Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-06-18
ECLI:NL:RBOBR:2025:3552
Civiel recht
Beschikking
8,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 11570505 \ EJ VERZ 25-122
Beschikking van 18 juni 2025
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. E.M.J. Geven,
toevoeging verleend: [nummer] ,
tegen
KWIK-FIT NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
verwerende partij,
hierna te noemen: Kwik-Fit,
gemachtigde: mr. A.J. Verweij.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 17 bijlagen, ontvangen door de griffie op 28 februari 2025;
- het verweerschrift met 5 bijlagen;
- de aanvullende bijlage 18 van [verzoeker] ;
- de aanvullende bijlagen 6 tot en met 18 van Kwik-Fit;
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen die de gemachtigden van partijen ter gelegenheid daarvan hebben overgelegd en voorgedragen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1995, is sinds 1 april 2022 in dienst bij Kwik-Fit.
De eerste arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van acht maanden. Daarna is de arbeidsovereenkomst meerdere keren verlengd. Dit heeft geleid tot de volgende aaneensluitende arbeidsovereenkomsten:
- van 1 april 2022 tot en met 30 november 2022;
- van 1 december 2022 tot en met 31 juli 2023;
- van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023;
- van 1 januari 2024 tot en met 31 juli 2024;
- van 1 augustus 2024 tot en met 31 december 2024;
- van 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2025.
[verzoeker] vervulde aanvankelijk de functie van junior monteur en per 5 september 2022 de functie van BBL EAT junior monteur. Het laatstverdiende loon bedroeg € 2.479,62 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Banden- en Wielenbranche van toepassing.
2.3.
Met ingang van 5 september 2022 volgt [verzoeker] een driejarige Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL) opleiding Allround technicus voertuigen en mobiele werktuigen (hierna: de BBL-opleiding). De beroepspraktijkvorming vindt plaats bij Kwik-Fit.
2.4.
Naast de arbeidsovereenkomst hebben partijen ook een studieovereenkomst gesloten op 13 mei 2022. In die studieovereenkomst is, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende opgenomen:
“
4. Terugbetalingsregeling
4.1.
Werknemer is gehouden de in artikel 1 genoemde studiekosten volledig aan werkgever terug te betalen - voor zover deze kosten niet of niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op de aan werknemer verschuldigde transitievergoeding - indien werknemer zonder gegronde reden de studie afbreekt voordat deze met een diploma is afgerond, dan wel de studie niet binnen redelijke termijn afrondt dan wel het dienstverband op initiatief van werknemer tijdens de studie is beëindigd dan wel op initiatief van de werkgever tijdens de studie is beëindigd wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 BW.”
2.5.
Op 18 december 2024 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. Die dag en op 23 december 2024 heeft er contact via Whatsapp plaatsgevonden tussen [verzoeker] en filiaalmanager [A] (hierna: [A] ). [A] heeft [verzoeker] op 18 december 2024 het volgende bericht gestuurd:
“Hoi [verzoeker] zo jij me even kunnen bellen dan weet ik ook wat er aan de hand is bedankt alvast”
[verzoeker] heeft op 23 december 2024 als volgt gereageerd:
“Goedemorgen [A]
Sorry dat ik niet gereageerd heb op je telefoontjes. Ik kan het op het moment allemaal niet aan mijn hoofd zit helemaal vol. Om de kleinste dingen word ik chagrijnig en boos. Het voelt dat alles waar ik de laatste jaren hard voor gevochten heb aan het in storten is. Ik heb
vandaag een afspraak bij de huisarts en morgen een afspraak met een hulp instantie om te kijken welke hulp ik kan krijgen om mij hier uit te krijgen. Daarna neem ik contact met
jullie op.”
[A] heeft op 23 december 2024 als volgt geantwoord:
“Goedeavond [verzoeker] , ik snap wel wat er in je hoofd omgaat nu en het is belangrijk om de juiste zorg voor je te vinden kwikfit gaat je hier over berichten”
2.6.
