Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-08-15
ECLI:NL:RBOBR:2024:6794
Civiel recht
Bodemzaak
4,719 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 10532865 \ CV EXPL 23-2350
Vonnis van 15 augustus 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.C.M. van der Biezen,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. Jansen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6, - de conclusie van antwoord,
- de akte houdende aanvullende producties van [eiser] van 17 juli 2023 met producties 7 tot en met 11,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 18 juli 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser] heeft de auto van haar zus geleend en heeft die auto op haar beurt uitgeleend aan [gedaagde] . Op 25 september 2022 heeft [gedaagde] een aanrijding veroorzaakt waardoor schade is ontstaan aan de auto van de zus van [eiser] alsmede aan de auto van een derde. [eiser] is op 1 oktober 2022 aansprakelijk gesteld door haar zus voor de door [gedaagde] veroorzaakte schade. In de brief is onder meer opgenomen: ‘Hierbij stel ik jou aansprakelijk voor de schade aan mijn auto en iedere claim die ik krijg vanuit mijn verzekeraar of iedere ander met betrekking tot het ongeval op 25 september 2022’.
2.2.
Na de aanrijding hebben [eiser] en [gedaagde] via Whatsapp met elkaar gecorrespondeerd over de schade aan de auto van de zus van [eiser] . [eiser] heeft de auto van haar zus ter reparatie aangeboden aan een autogarage. De herstelkosten bedroegen € 1.040,-. Deze kosten zijn door [eiser] aan de autogarage voldaan. Van voornoemd bedrag heeft [gedaagde] € 600,- aan [eiser] vergoed.
2.3.
Enkele maanden na de aanrijding ontving de zus van [eiser] een bericht van Allianz Nederland Schadeverzekeringen (hierna: Allianz) waaruit haar bleek dat ook schade aan de auto van een derde was veroorzaakt. De hoogte van deze schade is door een schadebeoordelaar begroot op € 1.751,41. Allianz heeft dit bedrag uitgekeerd aan de derde. Als gevolg van de uitkering verhoogde Allianz de door de zus van [eiser] te betalen maandpremie van € 79,53 per maand naar € 159,05 per maand. Over een periode van zes jaar zou de verhoging € 5.725,44 bedragen. Ter voorkoming van deze premieverhoging heeft [eiser] een bedrag ter hoogte van de vastgestelde schade betaald aan Allianz.
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] meerdere malen verzocht om tot betaling van de (resterende) schade over te gaan. [gedaagde] heeft aan die verzoeken geen gehoor gegeven.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] zich niet als goed huisvader ex artikel 7A:1781 BW heeft gedragen alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.791,41, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Door een aanrijding te veroorzaken met auto van de zus van [eiser] heeft [gedaagde] zich niet als goed huisvader gedragen. Ten aanzien van de schade aan de auto van de zus van [eiser] ter hoogte van € 1.040,- vordert [eiser] primair nakoming van de afspraak tussen haar en [gedaagde] , inhoudende dat [gedaagde] de volledige schade aan de auto van de zus van [eiser] zou vergoeden. Subsidiair vordert [eiser] schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW, meer subsidiair vordert zij schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW. Ten aanzien van de schade aan de auto van de derde ter hoogte van € 1.751,41 vordert [eiser] primair schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW, subsidiair vordert zij schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Verklaring voor recht
4.1.
Partijen hebben een bruikleenovereenkomst met elkaar gesloten als bedoeld in artikel 7A:1777 BW. De bruiklener is ten aanzien van het geleende verplicht de zorg van een goed bruiklener in acht te nemen. Hij dient te zorgen voor de bewaring en het behoud van het geleende (artikel 7A:1781 lid 1 BW).
4.2.
[gedaagde] heeft erkend dat zij schade heeft veroorzaakt aan de auto van de zus van [eiser] zodat dit tussen partijen vaststaat. [gedaagde] heeft de auto vervolgens beschadigd teruggegeven aan [eiser] . Door de auto beschadigd terug te geven, heeft [gedaagde] niet de zorg van een goed bruiklener in acht genomen. De gevorderde verklaring voor recht wordt om die reden toegewezen.
Vordering tot betaling schade auto zus (€ 1.040,-)
4.3.
De vordering tot betaling van de schade aan de auto van de zus van [eiser] heeft [eiser] primair gebaseerd op artikel 3:296 BW omdat volgens [eiser] een overeenkomst tot stand is gekomen over de door [gedaagde] te vergoeden schade.
