Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-11
ECLI:NL:RBNHO:2026:2941
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,715 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 text/xml public 2026-04-07T10:09:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-11 11930072 \ CV EXPL 25-7081 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 text/html public 2026-04-07T10:09:00 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2941 Rechtbank Noord-Holland , 11-03-2026 / 11930072 \ CV EXPL 25-7081 Ambtshalve toetsing. Declaratie van professioneel juridisch dienstverlener. Oneerlijk kostenbeding. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11930072 \ CV EXPL 25-7081 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van [eiser] , handelend onder de naam [bedrijf] , te [plaats 1], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. S.R. van der Boom, tegen [gedaagde] , te [plaats 2], gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. J. de Haan. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 13, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 3, - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 16, - het tussenvonnis van 14 januari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, - de brief van [gedaagde] met aanvullende producties 4 tot en met 6, - de mondelinge behandeling van 12 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarop door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. De zaak in het kort [eiser] heeft aan [gedaagde] juridische bijstand verleend. [gedaagde] heeft de daarvoor verzonden facturen grotendeels onbetaald gelaten. [gedaagde] vindt dat zij niets aan [eiser] verschuldigd is omdat hij haar (samengevat) niet goed heeft geïnformeerd, zijn werk niet goed heeft gedaan en misbruik van haar situatie heeft gemaakt. Zij wil daarom juist haar betaling van [eiser] terug. De kantonrechter past ambtshalve het consumentenrecht toe en wijst de vordering van [eiser] af en de vordering van [gedaagde] toe. 2 Feiten 2.1. Op 24 november 2023 heeft [gedaagde] zich via een digitaal formulier op de website van [eiser] aangemeld voor juridische bijstand in een geschil met haar werkgever. 2.2. Op 27 november 2023 heeft [eiser] de opdracht bevestigd waarna [gedaagde] de opdracht digitaal heeft ondertekend. 2.3. In de opdrachtbevestiging staat onder meer het volgende: “ Je hebt ons kantoor opdracht gegeven tot het verrichten van juridische diensten inzake een arbeidsgeschil me je werkgever (…). Meer specifiek heb je ons verzocht je rechtspositie te beoordelen ten aanzien van de tekortkomingen aan de zijde van je werkgever. Beoordeeld dient te worden wat je rechtspositie en wat de beste vervolgstappem zijn in de gegeven situatie. (…) De werkzaamheden zijn in beginsel beperkt tot het beoordelen van cliënte haar rechtspositie. Voor de goede orde merken wij op dat wij tevens tot deze opdracht alle verdere werkzaamheden rekenen die uit de opdracht voortvloeien of daarmee verband houden. Je kunt de opdracht op elk gewenst moment beëindigen of intrekken, met dien verstande dat inmiddels door ons gemaakte kosten en bestede tijd dienen te worden vergoed. Werkwijze en uitvoering opdracht Zoals aangegeven is het verder verloop van de zaak afhankelijk van je rechtspositie. Dit zullen we nader bepalen aan de hand van de stukken die we van je hebben ontvangen. Zodoende zijn de werkzaamheden beperkt tot een juridische beoordeling tegen een uurtarief. Eventuele vervolgwerkzaamheden en de daarbij behorende tariefstelling zal na voornoemd onderzoek in onderling overleg bepaald worden. (…) Kosten/tarief Voor het beoordelen van je rechtspositie reken wij een tarief van 125,- euro exclusief btw per uur, tenzij anders schriftelijk overeengekomen. Voornoemde bedragen zijn exclusief belaste en onbelaste verschotten. Verschotten zijn de voor jou door mij gedane uitgaven, zoals griffierecht, reis- en verblijfkosten en deurwaarderskosten. De kosten van de dienstverlening worden in