Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-01
ECLI:NL:RBNHO:2026:3555
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,008 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNHO:2026:3555 text/xml public 2026-04-07T15:27:49 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-01 HAA 26/1235 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Alkmaar Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3555 text/html public 2026-04-07T15:27:40 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3555 Rechtbank Noord-Holland , 01-04-2026 / HAA 26/1235 Vovo, oplegging onderzoek naar rijgeschiktheid, rijbewijs geschorst. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/1235 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit Heerhugowaard, verzoeker en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: J.J. Kwant). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR van 11 februari 2026 waarbij aan hem een onderzoek naar zijn geschiktheid is opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs gedurende dit onderzoek is geschorst. 1.2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen verzoeker, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het CBR. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet sprake zijn van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter is in het onderhavige geval van oordeel dat de omstandigheden maken dat de spoedeisendheid kan worden aangenomen. 4. Het CBR heeft een mededeling ex artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) ontvangen van de Politie Eenheid Noord-West Holland, district Zaanstreek -Waterland. In het ter zake opgemaakte proces-verbaal is gerelateerd dat bij verzoeker als bestuurder van een motorvoertuig op 25 januari 2026 een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 595 µg/l. Het CBR heeft daarop het besluit van 11 februari 2026 genomen. 5. Het CBR geeft met het besluit tot het opleggen aan verzoeker van de verplichting tot het laten doen van een onderzoek naar het alcoholgebruik van verzoeker en de schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs toepassing aan artikel 131 van de Wvw in samenhang met de artikelen 5, 6 en 23 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). 6. In geschil is of verzoeker in de nacht van 25 januari 2026 is opgetreden als bestuurder. 7. Het CBR meent dat dit het geval is en wijst op de in het dossier aanwezige processen-verbaal. Verzoeker betwist het toen en daar geweest zijn van de bestuurder van de auto. Hij heeft op 25 januari 2026 geen vragen van de politie over het gebeurde willen beantwoorden maar heeft ter zitting van de voorzieningenrechter uiteengezet wat er zijns inziens is voorgevallen. 8. Uit de stukken komt naar voren dat de politie verzoeker op 25 januari 2026 rond 4.30 uur heeft aangetroffen bij een onderzoek naar een verkeersongeval. Verzoeker zat toen op de bestuurdersstoel van de aan hem toebehorende en bij dat verkeersongeval betrokken auto. Geconstateerd werd dat verzoeker geen jas aanhad en dat de gevoelstemperatuur op dat moment -7 graden Celsius was. De politie heeft in de omgeving van de auto geen andere personen aangetroffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit alles er op wijst dat het verzoeker is geweest die de auto heeft bestuurd. 9. Ter zitting heeft verzoeker betoogd dat niet hij maar een ander toen en daar de bestuurder van de auto is geweest. De zakelijk weergave van dit relaas is als volgt: Ik zou gaan poolen met vrienden. Ik was niet van plan om te gaan drinken, dus was daarom met de auto gekomen. Toen kregen we die avond te horen dat een vriend van mij vader wordt. Daarom wilde ik toch een drankje doen en besloot om met de bus terug naar huis te gaan en de auto te laten staan. Uiteindelijk zijn we nog de stad in geweest en ben ik met één vriend overgebleven. Die vriend moest eerder weg, waardoor ik alleen overbleef met twee andere jongens die wij die avond hadden ontmoet. Mijn jas is die avond tijdens het uitgaan gestolen of aan een verkeerd persoon meegegeven. Daarom had ik geen jas en rijbewijs bij me. Het was die avond vrij koud. De twee jongens die ik had ontmoet zagen dat ik geen jas had en boden aan om samen met mijn auto terug te gaan en een van de twee zou rijden. Ik stemde hiermee in. We reden eerst naar Alkmaar Noord om de eerste jongen af te zetten. De andere woonde bij mij in de buurt, in Heerhugowaard. Onderweg naar Alkmaar Noord is het ongeluk gebeurd. Tijdens de rit verloor de bestuurder de macht over het stuur en we belandden in de berm. Wij zijn toen alle drie uitgestapt en kregen ruzie. Zij zijn uiteindelijk allebei weggelopen en ik bleef alleen over bij de auto. Ik heb toen meerdere mensen gebeld, waaronder mijn broer, om te vragen wat ik moest doen. Uiteindelijk kwam de politie en ben ik aangehouden. Ik heb toen niets verklaard omdat ik onder invloed was en omdat ik die jongen niet wilde verraden. Ik heb mijn jas en rijbewijs nog niet terug. Ik heb aangifte gedaan, maar daar is niks mee gedaan. Ik heb nog een e-mail gestuurd naar de plek in de stad waar wij waren, maar ook daar is niks gevonden. De auto is later afgevoerd en naar de sloop gebracht. 10. De voorzieningenrechter acht het relaas van verzoeker niet op voorhand ongeloofwaardig. Bovendien spoort een aantal elementen ervan met de bevindingen van de politie, zoals het gegeven dat verzoeker op het moment van aantreffen geen jas aan had. Zij stelt echter tevens vast dat het relaas van verzoeker op geen enkel ander onderdeel dan de zojuist bedoelde elementen wordt onderbouwd met verifieerbare gegevens, zoals verklaringen van derden. Dat een dergelijke onderbouwing onmogelijk zou zijn geweest is gesteld noch gebleken. De voorzieningenrechter volgt verzoeker uiteindelijk dan ook niet in zijn versie van het gebeurde. Zij is dus van oordeel dat bij deze stand van zaken in voldoende mate vaststaat dat verzoeker is opgetreden als bestuurder. 11. Voor zover verzoeker stelt dat hij vanwege de schorsing van zijn rijbewijs zijn werkzaamheden als koerier niet kan verrichten, hierdoor inkomen misloopt en hij door de opgelegde maatregel in de schulden komt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De toepasselijke bepalingen uit de Wvw en de Regeling laten geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. Daarvan is de voorzieningenrechter echter niet gebleken. De situatie van verzoeker wijkt niet af van die van andere personen van wie het rijbewijs is geschorst en die voor hun werk afhankelijk zijn van dat rijbewijs, met alle financiële gevolgen van dien. Tevens zijn door verzoeker geen stukken overgelegd waaruit volgt dat door de opgelegde maatregel schulden ontstaan. Conclusie en gevolgen 12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924.