4.4.
Artikel 6:217 BW bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Daarvoor is van belang dat tussen partijen wilsovereenstemming bestaat.
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar hebben gecorrespondeerd over de schade die [gedaagde] heeft veroorzaakt aan de auto van de zus van [eiser] . [eiser] heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat de afspraak was dat [gedaagde] de volledige schade aan de auto van haar zus zou vergoeden. [gedaagde] heeft die stelling gemotiveerd betwist. Weliswaar heeft [gedaagde] direct nadat zij werd geconfronteerd met de schade aangegeven de schade te zullen vergoeden, maar naar het oordeel van de kantonrechter is die toezegging - mede gelet op de context en het moment van die toezegging - onvoldoende om daaruit een concrete betalingsafspraak af te leiden. In het Whatsappgesprek dat door [eiser] in het geding is gebracht heeft [eiser] - nadat reeds diverse berichten over en weer waren verzonden - het bedrag van € 1.040,- weliswaar genoemd, maar uit het gesprek volgt niet dat [gedaagde] heeft ingestemd met betaling van dit bedrag zodat geen sprake is van wilsovereenstemming. De vordering tot betaling kan dan ook niet op deze grond worden toegewezen.
4.6.
[eiser] heeft haar vordering tot betaling van de schade aan de auto van haar zus subsidiair gebaseerd op artikel 6:74 BW. Op degene die een zaak in bruikleen heeft ontvangen, rusten twee primaire verplichtingen: hij dient de zaak bij het einde van de bruikleen aan de uitlener terug te geven (art. 7A:1777 BW) en hij moet tot op dat moment als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van de zaak zorgen (art. 7A:1781 lid 1 BW) (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1186). De bruiklener die het geleende niet of niet in de juiste staat teruggeeft, is in beginsel aansprakelijk voor de schade van de uitlener op grond van artikel 6:74 BW. De bruiklener kan zich alleen aan die aansprakelijkheid onttrekken als hij bewijst dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis om de zorg van een goed bruiklener in acht te nemen (HR 30 april 1937, NJ 1937/900 (Stellema/Blank) en Hof ’s-Hertogenbosch 19 maart 1953, NJ 1953/673).
4.7.
Nu [gedaagde] de auto beschadigd aan [eiser] heeft teruggegeven, is zij aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor lijdt. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] betwist dat [eiser] schade zou hebben geleden omdat [eiser] volgens [gedaagde] niet aansprakelijk zou zijn gesteld door haar zus. [gedaagde] miskent daarmee evenwel dat [eiser] herstelkosten heeft moeten maken om als bruiklener ten opzichte van haar zus aan de verplichting te voldoen om zich als goed huisvader te gedragen en de verplichting om de auto zonder schade terug te geven. Een aansprakelijkstelling van de zus van [eiser] was daarvoor niet noodzakelijk.
4.8.
Ten aanzien van de hoogte van de schade heeft [eiser] gesteld dat de schade aan de auto van haar zus € 1.040,- bedraagt. Ter onderbouwing van de schade heeft zij de offerte overgelegd van de autogarage die de schade heeft hersteld (productie 3), alsmede een bevestiging van de autogarage dat een bedrag van € 1.040,- door [eiser] is betaald. [gedaagde] heeft de hoogte van de schade op zichzelf niet betwist. Ter zitting heeft zij bovendien verklaard dat zij [eiser] op haar woord vertrouwde dat de hoogte van het bedrag zou kloppen. Daarmee staat de hoogte van de schade tussen partijen vast.
4.9.
Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [gedaagde] reeds op 7 oktober 2022 een bedrag ter hoogte van € 600,- betaalde aan [eiser] ter vergoeding van de schade aan de auto van de zus. Nu [gedaagde] op dat moment nog geen kosten of wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:44 BW verschuldigd was, strekte de betaling op die dag
(7 oktober 2022) alleen in mindering op de hoofdsom en niet – zoals door [eiser] gesteld – in mindering op de later ontstane kosten en rente. De vordering tot betaling van de schade aan de auto van de zus van [eiser] op grond van artikel 6:74 BW wordt derhalve toegewezen tot een bedrag van € 440,- (€ 1.040 minus € 600,-).
Vordering tot betaling schade auto derde (€ 1.751,41)
4.10.