Op 18 december 2024 heeft de door Kwik-Fit ingeschakelde arbodienstverlener [B] (hierna: [B] ) [verzoeker] een uitnodiging gestuurd per e-mail voor een consult met een inzetbaarheidsdeskundige. In deze mail stond een linkje naar een brief. In deze brief is, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende opgenomen:
“
Afspraak consult
Op onderstaande datum staat het consult gepland met mevr. [C] :
Datum:
maandag 6 januari 2025
Tijd:
10:30 uur
Locatie:
Kunt u niet op het consult komen? Verzet of annuleer dan uiterlijk 2 werkdagen van tevoren de afspraak via uw leidinggevende. Uw leidinggevende moet toestemming geven om de afspraak te verzetten of annuleren.
Als u niet op de afspraak verschijnt zonder tijdige afmelding, dan wordt deze afspraak als een 'no show' gezien. De kosten voor het gemiste consult worden dan doorbelast aan uw werkgever.”
2.7.
Voorafgaand aan dit consult heeft [B] [verzoeker] op 24 december 2024 uitgenodigd op het telefonisch spreekuur van de backup inzetbaarheidsdeskundige gehouden op 27 december 2024 om 14:45 uur. Die dag heeft [verzoeker] tijdens het telefonisch spreekuur contact gehad met de backup inzetbaarheidsdeskundige [B] . Van dit contact heeft Kwik-Fit de volgende terugkoppeling gehad [B] :
“ [B] heeft meneer [verzoeker] telefonisch gesproken op 27 december 2024. Tijdens dit gesprek heeft meneer aangegeven geen mededelingen te willen doen omtrent zijn verzuimmelding.
[B] kan dan ook geen advies afgeven met betrekking tot eventuele werkzaamheden voor meneer [verzoeker] , aangaande deze melding van verzuim. Inmiddels is er, op verzoek van de werkgever, een fysieke afspraak ingepland op 6 januari, bij mijn collega op lokatie te Eindhoven.”
2.8.
Op 9 januari 2025 heeft [B] een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan Kwik-Fit over het consult van 6 januari 2025. Daarin is, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende opgenomen:
“
No show consult inzetbaarheidsdeskundige
Op 06-01-2025 om 10.30 uur stond een fysiek consult voor uw medewerker ingepland met de inzetbaarheidsdeskundige. Uw medewerker was op genoemde datum en tijd niet aanwezig op het consult en wij hebben geen (tijdig) bericht van verhindering ontvangen. Het consult heeft daardoor niet plaatsgevonden. Er is daarom sprake van een no-show.
Wij herinneren u eraan dat een consult met de arbodienst voor uw medewerker een onderdeel is van de re-integratieverplichtingen en niet vrijblijvend is.
Er zal een nieuwe afspraak voor het consult worden ingepland.
Prognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk
Prognose is niet af te geven vanwege een no show.
Vervolgafspraak
Er is nog geen vervolgafspraak gepland met meneer [verzoeker] , deze zal ingepland worden op aanwijzing van de werkgever.”
2.9.
Op 13 januari 2025 heeft Kwik-Fit een brief en een e-mail gestuurd aan [verzoeker] . Daarin heeft Kwik-Fit, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende geschreven:
“Op 18 december 2024 heb jij je ziekgemeld. Op 27 december 2024 heb je telefonisch contact gehad met onze arbodienst [B] . In dat gesprek heb je aangegeven geen mededelingen te willen doen over jouw ziekmelding (zie bijlage). Op 6 januari 2025 stond een fysiek vervolgconsult gepland voor een spreekuur op onze locatie aan [adres] in [plaats] . Je bent zonder tegenbericht niet verschenen (zie bijlage).