beginsel eens per maand bij je in rekening gebracht aan de hand van de bestede tijd/gemaakte kosten. De bestede tijd wordt je in rekening gebracht per tijdseenheid van zes minuten. De gemaakte kosten (zoals deurwaarderskosten, griffierecht, uittreksels) worden afzonderlijk en gespecificeerd in rekening gebracht. De reistijd wordt in beginsel in rekening gebracht tegen het normale uurtarief. De kilometerkosten brengen wij je niet in rekening. Bij de nota is een specificatie gevoegd. In het geval dat deze niet is bijgevoegd kun je deze opvragen tot aan 25 werkdagen na dagtekening van de verzonden nota. Op deze specificatie staan de verrichte werkzaamheden vermeld met de datum waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en een korte omschrijving van hetgeen is uitgevoerd, inclusief de verrichte tijd en de berekende kosten.” 2.4. [eiser] heeft vervolgens diverse werkzaamheden voor [gedaagde] verricht. Op 4 juli 2024 heeft hij [gedaagde] een concept toegestuurd van een e-mail aan (de advocaat van) de werkgever van [eiser]. In het begeleidend schrijven staat dat hij tot op dat moment 43,5 declarabele uren heeft geregistreerd. 2.5. Op 4 november 2024 heeft een medewerkster van [eiser] per e-mail de specificaties van de werkzaamheden over de periode januari 2024 tot en met oktober 2024 aan [gedaagde] gezonden met het verzoek hiermee akkoord te gaan. Op 5 december 2024 heeft zij dit verzoek herhaald. 2.6. Op 31 december 2024 heeft [gedaagde] dertien facturen van [eiser] ontvangen met een totaalbedrag van € 19.744,15, te betalen binnen veertien dagen. Op een later moment heeft [gedaagde] van [eiser] nog een factuur van € 3.251,88 en een factuur van € 1.400,75 ontvangen. [eiser] heeft voor zijn diensten in totaal € 24.396,78 bij [gedaagde] in rekening gebracht. 2.7. Op 8 januari 2025 heeft [gedaagde] € 3.426,70 aan [eiser] betaald. 2.8. Op 21 januari 2025 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiser] laten weten dat zij op één registratie na akkoord gaat met de geregistreerde specificaties. Ook heeft zij aangegeven akkoord te kunnen gaan met betaling van € 75,00 per maand tot de zaak is afgerond. 2.9. Op 3 februari 2025 heeft de medewerkster van [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven: “ Allereerst willen wij benadrukken dat wij volledig begrip hebben voor uw financiële situatie. Echter, zoals in eerdere gesprekken telefonisch toegelicht, zijn er in goed overleg geen tussentijdse nota’s uitgebracht. Dit beleid hanteren wij regelmatig in vergelijkbare dossiers, aangezien praktijk leert dat bij een schikking een nota voor de diensten doorgaans op naam van de werkgever wordt gesteld en de kosten zodoende, al dan niet volledig, door de werkgever worden gedragen. Dit beleid dient echter niet te worden opgevat als een toezegging of garantie dat facturatie altijd achterwege blijft of dat de werkgever de kosten in alle gevallen volledig zal vergoeden . (…) Wij begrijpen dat de facturatie voor u onverwacht kwam en betreuren dat dit tot onduidelijkheid heeft geleid. Tegelijkertijd hopen wij dat u begrijpt dat het uitblijven van facturen in de eerste fase van onze dienstverlening niet betekent dat wij afstand hebben gedaan van onze aanspraak op vergoeding van de verrichte werkzaamheden. Wij zijn uiteraard bereid om met u in gesprek te blijven over een passende betalingsregeling, zodat de voortgang van uw zaak niet onnodig in het geding komt. Deze betalingsregeling is, conform het door u gedane betalingsvoorstel van 75,- per maand, inclusief pandakte hedenmorgen aan u toegezonden (…) ” 2.10. Op 10 februari 2025 heeft mr. De Haan aan [eiser] meegedeeld dat hij de juridische bijstand aan [gedaagde] in het arbeidsrechtelijk geschil overneemt. 2.11. Per brief van 5 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 20.969,81 en de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. 2.12. Op 22 april 2025 is tussen [gedaagde] en haar werkgever een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen.