[eiser] heeft haar vordering tot betaling van de schade aan de auto van de derde primair gebaseerd op artikel 6:74 BW (jo. art. 7A:1781 BW). De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding niet kan worden toegewezen op grond van deze wettelijke bepaling. Deze schade hangt immers niet samen met de verplichting van [gedaagde] om de auto terug te geven en er als goed huisvader voor te zorgen. De vordering tot betaling van de schade aan de auto van de derde is dan ook niet op de primaire grondslag toewijsbaar.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat de schadevergoedingsvordering wel kan worden toegewezen op grond van artikel 6:162 BW. [gedaagde] heeft met de auto van de zus van [eiser] schade veroorzaakt aan een derde. Dat de zus van [eiser] tegenover die derde aansprakelijk is omdat zij de eigenaar van de auto is, heeft [gedaagde] niet weersproken. Evenmin heeft [gedaagde] weersproken dat zij tegenover [eiser] wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk is als [eiser] voor de door [gedaagde] veroorzaakte schade aan de derde door haar zus, van wie [eiser] op haar beurt de auto in bruikleen had, wordt aangesproken tot vergoeding van die schade.
4.12.
[gedaagde] heeft ten aanzien van de vordering tot betaling van de schade aan de auto van de derde betwist dat [eiser] aansprakelijk is gesteld door haar zus. [eiser] heeft in reactie op die betwisting een brief overgelegd van haar zus van 1 oktober 2022 waarin zij door haar zus aansprakelijk is gesteld. [eiser] heeft haar standpunt over de aansprakelijkstelling tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd onder verwijzing naar de hiervoor genoemde brief. In reactie daarop heeft [gedaagde] er slechts op gewezen dat die brief pas na de conclusie van antwoord is overgelegd, zonder daar conclusies aan te verbinden. De kantonrechter oordeelt dat de brief voldoende bewijs biedt voor de stelling van [eiser] dat zij aansprakelijk is gesteld door haar zus. Dat die brief pas is overgelegd nadat de conclusie van antwoord is genomen, heeft juridisch gezien geen gevolgen.
4.13.
[gedaagde] heeft ook in het kader van de vordering tot betaling van de schade aan de auto van de derde betwist dat [eiser] schade heeft geleden.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] zich niet als goed huisvader ex artikel 7A:1781 BW heeft gedragen.
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.589,15, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 440,- met ingang van 7 oktober 2022 en te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.751,41 met ingang van 7 februari 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 968,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis met uitzondering van de beslissing onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad.
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.G.A. Cox en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2024.
Beoordeling
De kantonrechter volgt dat standpunt niet, nu uit het door [eiser] overgelegde bankafschrift blijkt dat zij het volledige schadebedrag ter hoogte van € 1.751,41 vanaf haar eigen bankrekening heeft overgemaakt naar Allianz. De verweren van [gedaagde] worden dan ook verworpen en de vordering van [eiser] wordt op grond van artikel 6:162 BW toegewezen.
Wettelijke rente
4.14.
Vanwege het niet-tijdig betalen is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd. [eiser] heeft de wettelijke rente berekend over de door haar gevorderde hoofdsom ter hoogte van € 2.791,41. Zoals uit overweging 4.9 volgt, wijst de kantonrechter de vordering tot betaling van de schade aan de auto van de zus slechts toe tot een bedrag van € 440,- omdat door [gedaagde] reeds op 7 oktober 2022 een bedrag van € 600,- is betaald. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente wordt daarom over een bedrag van € 440,- toegewezen, berekend vanaf 7 oktober 2022 (ontstaansmoment schade auto zus). De wettelijke rente over het bedrag van € 1.751,41 wordt eveneens toegewezen, berekend vanaf 7 februari 2023 (ontstaansmoment schade als gevolg van betaling aan Allianz).
Buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
4.16.
[eiser] heeft de buitengerechtelijke incassokosten ten onrechte berekend over de door haar gevorderde hoofdsom ter hoogte van € 2.791,41. Zoals in overwegingen 4.9 en 4.14 overwogen, is door [gedaagde] op 7 oktober 2022 een bedrag ter hoogte van € 600,- betaald zodat de vordering van [eiser] vanaf die datum met dit bedrag is verlaagd. De buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden berekend over een bedrag van € 2.191,41 (€ 440,- plus € 1.751,41) zodat de buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit € 397,74 inclusief btw bedragen.
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
€
2.191,41
- buitengerechtelijke incassokosten incl. btw
€
397,74
+
totaal
€
2.589,15
4.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,86
- griffierecht
€
244,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2,00 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
968,86
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.