Beoordeling
het ontslag op staande voet
4.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of er op 20 januari 2025 een rechtsgeldig ontslag op staande voet is gegeven door Kwik-Fit aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft berust in het ontslag op staande voet. Daarom is niet in geschil tussen partijen dat de arbeidsovereenkomst op 20 januari 2025 is geëindigd. Het antwoord op de vraag of het ontslag rechtsgeldig is, is doorslaggevend voor de vraag wie van partijen aanspraak kan maken op met het ontslag samenhangende vergoedingen. Omdat het ontslag op staande voet een uiterste middel is, stelt de wet daaraan strenge eisen. Deze zijn terug te vinden in artikel 7:677 lid 1 BW: de opzegging moet onverwijld zijn en vergezeld gaan van mededeling van de reden voor ontslag, die bovendien als dringende reden moet gelden.
4.2.
Het ter zitting gevoerde verweer dat de opzegging niet onverwijld is omdat tussen het consult van 6 januari 2025 en het ontslag op staande voet bijna twee weken zat, wordt verworpen. Zoals hieronder zal worden toegelicht, heeft Kwik-Fit de dringende reden voor het ontslag niet gegrond op het niet verschijnen van [verzoeker] op het consult op 6 januari 2025, maar op het niet verschijnen op het werk op 20 januari 2025. Evident is dat het op die dag gegeven ontslag met de mededeling van de reden daarvan onverwijld is gegeven.
is sprake van een dringende reden?
4.3.
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW beschouwd, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Hierbij moeten de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook als de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gerechtvaardigd. De op het moment van het ontslag op staande voet meegedeelde reden fixeert in beginsel de ontslagreden. De toetsing of het ontslag al dan niet rechtsgeldig is kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van wat feitelijk aan de werknemer is meegedeeld – dat is de fixatie van de dringende reden – en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. De dringende reden moet de werknemer meteen duidelijk zijn. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.
4.4.
De dringende reden voor het ontslag is weergegeven in de brief / e-mail van 20 januari 2025 en betreft het niet hervatten van de werkzaamheden ondanks sommatie daartoe op 13 en 15 januari 2025 (vgl. rov. 2.13). Het bericht fixeert de dringende reden en dat betekent dat moet worden beoordeeld of datgene wat Kwik-Fit daarin heeft vermeld zich heeft voorgedaan en of dit vervolgens een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet.
4.5.
Vaststaat dat [verzoeker] op 20 januari 2025 niet op het werk is verschenen. De kantonrechter is van oordeel dat Kwik-Fit niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dringende reden. [verzoeker] heeft zich namelijk op 18 december 2024 ziekgemeld en is daarna om die reden op 20 januari 2025 niet op het werk verschenen. Het niet verschijnen op het werk is objectief gezien een logisch gevolg van de daaraan voorafgegane ziekmelding. Volgens Kwik-Fit heeft de bedrijfsarts niet kunnen vaststellen dat [verzoeker] arbeidsongeschikt was omdat [verzoeker] daaraan geen medewerking heeft verleend, maar dat heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Vaststaat dat op 27 december 2024 een telefonisch consult heeft plaatsgevonden. Hierin heeft [verzoeker] geen mededelingen willen doen over zijn toestand, maar daarvoor heeft hij een uitleg gegeven die niet door Kwik-Fit is weersproken. Ook staat vast dat in de uitnodiging voor het consult op 6 januari 2025 geen locatie is genoemd. Aan de uitnodiging is verder niet af te leiden dat het consult fysiek zou plaatvinden. Voorstelbaar is dan ook dat het voor [verzoeker] niet duidelijk was dat het om een fysiek consult ging en waar hij dan naartoe zou moeten gaan. Dat [verzoeker] via een andere weg bekend is geraakt met de locatie, zoals Kwik-Fit ter zitting heeft gesteld, blijkt nergens uit. [verzoeker] heeft die stelling bovendien gemotiveerd bestreden met zijn toelichting dat hij de uitnodiging heeft ontvangen door op een link in een mail te klikken en dat daarbij verder geen begeleidende tekst in de e-mail vanuit [B] is gestuurd. Dat Kwik-Fit vervolgens direct heeft geconcludeerd dat [verzoeker] niet in staat of bereid is mee te werken aan de beoordeling van zijn ziekmelding door een bedrijfsarts is te voortvarend en onzorgvuldig geweest.
