Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-06-26
ECLI:NL:RBNHO:2025:15994
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
8,106 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15994 text/xml public 2026-04-15T13:47:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-06-26 HAA 25/2516 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15994 text/html public 2026-04-15T13:46:36 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15994 Rechtbank Noord-Holland , 26-06-2025 / HAA 25/2516 Het CBR heeft betrokkene een medisch onderzoek opgelegd en, nadat de oplegkosten niet tijdig voldaan waren, het rijbewijs ongeldig verklaard. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Verkeersveiligheid weegt zwaarder dan de belangen van betrokkene. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2516 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: [naam] ), en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: mr. drs. M.M. Kleijbeuker). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de oplegging van een medisch onderzoek aan verzoekster en de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het besluit van 18 maart 2025 (besluit 1) heeft het CBR beslist dat verzoekster een medisch onderzoek moet laten doen. Verzoekster moet de opleggingskosten en onderzoekskosten zelf betalen. De opleggingskosten ter hoogte van € 386,- moet verzoekster vóór 22 april 2025 voldoen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. 2.1. Met het besluit van 29 april 2025 (besluit 2) heeft het CBR het rijbewijs van verzoekster vanaf 6 mei 2025 ongeldig verklaard, omdat zij de opleggingskosten niet (tijdig) heeft betaald. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster (tevens de echtgenoot van verzoekster) en de gemachtigde van het CBR. Totstandkoming besluiten 3. Het CBR ontving van de politie op 29 januari 2025 een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) over verzoekster. Volgens de politie is sprake van een vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Bij deze mededeling was een mutatierapport met datum 23 januari 2025 gevoegd, waarin het volgende staat over wat er is gebeurd op 22 januari 2025 (rond 05:15): “Toelichting bij incident Stond rapp op het puntstuk thv rotonde C. Blaauboerstraat met de N241 (voertuigen controleren) toen genoemd voertuig naast mij stil kwam staan op de rijbaan. De bestuurster stapte uit het voertuig, begon over Jezus Christus te brabbelen en liep naar een lantaarnpaal. Daar trok ze een papiertje vanaf en liep schreeuwend en tierend naar rapp. Ik zou het papiertje afkeuren?!?! Rapp vroeg naar het rijbewijs van mevrouw, maar daar had ze geen boodschap aan en ze reed weg. Rapp erachter aan en het voertuig kunnen staande houden op de Priggeweg. Mevrouw weigerde na meermaals vorderen het rijbewijs te geven, want dat vond ze niet nodig. Haar hiervoor bekeurd. Op kenteken gekeken en zag op het GBA adres [verzoekster] ingeschreven (RDW foto kwam overeen) . Meerdere recente GGZ-meldingen op haar naam waarin het ook over Jezus Christus ging. Mevrouw brabbelde van alles over God. Hierna is rapp met vervolg gegaan, maar werd gevolgd door [verzoekster] . Rapp keerde over het fietspad, maar bleef gevolgd worden door [verzoekster] (ook over het fietspad) . Haar weer staande en gevraagd waar ze mee bezig was door over het fietspad mij te volgen. Zij vond dat ze dit mocht, omdat ze mijn salaris betaalde?!? Haar hiervoor ook een bekeuring aangezegd. Hierna heb ik haar gevorderd weg te gaan uit Schagen en ze vertrok.” 4. Naar aanleiding van de mededeling en het daarbij gevoegde mutatierapport heeft het CBR beslist dat verzoekster een medisch onderzoek moet laten doen. Reden daarvoor is dat het CBR twijfelt aan de geestelijke geschiktheid van verzoekster. In dit besluit 1 staat ook dat verzoekster de opleggingskosten en de kosten van het medisch onderzoek moet betalen en in de toelichting bij het besluit staat dat, ook al is bezwaar gemaakt, zij deze kosten toch moet betalen, omdat anders het rijbewijs ongeldig verklaard wordt. Omdat verzoekster de opleggingskosten niet heeft voldaan vóór 22 april 2025 heeft het CBR met het besluit 2 het rijbewijs van verzoekster vanaf 6 mei 2025 ongeldig verklaard. Standpunt verzoekster 5. Verzoekster voert aan dat de melding en het mutatierapport onjuistheden en subjectieve interpretaties bevatten. Zo is de boete voor de vermeende verkeersovertreding door het OM vernietigd, omdat