Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2019-11-25
ECLI:NL:RBNNE:2019:4921
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/630
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2019 in de zaak tussen
[naam 1] , te [adres 1] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.S. Wiltjer-Rienstra).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2] , (hierna: [naam 2] ),
gevestigd te Bergen op Zoom.
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat hij niet binnen vijf jaar na zijn indiensttreding bij [naam 2] ziek is geworden.
Bij besluit van 29 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens [naam 2] is verschenen M.J. Trouw.
Overwegingen
1. Eiser, geboren op 30 april 1957, heeft vanaf 2 augustus 1993 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.1
Eiser is met ingang van 1 november 2013 als werknemer in dienst getreden bij [naam 2] voor 30 uur per week.
1.2
Op 3 januari 2019 heeft eiser of [naam 2] bij verweerder aangegeven dat eiser vanaf 2 januari 2019 ziek is. Het betreft een ziekmelding in het kader van artikel 29b van de ZW (de zogenaamde no-riskpolis). Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat er geen ziekengeld wordt toegekend, omdat om een ZW-uitkering op grond van de no-riskpolis te ontvangen, een werknemer met beperkingen ziek geworden dient te zijn binnen vijf jaar na indiensttreding bij de werkgever. Dit is in eisers geval niet zo. Na heroverweging heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2. Eiser voert aan dat hij reeds dertig jaar ziek is. Hierdoor ontvangt hij sinds 2 augustus 1993 een WAO-uitkering. Hij heeft de mogelijkheid benut om naast zijn uitkering 30 uur per week te werken. Bij brief van 9 september 2010 is door verweerder aangegeven dat de oude WAO-regeling op hem van toepassing zou blijven. Ook is in deze periode door verweerder aan eiser te kennen gegeven dat de bedrijfsauto niet zou worden meegenomen in de berekening van de hoogte van de WAO-uitkering. Per 1 november 2013 heeft eiser binnen het netwerk van [naam 2] een andere baan aangenomen om uitdaging te blijven houden. Eiser is van mening dat hij hierdoor feitelijk van werkgever is veranderd, omdat hij op een andere loonlijst terecht is gekomen. Op 1 november 2013 werd eiser door verweerder gebeld met de mededeling dat de bedrijfsauto tóch zou worden meegenomen in de berekening van de hoogte van de WAO-uitkering. Hierdoor raakte eiser zijn WAO-uitkering van € 403,90 netto kwijt. Eiser is het er niet mee eens dat hij in verband met een wetswijziging niet meer onder de oude regeling valt. Tot slot is eiser van mening dat hij ten onrechte niet is gehoord. Anders dan uit de telefoonnotitie van 25 januari 2019 en het bestreden besluit blijkt, heeft hij niet aangegeven dat hij niet gehoord wenste te worden.
3. Verweerder geeft in zijn verweerschrift een toelichting op de wetgeving die voor eiser geldt.
4. Ter zitting is komen vast te staan dat [naam 2] van eiser vanaf de eerste ziektedag het loon heeft doorbetaald.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1
De rechtbank is niet bevoegd het beroep van eiser in behandeling te nemen. Artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelt namelijk de relatieve competentie van de rechtbank in eerste aanleg tegen een besluit van een bestuursorgaan. Op grond van de woonplaats van eiser, Steenbergen (Noord-Brabant), is de rechtbank daarom niet bevoegd. Echter, aangezien alle partijen ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk toestemming hebben verleend het beroep toch te behandelen, zal zij dat doen.
5.2
Naar aanleiding van de stelling van eiser dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de telefoonnotitie van 25 januari 2019, opgemaakt door een medewerker van verweerder, blijkt niet dat er gesproken is over de mogelijkheid van een hoorzitting. Verweerder heeft ter zitting niet aannemelijk kunnen maken dat eiser zou hebben aangegeven dat hij geen hoorzitting wenst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hoorplicht is geschonden. Er is echter niet gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld. Hij heeft immers in beroep alsnog ruimschoots de gelegenheid gehad zijn standpunt nader toe te lichten en te onderbouwen. Van die gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt. De schending van de hoorplicht wordt daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.
5.3
In geschil is of verweerder terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd.
5.4
De no-riskpolis is in 1994 geïntroduceerd, toen de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte door werkgevers werd verlengd naar 52 weken. Het doel van deze no-riskpolis is om werkgevers te stimuleren werknemers met een beperking in dienst te nemen door het risico bij ziekteverzuim weg te nemen bij de werkgevers. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 4 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH4910) heeft overwogen, komt uit de wetsgeschiedenis onder meer naar voren dat met artikel 29b, eerste lid, van de ZW is beoogd om de kansen van arbeidsongeschikten om terug te keren in het arbeidsproces te verbeteren en om in dat kader de bereidheid te bevorderen van werkgevers om arbeidsongeschikten in dienst te nemen.
5.5
De kern van de huidige no-riskpolis is te vinden in het eerste en het tweede lid van artikel 29b van de ZW. In deze bepalingen staan specifieke categorieën werknemers beschreven die in aanmerking komen voor de no-riskpolis. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet behoort tot één van de categorieën werknemers die genoemd worden in het eerste en het tweede lid van het huidige artikel 29b van de ZW.
5.6
In artikel 90 van de ZW is echter overgangsrecht opgenomen. Uit de tekst van dit artikel volgt dat als iemand de dag voor intrekking van de Wet op de (re)integratie van arbeidsgehandicapten (Wet REA) arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van die wet, die persoon ook als werknemer in de zin van artikel 29b, eerste lid, van de ZW moet worden aangemerkt. In artikel 2 van de Wet REA werd onder arbeidsgehandicapte onder meer verstaan “een persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, de WAZ of de Wajong”.
5.7
De Wet REA werd op 29 december 2005 ingetrokken. Gelet op de uitkering waar eiser sinds 2 augustus 1993 recht op heeft, was hij op 28 december 2005 arbeidsgehandicapte op grond van artikel 2 van de Wet REA. Hieruit volgt dat eiser de dag voor intrekking van de Wet REA arbeidsgehandicapte was en dat hij daarom via artikel
90 van de ZW recht had op de no-riskpolis.
5.8
Om in aanmerking te komen voor een ZW-uitkering op grond van de no-riskpolis dient echter wel in aanmerking genomen te worden dat de no-riskpolis een looptijd heeft van vijf jaar na indiensttreding. Eiser is op 1 november 2013 in dienst getreden bij [naam 2] . Dit betekent dat de no-riskpolis voor eiser van toepassing was tot 1 november 2018. Eiser heeft in die vijf jaar een aantal keer op grond van de no-riskpolis recht gehad op een ZW-uitkering. Ziekmeldingen van eiser op en na 1 november 2018 vallen derhalve buiten de werking van de no-riskpolis. Dit betekent dat eiser met zijn ziekmelding per 2 januari 2019 geen recht heeft op ziekengeld van het Uwv.
5.9
Eisers beroepsgrond dat hij het niet eens is met het korten van de bedrijfsauto op de hoogte van zijn WAO-uitkering, heeft geen betrekking op het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank die grond niet bespreken.
6. Het beroep is ongegrond.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 74,04;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van L. Bergsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.