4.6.
Het ontslag op staande voet is een uiterste middel dat niet lichtzinnig door de werkgever moet worden ingezet. Kwik-Fit had in deze zaak minder ingrijpende maatregelen kunnen treffen. Het had zeer voor de hand gelegen om [verzoeker] opnieuw te laten oproepen door de bedrijfsarts, zoals ook door [B] in de schriftelijke terugkoppeling van 9 januari 2025 is aangegeven. Ook had Kwik-Fit ervoor kunnen kiezen om de loonstop die in de brief van 13 januari 2025 is aangekondigd daadwerkelijk te effectueren. De keuze om [verzoeker] niet opnieuw te laten oproepen door de bedrijfsarts heeft tot gevolgd gehad dat er geen medisch oordeel voorhanden is over de ziekmelding en de (mate van) arbeidsongeschiktheid. Nu het ontbreken van een medisch oordeel niet aan [verzoeker] is te wijten, heeft Kwik-Fit onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] in staat was om werkzaamheden te verrichten en daarom ongeoorloofd niet op het werk is verschenen. De slotsom is dat het niet verschijnen op het werk door [verzoeker] in dit geval geen dringende reden oplevert. Van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet is daarom geen sprake, zodat Kwik-Fit de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 lid 1 BW. De in dit verband gevraagde verklaring voor recht zal worden gegeven.
is sprake van arbeidsovereenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd?
4.7.
Daarmee komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de verzochte ontslagvergoedingen. De kantonrechter ziet reden om eerst in te gaan op de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die zou eindigen op 31 juli 2025 of van onbepaalde tijd, omdat dat voor de beoordeling van de verzochte ontslagvergoedingen relevant is.
4.8.
[verzoeker] heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2025 tot en met 31 juli 2025 minimaal de vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst is, zodat op basis van de ketenregeling van artikel 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Kwik-Fit heeft dat bestreden en heeft gesteld dat de ketenregeling op grond van artikel 7:668a lid 10 BW niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan in verband met BBL-opleiding waarmee [verzoeker] per 5 september 2022 is gestart en ten tijde van het ontslag nog niet had afgerond.
4.9.
Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij in 2022 bij Kwik-Fit is gaan werken om de BBL-opleiding te gaan volgen. De arbeidsovereenkomsten houden dus verband met de BBL-opleiding.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat Kwik-Fit de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in strijd met artikel 7:669 lid 1 in samenhang met artikel 7:671 BW heeft opgezegd;
5.2.
veroordeelt Kwik-Fit tot betaling aan [verzoeker] van:
een transitievergoeding van € 2.929,78 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 februari 2025 tot de dag van betaling;
een gefixeerde schadevergoeding van € 3.858,24, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 januari 2025 tot de dag van betaling;
een billijke vergoeding van € 7.500,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van betaling;
e gecorrigeerde eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het uit te betalen bedrag vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van betaling;
5.3.
veroordeelt Kwik-Fit in de proceskosten van € 1.039,00;
5.4.
verklaart deze beschikking voor wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
Feiten
Wij zijn ons daarom
genoodzaakt de gemaakte kosten van € 85,- netto met jouw eerstvolgende salarisbetaling te
verrekenen.
Ondertussen heeft jouw Manager de heer [A] diverse malen geprobeerd met jou
in contact te komen. Helaas heeft bovengenoemde actie niet geleid tot het gewenste
resultaat.
Wij willen je er op wijzen dat zowel jij als KwikFit als jouw werkgever verplichtingen
hebben gedurende jouw arbeidsongeschiktheid. Dit houdt in dat we contact met elkaar
moeten onderhouden en je telefonisch bereikbaar dient te zijn. De afspraken hierover
staan ook in onze Werkwijzer artikel 8.10 en 8.11 die je terug kunt vinden in jouw Afas
App (Nieuws / alle/ Werkwijzer 4 januari 2024).