de gedraging onvoldoende kon worden vastgesteld. Het uitgangspunt dat mag worden uitgegaan van de juistheid van wat door de politieambtenaar is opgesteld vervalt hierdoor volgens verzoekster. Verder voert verzoekster aan dat het niet aan onbevoegde politieambtenaren is om een medische diagnose te stellen. Verzoekster betwist dat sprake is van verwardheid of concentratiestoornissen, zij heeft slechts uiting gegeven aan haar religieuze overtuiging. Standpunt CBR 6. Het CBR stelt zich – samengevat – op het standpunt dat gelet op de inhoud van de mededeling van de politie ten opzichte van verzoekster een vermoeden bestaat van ongeschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Dit vermoeden moet in het belang van de verkeersveiligheid onderzocht worden tijdens een onderzoek naar verzoeksters geestelijke geschiktheid. Verzoekster is, ook ondanks het indienen van bezwaar, verplicht om hieraan mee te werken. Hieronder valt ook het tijdig betalen van de opleggings- en onderzoekskosten. Nu verzoekster de opleggingskosten niet heeft betaald, kan het vermoeden van ongeschiktheid niet onderzocht worden en bestaat dit dus nog steeds. Het CBR kon dan ook niet anders dan overgaan tot ongeldigverklaring van verzoeksters rijbewijs. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wettelijk kader 7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Spoedeisend belang 8. Verzoekster heeft met een verklaring van haar ouders onderbouwd dat zij hen belangrijke mantelzorg verleent en dat zij daarvoor afhankelijk is van haar rijbewijs. Ook heeft verzoekster toegelicht dat zij haar rijbewijs nodig heeft om met de auto naar haar werk te gaan. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang gelegen. Oordeel voorzieningenrechter 9. Uit artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 volgt dat het CBR op basis van de beschreven feiten en omstandigheden een keuze moet maken of er een maatregel dan wel een onderzoek opgelegd moet worden en of dat gericht is op de rijvaardigheid of de geschiktheid. 10. In het geval van verzoekster heeft het CBR, op basis van de door de politie aangeleverde informatie, besloten tot het opleggen van een medisch onderzoek vanwege de ontstane twijfel aan de geestelijke geschiktheid van verzoekster.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2025:15994 text/xml public 2026-04-15T13:47:49 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-06-26 HAA 25/2516 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15994 text/html public 2026-04-15T13:46:36 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15994 Rechtbank Noord-Holland , 26-06-2025 / HAA 25/2516 Het CBR heeft betrokkene een medisch onderzoek opgelegd en, nadat de oplegkosten niet tijdig voldaan waren, het rijbewijs ongeldig verklaard. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Verkeersveiligheid weegt zwaarder dan de belangen van betrokkene. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2516 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: [naam] ), en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: mr. drs. M.M. Kleijbeuker). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de oplegging van een medisch onderzoek aan verzoekster en de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het besluit van 18 maart 2025 (besluit 1) heeft het CBR beslist dat verzoekster een medisch onderzoek moet laten doen. Verzoekster moet de opleggingskosten en onderzoekskosten zelf betalen. De opleggingskosten ter hoogte van € 386,- moet verzoekster vóór 22 april 2025 voldoen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. 2.1. Met het besluit van 29 april 2025 (besluit 2) heeft het CBR het rijbewijs van verzoekster vanaf 6 mei 2025 ongeldig verklaard, omdat zij de opleggingskosten niet (tijdig) heeft betaald. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster (tevens de echtgenoot van verzoekster) en de gemachtigde van het CBR. Totstandkoming besluiten 3. Het CBR ontving van de politie op 29 januari 2025 een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) over verzoekster. Volgens de politie is sprake van een vermoeden dat verzoekster niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Bij deze mededeling was een mutatierapport met datum 23 januari 2025 gevoegd, waarin het volgende staat over wat er is gebeurd op 22 januari 2025 (rond 05:15): “Toelichting bij incident Stond rapp op het puntstuk thv rotonde C. Blaauboerstraat met de N241 (voertuigen controleren) toen genoemd voertuig naast mij stil kwam staan op de rijbaan. De bestuurster stapte uit het voertuig, begon over Jezus Christus te brabbelen en liep naar een lantaarnpaal. Daar trok ze een papiertje vanaf en liep schreeuwend en tierend naar rapp. Ik zou het papiertje afkeuren?!?! Rapp vroeg naar het rijbewijs van mevrouw, maar daar had ze geen boodschap aan en ze reed weg. Rapp erachter aan en het voertuig kunnen staande houden op de Priggeweg. Mevrouw weigerde na meermaals vorderen het rijbewijs te geven, want dat vond ze niet nodig. Haar hiervoor bekeurd. Op kenteken gekeken en zag op het GBA adres [verzoekster] ingeschreven (RDW foto kwam overeen) . Meerdere recente GGZ-meldingen op haar naam waarin het ook over Jezus Christus ging. Mevrouw brabbelde van alles over God. Hierna is rapp met vervolg gegaan, maar werd gevolgd door [verzoekster] . Rapp keerde over het fietspad, maar bleef gevolgd worden door [verzoekster] (ook over het fietspad) . Haar weer staande en gevraagd waar ze mee bezig was door over het fietspad mij te volgen. Zij vond dat ze dit mocht, omdat ze mijn salaris betaalde?!? Haar hiervoor ook een bekeuring aangezegd. Hierna heb ik haar gevorderd weg te gaan uit Schagen en ze vertrok.” 4. Naar aanleiding van de mededeling en het daarbij gevoegde mutatierapport heeft het CBR beslist dat verzoekster een medisch onderzoek moet laten doen. Reden daarvoor is dat het CBR twijfelt aan de geestelijke geschiktheid van verzoekster. In dit besluit 1 staat ook dat verzoekster de opleggingskosten en de kosten van het medisch onderzoek moet betalen en in de toelichting bij het besluit staat dat, ook al is bezwaar gemaakt, zij deze kosten toch moet betalen, omdat anders het rijbewijs ongeldig verklaard wordt. Omdat verzoekster de opleggingskosten niet heeft voldaan vóór 22 april 2025 heeft het CBR met het besluit 2 het rijbewijs van verzoekster vanaf 6 mei 2025 ongeldig verklaard. Standpunt verzoekster 5. Verzoekster voert aan dat de melding en het mutatierapport onjuistheden en subjectieve interpretaties bevatten. Zo is de boete voor de vermeende verkeersovertreding door het OM vernietigd, omdat de gedraging onvoldoende kon worden vastgesteld. Het uitgangspunt dat mag worden uitgegaan van de juistheid van wat door de politieambtenaar is opgesteld vervalt hierdoor volgens verzoekster. Verder voert verzoekster aan dat het niet aan onbevoegde politieambtenaren is om een medische diagnose te stellen. Verzoekster betwist dat sprake is van verwardheid of concentratiestoornissen, zij heeft slechts uiting gegeven aan haar religieuze overtuiging. Standpunt CBR 6. Het CBR stelt zich – samengevat – op het standpunt dat gelet op de inhoud van de mededeling van de politie ten opzichte van verzoekster een vermoeden bestaat van ongeschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Dit vermoeden moet in het belang van de verkeersveiligheid onderzocht worden tijdens een onderzoek naar verzoeksters geestelijke geschiktheid. Verzoekster is, ook ondanks het indienen van bezwaar, verplicht om hieraan mee te werken. Hieronder valt ook het tijdig betalen van de opleggings- en onderzoekskosten. Nu verzoekster de opleggingskosten niet heeft betaald, kan het vermoeden van ongeschiktheid niet onderzocht worden en bestaat dit dus nog steeds. Het CBR kon dan ook niet anders dan overgaan tot ongeldigverklaring van verzoeksters rijbewijs. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wettelijk kader 7. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Spoedeisend belang 8. Verzoekster heeft met een verklaring van haar ouders onderbouwd dat zij hen belangrijke mantelzorg verleent en dat zij daarvoor afhankelijk is van haar rijbewijs. Ook heeft verzoekster toegelicht dat zij haar rijbewijs nodig heeft om met de auto naar haar werk te gaan. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende spoedeisend belang gelegen. Oordeel voorzieningenrechter 9. Uit artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 volgt dat het CBR op basis van de beschreven feiten en omstandigheden een keuze moet maken of er een maatregel dan wel een onderzoek opgelegd moet worden en of dat gericht is op de rijvaardigheid of de geschiktheid. 10. In het geval van verzoekster heeft het CBR, op basis van de door de politie aangeleverde informatie, besloten tot het opleggen van een medisch onderzoek vanwege de ontstane twijfel aan de geestelijke geschiktheid van verzoekster.
