade geleden door ACF of alleen door AC Floors B.V. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF voor het eerst in deze procedure toegelicht hoe ACF en AC Floors B.V. zich tot elkaar verhouden. ACF heeft in dit verband gesteld dat AC Floors B.V. vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2024 als zogeheten Servicevennootschap functioneerde en dat dit inhoudt dat de vennootschap enkel factureert binnen een groep en geen andere zelfstandige activiteit exploiteert. Tussen ACF en AC Floors B.V. bestaat volgens ACF een overeenkomst van lastgeving en voor zover er dus al enig relevant onderscheid is, treedt AC Floors B.V. als lasthebber op in naam van ACF als lastgever. De omzet en marge komt aan ACF toe, aldus ACF. [gedaagde] heeft deze toelichting bij gebrek aan wetenschap betwist. ACF heeft haar stellingen niet nader met stukken onderbouwd, zoals door het in het geding brengen van een schriftelijke overeenkomst tot lastgeving. Onduidelijk blijft wanneer door ACF en wanneer door AC Floors B.V. werd gefactureerd en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Het rapport geeft daar namelijk geen informatie over. Voor het begroten van de schade is noodzakelijk dat inzichtelijk wordt gemaakt welke schade door ACF is geleden omdat het haar bedrijfsdebiet is dat [gedaagde] heeft aangetast. Dat blijkt echter niet uit het rapport van [O] . Wel is aannemelijk dat ACF schade heeft gelegen als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] omdat aannemelijk is dat ACF (terugkerende) klanten is verloren. Dat blijkt ook uit de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat de door hem benaderde klanten voorheen klanten van ACF waren, die hij tijdens zijn dienstverband met ACF voor ACF bediende. 4.41. [gedaagde] betwist het bestaan van een causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de schade omdat uit de door hem overgelegde verklaringen blijkt dat die klanten zijn overgestapt om andere redenen, zoals incidenten bij ACF en/of AC Floors B.V., lange wachttijden op offertes, de goede ervaringen met [gedaagde] als persoon en de prijsstelling. Ook stelt [gedaagde] dat het een vrije markt is met veel concurrentie en veel bewegende – ‘shoppende’ – klanten. De kantonrechter ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten die op dit moment de conclusie rechtvaardigen dat er geen causaal verband bestaat. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft ACF onweersproken aangevoerd dat zij onderzoek heeft laten doen naar de klanten die sinds 2021 terugkerende klanten waren. De verklaringen die [gedaagde] heeft ingebracht zijn gekleurd omdat het juist de klanten zijn die vanaf februari 2024 – na daartoe te zijn benaderd door [gedaagde] – naar CFS zijn overgestapt. Daarvoor waren zij terugkerende klanten van ACF, zo heeft [gedaagde] zelf verklaard. 4.42. Op dit moment bestaan er nog te veel onduidelijkheden om de omvang van de schade te kunnen begroten. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. (Zie Hoge Raad, 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246) Aan deze voorwaarden is voldaan. In de schadestaatprocedure zal de omvang van de schade indachtig het causaliteitsverweer – andere oorzaken waarom klanten zijn overgestapt – het verlies van een kans en de grootheid van een kans verder moeten worden uitgezocht. De kantonrechter zal daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure, zoals overigens ook uiterst subsidiair door ACF is gevorderd. De kantonrechter geeft partijen in overweging mee dat het naast het starten van een schadestaatprocedure ook mogelijk is om gezamenlijk een deskundige in te schakelen die de omvang van de schade met in achtneming van de hiervoor genoemde aandachtspunten onderzoekt. De overige vorderingen van ACF 4.43. Onder III van het petitum heeft ACF – samengevat – gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het onthouden van het gebruik maken van overeenkomsten, andere administratieve bescheiden, calculatiebladen en offertes van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat de vordering te onbepaald is en daarvoor geen grondslag aanwezig is, wordt verworpen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF nader gespecifieerd dat met haar vordering bedoeld wordt de calculatiebladen en het CRM bestand dat [gedaagde] aan CFS heeft verstrekt. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst met CFS gedeeld. Daarmee is de grondslag voor de vordering gegeven. De vordering zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Weliswaar heeft [gedaagde] toegezegd dat hij de informatie niet zal gebruiken, maar vaststaat dat [gedaagde] al eerder gebruik heeft gemaakt van aan zichzelf c.q. CFS toegestuurde gegevens, zodat een dwangsom een noodzakelijke prikkel vormt om dat in toekomst niet weer te doen. 4.44. Ten aanzien van de vordering onder IV van het petitum die strekt tot verwijdering van alle gegevens van ACF heeft [gedaagde] ook aangevoerd dat deze vordering te onbepaald is. Ter zitting heeft ACF ook deze vordering nader gespecificeerd dat het gaat om verwijdering van de calculatiebladen en het CRM bestand