Op dit moment is het voor onze arbodienst niet mogelijk te beoordelen of jij ziek bent. Je
bent niet bereikbaar en niet aan het werk. Middels dit schrijven sommeren wij jou, zo
spoedig mogelijk na het lezen van dit schrijven, doch uiterlijk woensdag 15 januari 2025
voor 12.00 uur jouw werkzaamheden te hervatten in ons KwikFit filiaal aan [adres]
te [plaats] . Wij willen jou erop wijzen dat het geen gehoor geven aan deze oproep
zal worden gezien als werkweigering. KwikFit ziet zich dan ook genoodzaakt de
doorbetaling van jouw salaris per 13 januari 2025 op te schorten.”
2.10.
Op 15 januari 2025 is [verzoeker] niet op het werk verschenen.
2.11.
Diezelfde dag heeft Kwik-Fit [verzoeker] een brief en een e-mail gestuurd. Daarin heeft Kwik-Fit, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende geschreven:
“Op 13 januari 2025 hebben wij jou een schrijven gestuurd, waarin wij jou hebben
gesommeerd om jouw (aangepaste) werkzaamheden te hervatten in ons KwikFit filiaal aan
[adres] te [plaats] . Helaas hebben wij niets van jou mogen vernemen. Op
maandag 13 januari 2025 is jouw Manager de heer [A] op jouw huisadres geweest. Er werd niet open gedaan. KwikFit kwalificeert het niet hervatten van jouw
werkzaamheden als hardnekkige werkweigering.
Hierbij sommeren wij jou nogmaals om, na het lezen van dit schrijven, per direct doch
uiterlijk op maandag 20 januari 2025 voor 12.00 uur, jouw werkzaamheden te hervatten in
bovengenoemd filiaal.
Indien je voor 20 januari 2025 12.00 uur jouw werkzaamheden niet hebt hervat zal KwikFit
zich genoodzaakt zien de arbeidsovereenkomt welke van rechtstwege eindigt op 31 juli
2025 per direct te stoppen.”
2.12.
Op 18 januari 2025 heeft [verzoeker] per e-mail gereageerd op deze brief. Hij heeft, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende geschreven:
“Ik heb vandaag je bericht gezien over het hervatten van werk en het gemiste consult. Ik vind het heel vreemd de manier waarop er gehandeld word. Ik ben 1 keer door een meneer [B] gebeld ik heb die man toen aangegeven dat ik me niet comfortabel voel mijn privé zaken met een vreemde te delen. Ik vond die man heel opdringerig en respectloos. Ook heb ik een bericht gehad voor een consult op 6 januari om 10.30 maar er stond geen locatie bij de uitnodiging. Ik ging er van uit dat het een telefonisch consult was aangezien dat in het verleden ook zo was. Ik ben het er niet mee eens dat ik 85 euro moet betalen terwijl ik geen duidelijkheid had dat het een fysiek consult was en ook niet op de hoogte was waar het consult was. Ik stuur de uitnodiging mee waar nergens instaat waar het consult is”
2.13.
Op 20 januari 2025 is [verzoeker] niet op het werk verschenen en is hij door Kwik-Fit op staande voet ontslagen. Die dag heeft Kwik-Fit [verzoeker] een brief en een e-mail gestuurd. Daarin heeft Kwik-Fit, voor zover van belang voor deze procedure, het volgende geschreven:
“Hierbij bevestigen wij dat je op 20 januari 2025 op staande voet bent ontslagen wegens
hardnekkige werkweigering.
Tot dit ontslag is, na overleg met de Directie, besloten omdat wij ondanks onze sommaties
van 13 en 15 januari 2025 om je werkzaamheden te hervatten in ons KwikFit filiaal aan [adres]
te [plaats] , niets van je hebben vernomen. Je verzuimt dus in ernstige
mate je werknemersverplichtingen te vervullen.
