Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBROT:2025:10139
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,147 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4704
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Wintjes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 1]).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing per 16 maart 2022 van een aanvraag om een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw) aan een werknemer van eiseres, [naam 2] (de werknemer).
1.1.
De werknemer is op 16 maart 2022 ziek uitgevallen vanuit een positie als herplaatsingskandidaat bij eiseres. De werknemer heeft op 13 december 2023 een Zw-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag heeft het UWV met het primaire besluit van 1 november 2023 afgewezen, omdat de werknemer niet aan de voorwaarden voldoet voor een Zw-uitkering voor een werknemer met beperkingen die ziek wordt. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Het UWV is met het bestreden besluit van 25 maart 2024 op het bezwaar van eiseres bij de afwijzing van de aanvraag om een Zw-uitkering per 16 maart 2022 gebleven. Het UWV heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de no-riskpolis, omdat het dienstverband van de werknemer bij eiseres niet is aangevangen op of na 1 januari 2015.
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
In het verweerschrift heeft het UWV toegelicht dat uit de informatie zoals die bekend is bij het UWV blijkt dat het dienstverband van de werknemer bij eiseres is aangevangen voor 1 januari 2015, zodat eiseres geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 29b, tweede lid, onder e, van de Zw. Verder heeft het UWV eiseres verzocht alle contracten, indicatiestellingen en overige besluiten over te leggen om een volledig overzicht te verkrijgen van het arbeidsverleden van de werknemer sinds 1997 bij eiseres en om te bezien of daar consequenties aan moeten worden verbonden voor het bestreden besluit.
1.5.
De rechtbank heeft eiseres bij brief van 5 december 2024 in de gelegenheid gesteld in reactie op het verweerschrift dergelijke stukken over te leggen.
1.6.
Op 27 december 2024 heeft het UWV in een nader verweerschrift toegelicht dat uit de bij het UWV bekende stukken volgt dat de werknemer vóór 1 januari 2004 in dienst is gekomen van eiseres, zodat (ook) geen beroep kan worden gedaan op artikel 29b, tweede lid, onder d, van de Zw.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het UWV mr. T. Rook.
1.8.
Ter zitting heeft het UWV, met goedvinden van eiseres, een nader stuk ingebracht ter onderbouwing van het bestreden besluit.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht de aanvraag van werknemer om een Zw-uitkering heeft afgewezen omdat niet aan de voorwaarden van artikel 29b van de Zw (no-riskpolis) wordt voldaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunt van eiseres is beroep
3. Eiseres stelt dat de aanvraag van de werknemer om een Zw-uitkering onterecht is afgewezen omdat volgens haar wordt voldaan aan de voorwaarden van een no-riskpolis als bedoeld in artikel 29b, tweede lid, onderdeel d, van de Zw. Zij stelt daartoe het volgende. De werknemer is in 1997 in dienst gekomen op basis van een gesubsidieerde dienstbetrekking. Dat sprake was van een gesubsidieerde dienstbetrekking volgt weliswaar niet uit de aanstelling toentertijd maar is wel aannemelijk. Daarnaast blijkt uit een beschikking van burgemeester en wethouders van Rotterdam (dienst Sociale Zaken) van 20 februari 2006 dat de werknemer ook op dat moment was aangewezen op gesubsidieerde arbeid en dat de ID-loonkostensubsidie werd gehandhaafd. Vóór het jaar 2015 was de werknemer dan ook werkzaam in een gesubsidieerde dienstbetrekking op basis van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) of het Besluit in- en doorstroombanen (ID-besluit). Uit het dossier blijkt verder dat de werknemer per 1 januari 2015 is opgenomen in het Landelijk doelgroepregister. Dergelijke gesubsidieerde werknemers worden via artikel 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) gelijkgesteld met de arbeidsbeperkten waar in artikel 29b, tweede lid, onderdeel d, van de Zw naar wordt verwezen. Uit dit alles kan worden afgeleid dat de werknemer gedurende de gehele periode vanaf 1997 steeds valt onder de doelgroep waarvoor op basis van artikel 29b Zw de no-riskpolis wordt verstrekt aan de werkgever (in dit geval eiseres).
Kan eiseres een beroep doen op de no-riskpolis, als bedoeld in artikel 29b van de Zw?