van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS. [gedaagde] heeft toegezegd dat hij hiervoor zal zorgen, althans dat hij een certificaat kan aanleveren waaruit blijkt dat de bestanden niet meer op zijn laptop en op de server van CFS aanwezig zijn. ACF heeft kenbaar gemaakt dat dit voldoende is. De vordering zal met in achtneming van het voorgaande worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat [gedaagde] heeft toegezegd hieraan te zullen meewerken, onduidelijk is bleven hoeveel tijd nodig is om dergelijk certificaat te kunnen verstrekken en omdat al een dwangsom is verbonden aan de toewijsbare vordering onder III. 4.45. ACF heeft daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd bestreden met de stelling dat ACF geen enkele inhoudelijk brief of aanmaning aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] heeft ACF geen incassohandelingen tegenover hem verricht. ACF is niet ingegaan op dit verweer. Voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is nodig dat incassohandelingen worden verricht tegenover de schuldenaar. Gesteld noch gebleken is dat ACF buiten het laten leggen van conservatoir beslag – hiervoor bestaat een eigen regeling, zie onder ‘De proceskosten’ – incassomaatregelen tegenover [gedaagde] heeft genomen. Dat ACF met CFS heeft gecorrespondeerd, is niet voldoende. Het had op de weg van ACF gelegen om haar vordering op dit punt toe te lichten, maar dat heeft zij niet gedaan. De gevorderde vergoeding is daarom niet toewijsbaar. 4.46. Tot slot heeft ACF op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW een vergoeding gevorderd van de onderzoekskosten verbonden aan het rapport van [O] . [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd betwist met de stelling dat de onderliggende facturen gericht zijn aan AC Floors B.V. en het niet gaat om onderzoekskosten die ACF heeft gemaakt voor schade die ACF heeft geleden. Dit verweer slaagt. De gevorderde vergoeding is niet toewijsbaar omdat het niet gaat om de kosten voor vaststelling van de schade in deze zaak tussen ACF en [gedaagde] , maar ziet op de schade van AC Floors B.V., die geen partij is in deze procedure. Zoals hiervoor is overwogen, is de onderlinge verhouding tussen ACF en AC Floors B.V. onduidelijk gebleven. De proceskosten 4.47. In conventie is [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
Volledig
De proceskosten van ACF worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,99 - griffierecht € 721,00 - beslagkosten € 2.729,72 - salaris gemachtigde € 1.732,00 (2 punten × € 866,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.439,71 De beslagkosten worden begroot op de explootkosten van de door [gedaagde] in het geding gebrachte exploten, zijnde in totaal € 827,72, € 688,00 aan griffierecht en € 1.214,- aan salaris advocaat. In totaal wordt € 2.729,72 toegekend. 4.48. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] : De beslagen worden niet opgeheven 4.49. De tegeneis van [gedaagde] strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen onder ABN AMRO bank en op een pand. In de onderbouwing van de tegenvordering gaat [gedaagde] er kennelijk van uit dat de vordering van ACF (volledig) zal worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval en is de vordering deels toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het beslag op te heffen. [gedaagde] heeft ook niet onderbouwd – behoudens de algemene stelling dat hij niet vrijelijk over zijn eigendom kan beschikken – waarom zijn belang bij opheffing boven het belang van ACF prevaleert. Daarbij geldt dat het conservatoire beslag op grond van artikel 704 lid 1 Rv door dit vonnis wordt omgezet in een executoriaal beslag. Daar komt nog bij dat niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van andere verhaalsmogelijkheden. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat het belang van ACF bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . De tegenvordering wordt daarom afgewezen. De proceskosten 4.50. In reconventie is [gedaagde] in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van ACF worden begroot op: - salaris gemachtigde € 288,00 (1 punt × € 288,00) Totaal € 288,00 5 De beslissing De kantonrechter in conventie: de vorderingen van ACF: 5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] het nevenactiviteitenbeding (artikel V van de arbeidsovereenkomst) en het geheimhoudingsbeding (artikel VI arbeidsovereenkomst) heeft overtreden; 5.2. verklaart voor recht dat [gedaagde] € 90.000,- aan contractuele boetes heeft verbeurd en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van dat bedrag aan ACF, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 september 2024 tot de dag van betaling; 5.3. verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door ACF geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 5.4. veroordeelt [gedaagde] zich te ontbonden van het direct en/of indirect gebruik maken en/of laten maken van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF, onder verbeurte van een dwangsom € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,-; 5.5. veroordeelt [gedaagde] tot het verwijderen van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS onder afgifte van een certificaat waaruit blijkt dat de calculatiebladen en het CRM bestand niet (meer) op de laptop van [gedaagde] en de server van CFS terug te vinden zijn; 5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.439,71, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend; 5.7. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.8. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] : 5.10. wijst de vordering van [gedaagde] af; 5.11. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 288,00; 5.12. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.13. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. zie in dit verband ook Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:555 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) De Bock, ECLI:NL:PHR:2024:1396 bij de Hoge Raad, 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:264; Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2025:696 bij Hoge Raad, 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1320. Productie 17 tot en met 21 en productie 24 bij de conclusie van antwoord.
Volledig
De proceskosten van ACF worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 112,99 - griffierecht € 721,00 - beslagkosten € 2.729,72 - salaris gemachtigde € 1.732,00 (2 punten × € 866,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 5.439,71 De beslagkosten worden begroot op de explootkosten van de door [gedaagde] in het geding gebrachte exploten, zijnde in totaal € 827,72, € 688,00 aan griffierecht en € 1.214,- aan salaris advocaat. In totaal wordt € 2.729,72 toegekend. 4.48. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] : De beslagen worden niet opgeheven 4.49. De tegeneis van [gedaagde] strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen onder ABN AMRO bank en op een pand. In de onderbouwing van de tegenvordering gaat [gedaagde] er kennelijk van uit dat de vordering van ACF (volledig) zal worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval en is de vordering deels toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het beslag op te heffen. [gedaagde] heeft ook niet onderbouwd – behoudens de algemene stelling dat hij niet vrijelijk over zijn eigendom kan beschikken – waarom zijn belang bij opheffing boven het belang van ACF prevaleert. Daarbij geldt dat het conservatoire beslag op grond van artikel 704 lid 1 Rv door dit vonnis wordt omgezet in een executoriaal beslag. Daar komt nog bij dat niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van andere verhaalsmogelijkheden. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat het belang van ACF bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . De tegenvordering wordt daarom afgewezen. De proceskosten 4.50. In reconventie is [gedaagde] in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van ACF worden begroot op: - salaris gemachtigde € 288,00 (1 punt × € 288,00) Totaal € 288,00 5 De beslissing De kantonrechter in conventie: de vorderingen van ACF: 5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] het nevenactiviteitenbeding (artikel V van de arbeidsovereenkomst) en het geheimhoudingsbeding (artikel VI arbeidsovereenkomst) heeft overtreden; 5.2. verklaart voor recht dat [gedaagde] € 90.000,- aan contractuele boetes heeft verbeurd en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van dat bedrag aan ACF, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 september 2024 tot de dag van betaling; 5.3. verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door ACF geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 5.4. veroordeelt [gedaagde] zich te ontbonden van het direct en/of indirect gebruik maken en/of laten maken van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF, onder verbeurte van een dwangsom € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,-; 5.5. veroordeelt [gedaagde] tot het verwijderen van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS onder afgifte van een certificaat waaruit blijkt dat de calculatiebladen en het CRM bestand niet (meer) op de laptop van [gedaagde] en de server van CFS terug te vinden zijn; 5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.439,71, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend; 5.7. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.8. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] : 5.10. wijst de vordering van [gedaagde] af; 5.11. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 288,00; 5.12. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.13. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; Dit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. zie in dit verband ook Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:555 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) De Bock, ECLI:NL:PHR:2024:1396 bij de Hoge Raad, 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:264; Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2025:696 bij Hoge Raad, 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1320. Productie 17 tot en met 21 en productie 24 bij de conclusie van antwoord.