Gezien de genoemde feiten die ieder voor zich, althans in onderling verband, reden geven
voor ontslag op staande voet, kunnen wij niets anders, dan concluderen dat u op grove
wijze misbruik heeft gemaakt van ons vertrouwen. Dit vertrouwen is onherstelbaar
geschaad. Wij zien ons dan ook genoodzaakt tot het nemen van bovenstaande maatregel
en stellen u hierbij aansprakelijk voor alle schade, die wij door uw toedoen hebben
geleden of nog zullen lijden.
Wij beschouwen de hiervoor omschreven dringende reden (en) als ernstig verwijtbaar
handelen, zodat geen aanspraak bestaat op de transitievergoeding of enig andere
vergoeding. […]”
2.14.
Kwik-Fit heeft vervolgens een eindafrekening opgemaakt verdisconteerd in de loonstrook van de maand januari 2025. Op de eindafrekening heeft Kwik-Fit een bedrag van € 1.658,02 vanwege een negatief verlofsaldo, een bedrag van € 2.337,21 aan studiekosten en een bedrag van € 4.537,90 aan gefixeerde schadevergoeding in mindering gebracht. Dit heeft ertoe geleid dat Kwik-Fit niets heeft uitbetaald aan [verzoeker] over de maand januari 2025.
2.15.
Over de maand februari 2025 heeft [verzoeker] met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering ontvangen. Met ingang van 1 maart 2025 is [verzoeker] elders in dienst getreden als monteur.
2.16.
[verzoeker] heeft berust in het ontslag op staande voet. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 20 januari 2025 geëindigd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt – samengevat – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
primair; als het ontslag ten onrechte is verleend
I. voor recht te verklaren dat Kwik-Fit de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] in strijd met artikel 7:669 lid 1 in samenhang met artikel 7:671 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft opgezegd;
II. Kwik-Fit te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen en vergoedingen:
- een billijke vergoeding van primair € 137.800,45 bruto en subsidiair € 17.513,76 bruto;
- een transitievergoeding van primair € 2.563,56 bruto en subsidiair € 2.929,78 bruto;
- een gefixeerde schadevergoeding van € 3.858,24 bruto, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW;
subsidiair; als het ontslag terecht is verleend
III.
Beoordeling
Daarmee is sprake van de uitzondering op de ketenregeling zoals bedoeld in 7:668a lid 10 BW. Dit heeft tot gevolg dat er geen keten van arbeidsovereenkomsten is ontstaan die heeft geleid tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 juli 2025.
de transitievergoeding
4.10.
In het geval sprake is van arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 juli 2025 heeft [verzoeker] verzocht om Kwik-Fit te veroordelen een transitievergoeding te betalen van € 2.929,78 bruto. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat Kwik-Fit aan [verzoeker] een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst door Kwik-Fit is opgezegd. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Volgens Kwik-Fit is hiervan sprake. Zoals hierboven is geoordeeld, is het ontslag op staande voet niet terecht gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, is het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] vanwege de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden. Dat betekent dat Kwik-Fit de transitievergoeding verschuldigd is. Kwik-Fit heeft de hoogte van de transitievergoeding zoals die door [verzoeker] is berekend, niet betwist, zodat Kwik-Fit zal worden veroordeeld tot betaling van de verzochte transitievergoeding van € 2.929,78 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 21 februari 2025.
de vergoeding wegens onregelmatige opzegging (de gefixeerde schadevergoeding)
4.11.