Volledig
Nu de boete niet ten grondslag gelegd is aan het besluit tot oplegging van het medisch onderzoek, is de omstandigheid dat de boete geseponeerd is niet van belang. 11. In de omstandigheid dat de boete is geseponeerd is evenmin een grond gelegen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het mutatierapport. Volgens vaste rechtspraak mag het CBR namelijk uitgaan van de juistheid van door politieambtenaren opgestelde rapporten, waaronder ook mutatierapporten begrepen worden. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat het relaas van verzoekster op de zitting over wat er zich op 22 januari 2025 heeft afgespeeld tussen haar en de politieambtenaar in grote lijnen overeenkomt met wat in het mutatierapport is beschreven. Ook zij verklaarde dat zij is gestopt, een papiertje – dat zij daarvoor aan de lantaarnpaal bevestigd had – ervan af gehaald heeft en dat zij gesproken heeft over haar geloof, en dat zij de politieambtenaar heeft gevolgd over het fietspad. In het mutatierapport is beschreven dat verzoekster tierend en schreeuwend op de politieambtenaar af kwam, brabbelde over Jezus Christus en God en niet bereid was haar rijbewijs te tonen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze waarnemingen. Politieambtenaren moeten als onafhankelijke ervaringsdeskundigen voldoende in staat worden geacht het gedrag te observeren en te registreren. Zij hebben geen enkel belang bij het opnemen van onjuistheden in de stukken. 12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er terecht een vermoeden ontstaan van ongeschiktheid. De in het mutatierapport beschreven gedragingen zijn voldoende concreet om te twijfelen aan de geestelijke geschiktheid van verzoekster. In tegenstelling tot wat verzoekster veronderstelt is er geen sprake van het stellen van een diagnose door de politieambtenaar, maar heeft deze beschreven welke gedragingen tot het vermoeden leiden. De voorzieningenrechter benadrukt voorts dat voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts vereist is dat er een vermoeden van ongeschiktheid wordt vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe om tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Omdat het vermoeden gerechtvaardigd is, was het CBR gehouden om een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. 13. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat de besluiten in strijd zijn met de menselijke maat en disproportioneel zijn. Zij wijst daarbij onder andere op haar taken als mantelzorger van haar ouders. 14. Volgens vaste rechtspraak laten de toepasselijke bepalingen uit de WVW 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. 15. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekster lastig is om zonder rijbewijs voor haar ouders te kunnen zorgen en bij haar werk te komen. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat maakt dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. Bij besluiten over de rijvaardigheid en rijgeschiktheid staat het belang van de verkeersveiligheid voorop. Bij veel mensen zal de ongeldigverklaring van het rijbewijs, net als bij verzoekster, leiden tot problemen ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden. De problemen van verzoekster wegen echter niet op tegen het belang van de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat verzoekster haar rijbewijs had kunnen behouden als zij de opleggingskosten (tijdig) betaald had. De geldigheid van haar rijbewijs was immers niet geschorst. 16. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen 17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en dat de oplegging van met medisch onderzoek en de ongeldigverklaring van haar rijbewijs niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. WVW 1994 Artikel 130 1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. (…) Artikel 131 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen. (…) Artikel 132 1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich: a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. 2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van: a. de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen. 3. Het CBR doet van het besluit mededeling aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen of instanties. 4. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt. (…) Artikel 133 1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. 2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht. 3. Het onderzoek kan in gedeelten plaatsvinden.