4. Artikel 29b, tweede lid, onderdeel d, van de Zw waarop eiseres zich beroept, luidt als volgt:
“De werknemer die onmiddellijk voorafgaande aan zijn dienstbetrekking met een werkgever, niet zijnde een werkgever als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening, een dienstbetrekking had als bedoeld in artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening of een dienstbetrekking had, die is aangewezen op grond van artikel 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen of een nog geldende indicatiebeschikking had op grond van artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening, zoals dat artikel luidde op 31 december 2014, heeft vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen na aanvang van de dienstbetrekking. Het recht op ziekengeld van de werknemer, bedoeld in onderdeel c, ontstaat niet eerder dan zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Het recht op ziekengeld van de werknemer, bedoeld in onderdeel e, ontstaat niet eerder dan het moment waarop hij een arbeidsbeperkte wordt als bedoeld in artikel 38b, eerste of tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.”
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de degene die een Zw-uitkering aanvraag indient in het algemeen aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op die uitkering. Omdat eiseres stelt dat de aanvraag van haar werknemer onterecht is afgewezen, moet zij aannemelijk maken dat de werknemer op de datum in geding, 16 maart 2022, voldeed aan de voorwaarden van de no-riskpolis. Zij dient daartoe onder meer de nodige duidelijkheid te verschaffen over het arbeidsverleden van de werknemer. Uit de in beroep beschikbare stukken over het arbeidsverleden van de werknemer blijkt dat de werknemer sinds 1997 bij eiseres werkzaam is, dat zij in 2006 via een gesubsidieerde dienstbetrekking werkzaam was bij eiseres – zonder dat de juridische grondslag van die gesubsidieerde dienstbetrekking bekend is – en dat zij in 2015 in het Landelijke doelgroepenregister is opgenomen. Deze informatie is onvoldoende om te oordelen dat de werknemer onder de voorwaarden van artikel 29b, tweede lid, onderdeel d, van de Zw valt. Gelet op het arbeidsverleden zoals dat blijkt, is immers sprake van een dienstbetrekking tussen de werknemer en eiseres sinds 1997. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die dienstbetrekking onmiddellijk voor aanvang in 1997 is voorafgegaan door een dienstverband in de zin van artikel 38f van de Wfsv of artikel 11 van de WSW. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat werknemer op enig moment na 1997 een nieuwe (niet gesubsidieerde) dienstbetrekking is aangegaan.
4.2.
Het UWV heeft eiseres in de beroepsprocedure nogmaals de gelegenheid geboden om stukken te overleggen over het arbeidsverleden van de werknemer op basis waarvan getoetst kan worden of de werknemer onder de voorwaarden van de no-riskpolis valt. Dat dergelijke stukken vanwege het tijdsverloop niet langer beschikbaar of vindbaar zijn, zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht, komt gelet op de hiervoor onder 4.1 genoemde bewijslastverdeling, voor rekening van eiseres.
4.3.
Een ruimere uitleg van artikel 29b van de Zw, zoals eiseres voorstaat, waarbij uit de wel beschikbare informatie wordt afgeleid dat de werknemer naar de strekking van de no-riskpolis in aanmerking komt voor een Zw-uitkering, is geen ruimte. In de jurisprudentie van de CRvB wordt benadrukt dat uit de bedoeling van de wetgever blijkt dat de omvang van de doelgroep die onder de reikwijdte van artikel 29b van de Zw valt, limitatief is omschreven. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 29b van de Zw dat het artikel beoogt met de garantie van ziekengeld gedurende een aantal jaren na aanvang van de dienstbetrekking, werkgevers over de streep te trekken deze arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Een invulling van artikel 29b, tweede lid, onderdeel d, van de Zw zoals door eiseres ter zitting naar voren is gebracht, waarbij steeds naar een nieuw arbeidscontract tussen de zelfde werkgever (eiseres) en de werknemer wordt gekeken, is een te ruime opvatting. In het licht van de strekking van artikel 29b Zw, moet er voor een beroep op de no-riskpolis aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het concrete geval worden bepaald of sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst bij een andere werkgever. Nog los van het punt dat in deze zaak door eiseres niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van steeds nieuwe arbeidscontracten tussen de werkgever (eiseres) en de werknemer in de periode 1997 tot heden.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van de werknemer om een Zw-uitkering per 16 maart 2022 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
G.I. Heijblom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:506.
Zie CRvB van 20 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2415.
Onder meer CRvB van 16 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2426.
Zie ook CRvB van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO3300 en CRvB van 4 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4910, r.o. 6.3-6.5. Zie ook CRvB van 7 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0286, waarin de CRvB overweegt dat onder het begrip dienstbetrekking in artikel 29b van de Zw een nieuw dienstverband bij een nieuwe werkgever moet worden verstaan, dat is aangevangen nadat de betrokken werknemer arbeidsongeschikt is geworden, en dat daarvan niet kan worden gesproken als een nieuwe functie wordt vervuld bij dezelfde werkgever.