De gefixeerde schadevergoeding heeft een forfaitair karakter. Het is niet van belang of de werknemer daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van de onregelmatigheid van de opzegging en hoe groot de schade is. Ook is niet relevant of de werknemer gedurende de opzegtermijn die in acht had moeten worden genomen nog recht had op loon. Kwik-Fit heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Op grond van artikel 7:677 lid 4 BW is Kwik-Fit een vergoeding aan [verzoeker] verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. [verzoeker] heeft een vergoeding gevorderd van € 3.858,24 bruto, zijnde het loon tot 1 maart 2025. Kwik-Fit heeft de hoogte als zodanig niet bestreden. De kantonrechter kan niet meer toewijzen dan is gevorderd, zodat dat bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW wordt afgewezen omdat de gefixeerde schadevergoeding geen loon is. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 20 januari 2025.
de billijke vergoeding
4.12.
In het geval sprake is van arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 juli 2025 heeft [verzoeker] verzocht om Kwik-Fit te veroordelen een billijke vergoeding te betalen van € 17.513,76. [verzoeker] heeft deze vergoeding gebaseerd op het loon over de periode van 21 januari tot en met 31 juli 2025 dat hij zou hebben genoten als de arbeidsovereenkomst niet zou zijn opgezegd.
4.13.
Omdat sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW moet worden onderzocht of er reden is een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW toe te kennen. Gelet op de wetsgeschiedenis is ook voor toekenning van de billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, maar is in een geval als bedoeld in dat artikel reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd. Anders gezegd: een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor al is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding worden toegewezen. De billijke vergoeding moet vervolgens worden bepaald op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de bijzondere omstandigheden van het geval (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 32-34, en nr. 4, p. 61). In de New Hairstyle-uitspraak (Hoge Raad, 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187) heeft de Hoge Raad enkele – niet-limitatieve – gezichtspunten genoemd die een rol kunnen spelen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding, zoals:
het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd;
de vraag of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en wat de inkomsten zijn die hij hieruit geniet;
de mate waarin de werkgever een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat de opzegging niet rechtsgeldig is;
de vraag of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook rechtmatig had kunnen opzeggen, en op welke termijn dit had kunnen gebeuren;
de mate waarin de werkgever een verwijt kan worden gemaakt van de keuze van de werknemer om niet voor vernietiging te kiezen maar voor een billijke vergoeding;
de mate waarin de werknemer zelf een verwijt valt te maken van de onrechtmatige opzegging; en
de vraag of de werknemer recht heeft op de transitievergoeding en op de vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
4.14.
In deze zaak betrekt de kantonrechter de volgende feiten en omstandigheden bij het begroten van de billijke vergoeding. Er is sprake van een onterecht gegeven ontslag op staande voet van een ziekgemelde werknemer dat ertoe heeft geleid dat de arbeidsovereenkomst voortijdig is geëindigd. De arbeidsovereenkomst zou in ieder geval voortduren tot en met 31 juli 2025 en er zijn geen aanwijzingen dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Ter zitting is naar voren gekomen dat [verzoeker] sinds 1 maart 2025 een nieuwe baan heeft in de autobranche en dat hij de BBL-opleiding bij zijn nieuwe werkgever kan voortzetten. Ook is gebleken dat [verzoeker] over de maand februari 2025 met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Over de hoogte van deze uitkering is niets bekend. Hoe lang het dienstverband bij Kwik-Fit nog zou hebben voortgeduurd, is afhankelijk van verschillende factoren (onder meer: de opstelling van partijen, het verlengen van de arbeidsovereenkomst, het mogelijk afronden van de BBL-opleiding en het traject van arbeidsongeschiktheid). Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend en de goede en kwade kansen afwegend, gaat de kantonrechter ervan uit dat het dienstverband nog zeker enige tijd zou hebben voortgeduurd. Daar staat tegenover dat [verzoeker] kort na het ontslag een nieuwe baan heeft gevonden en hij daar zijn BBL-opleiding kan voortzetten. Alles bij elkaar genomen stelt de kantonrechter de billijke vergoeding vast op het bedrag van € 7.500,- bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
de overige vorderingen
4.15.
[verzoeker] heeft betaling van de eindafrekening gevorderd, opgebouwde en niet opgenomen vakantiedagen daaronder begrepen.