Volledig
Nu de boete niet ten grondslag gelegd is aan het besluit tot oplegging van het medisch onderzoek, is de omstandigheid dat de boete geseponeerd is niet van belang. 11. In de omstandigheid dat de boete is geseponeerd is evenmin een grond gelegen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het mutatierapport. Volgens vaste rechtspraak mag het CBR namelijk uitgaan van de juistheid van door politieambtenaren opgestelde rapporten, waaronder ook mutatierapporten begrepen worden. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat het relaas van verzoekster op de zitting over wat er zich op 22 januari 2025 heeft afgespeeld tussen haar en de politieambtenaar in grote lijnen overeenkomt met wat in het mutatierapport is beschreven. Ook zij verklaarde dat zij is gestopt, een papiertje – dat zij daarvoor aan de lantaarnpaal bevestigd had – ervan af gehaald heeft en dat zij gesproken heeft over haar geloof, en dat zij de politieambtenaar heeft gevolgd over het fietspad. In het mutatierapport is beschreven dat verzoekster tierend en schreeuwend op de politieambtenaar af kwam, brabbelde over Jezus Christus en God en niet bereid was haar rijbewijs te tonen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze waarnemingen. Politieambtenaren moeten als onafhankelijke ervaringsdeskundigen voldoende in staat worden geacht het gedrag te observeren en te registreren. Zij hebben geen enkel belang bij het opnemen van onjuistheden in de stukken. 12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er terecht een vermoeden ontstaan van ongeschiktheid. De in het mutatierapport beschreven gedragingen zijn voldoende concreet om te twijfelen aan de geestelijke geschiktheid van verzoekster. In tegenstelling tot wat verzoekster veronderstelt is er geen sprake van het stellen van een diagnose door de politieambtenaar, maar heeft deze beschreven welke gedragingen tot het vermoeden leiden. De voorzieningenrechter benadrukt voorts dat voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts vereist is dat er een vermoeden van ongeschiktheid wordt vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe om tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Omdat het vermoeden gerechtvaardigd is, was het CBR gehouden om een onderzoek naar de geschiktheid op te leggen. 13. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat de besluiten in strijd zijn met de menselijke maat en disproportioneel zijn. Zij wijst daarbij onder andere op haar taken als mantelzorger van haar ouders. 14. Volgens vaste rechtspraak laten de toepasselijke bepalingen uit de WVW 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. 15. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekster lastig is om zonder rijbewijs voor haar ouders te kunnen zorgen en bij haar werk te komen. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat maakt dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. Bij besluiten over de rijvaardigheid en rijgeschiktheid staat het belang van de verkeersveiligheid voorop. Bij veel mensen zal de ongeldigverklaring van het rijbewijs, net als bij verzoekster, leiden tot problemen ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden. De problemen van verzoekster wegen echter niet op tegen het belang van de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat verzoekster haar rijbewijs had kunnen behouden als zij de opleggingskosten (tijdig) betaald had. De geldigheid van haar rijbewijs was immers niet geschorst. 16. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen 17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en dat de oplegging van met medisch onderzoek en de ongeldigverklaring van haar rijbewijs niet worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. WVW 1994 Artikel 130 1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. (…) Artikel 131 1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen. (…) Artikel 132 1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich: a. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. 2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. Als het niet verlenen van de vereiste medewerking wordt mede aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn of termijnen die is of zijn aangegeven bij het besluit waarbij de verplichting tot een van de hierna genoemde maatregelen is opgelegd, of het niet voldoen van de kosten op de in dat besluit aangegeven wijze, van: a. de bij ministeriële regeling aangewezen educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of b. het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, indien deze kosten op grond van artikel 133, vierde lid, voor rekening van betrokkene komen. 3. Het CBR doet van het besluit mededeling aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen of instanties. 4. De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt. (…) Artikel 133 1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. 2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht. 3. Het onderzoek kan in gedeelten plaatsvinden.