Volledig
3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 20.485,81, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij aan [gedaagde] in haar opdracht juridische bijstand heeft verleend in een geschil met haar werkgever, maar dat [gedaagde] weigert de daarvoor verzonden facturen (volledig) te voldoen. Van het in totaal in rekening gebrachte bedrag van € 24.396,78 heeft [gedaagde] € 20.485,81 onbetaald gelaten. 3.3. [gedaagde] betwist de vordering. Zij betoogt dat de overeenkomst vernietigbaar is, althans dat [eiser] geen aanspraak kan maken op betaling van de facturen althans dat toewijzing van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Subsidiair doet [gedaagde] een beroep op matiging. 3.4. [gedaagde] voert daartoe in de eerste plaats aan dat [eiser] niet heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zo is zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet gewezen op het herroepingsrecht en is haar geen realistische inschatting van de kosten gegeven, waardoor zij niet in staat was de financiële consequenties van de overeenkomst te overzien. Bovendien is volgens [gedaagde] sprake van een oneerlijk kostenbeding. 3.5. Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser] zijn zorgplicht als opdrachtnemer heeft geschonden door langdurige, inefficiënte werkzaamheden te verrichten en haar schikkingsvoorstellen af te raden op basis van een onjuiste voorstelling van zaken. Hiermee heeft hij niet gehandeld in het belang van [gedaagde] maar haar positie juist verslechterd. 3.6. Ook betoogt [gedaagde] dat [eiser] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Volgens [gedaagde] was [eiser] volledig op de hoogte van haar kwetsbare psychische toestand, waardoor zij zich tegenover hem in een afhankelijke en kwetsbare positie bevond. Doordat [eiser] haar plotseling dertien facturen stuurde, aandrong op betalingsregelingen, verdere werkzaamheden aan financiële instemming koppelde en met een schuldbekentenis en pandakte aankwam, heeft [gedaagde] ingestemd met rechtshandelingen die voor haar nadelig waren. Volgens [gedaagde] wist [eiser] dat zij onder normale omstandigheden hier nooit mee zou hebben ingestemd. 3.7. Daarnaast betwist [gedaagde] de juistheid van de facturen. in reconventie 3.8. In lijn met haar verweer in conventie vordert [gedaagde] in reconventie dat [eiser] op grond van onverschuldigde betaling , althans wanprestatie , althans onrechtmatige daad , wordt veroordeeld tot (terug)betaling van € 3.426,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025. 3.9. [eiser] voert verweer tegen de tegenvordering. 3.10. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie Ambtshalve toetsing 4.1. De kantonrechter is gelet op het Dexia-arrest , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in een met een consument gesloten overeenkomst en in algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is. Het kostenbeding 4.2. De overeenkomst is vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 27 november 2023. Daarin is onder meer opgenomen dat de werkzaamheden in rekening worden gebracht tegen een tarief van € 125,00 per uur inclusief btw en dat in beginsel maandelijks zal worden gefactureerd en een specificatie zal worden bijgevoegd. De kantonrechter is van oordeel dat dit kostenbeding een kernbeding is. Kernbedingen worden in beginsel niet getoetst op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn, tenzij ze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd en er niet afzonderlijk over onderhandeld is. 4.3. Beoordeeld moet daarom worden of het kostenbeding transparant is. In dit verband is het arrest van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Europees Hof) van 12 januari 2023 relevant. In deze uitspraak heeft het Europees Hof zich uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin (samengevat) de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn. Het Europees Hof heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen (overweging 40). Verder heeft het Europees Hof overwogen dat een advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen (overweging 43). Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Het kostenbeding is niet transparant 4.4. De kantonrechter is van oordeel dat het in de overeenkomst opgenomen kostenbeding niet transparant is. Op basis van het enkel noemen van een uurtarief is niet in te schatten hoeveel uren door [eiser] zullen worden besteed. Hierdoor zijn ook de totale kosten niet bij benadering in te schatten voor [gedaagde]. Het aantal in rekening te brengen uren en kosten is in de overeenkomst ook niet beperkt, zodat [eiser] op basis van het kostenbeding in beginsel ongelimiteerd kan declareren. Weliswaar staat in de voorwaarden dat [eiser] maandelijks zal factureren, maar in dat tijdsbestek kunnen de kosten al zo omvangrijk zijn, dat daarmee de transparantie onvoldoende wordt hersteld. Bovendien is het de vraag of tussen partijen feitelijk wel is overeengekomen dat [eiser] maandelijks zou factureren. [eiser] heeft immers (zoals blijkt uit de brief van 3 februari 2025) “in goed overleg” geen tussentijdse nota’s uitgebracht, omdat “bij een schikking een nota voor de diensten doorgaans op naam van de werkgever wordt gesteld en de kosten zodoende, al dan niet volledig, door de werkgever worden gedragen”. 4.5. Omdat het kostenbeding niet transparant is en over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld, moet worden beoordeeld of het beding oneerlijk is. Het kostenbeding is oneerlijk 4.6. Dat het kostenbeding niet transparant is, betekent nog niet dat het beding ook oneerlijk is. Dat moet de rechter beoordelen aan de hand van alle omstandigheden, waarbij nagegaan moet worden of het vereiste van goede trouw is nageleefd en of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in het nadeel van de consument. 4.7. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat de consument zich, door zijn kennisachterstand, bij de totstandkoming van een overeenkomst als de onderhavige in beginsel in een zwakkere positie bevindt dan de professioneel juridisch dienstverlener.
Volledig
Juist in een geval van rechtsbijstand in een arbeidsgeschil zoals in deze zaak waarbij de consument veelal onder tijdsdruk moet handelen en zijn belangen – zoals zijn rechtspositie en inkomenszekerheid – groot zijn, mag van de professioneel juridisch dienstverlener worden verwacht dat hij de consument voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst voldoende duidelijk maakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zullen zijn. 4.8. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] daar niet aan voldaan. Hij heeft voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen indicatie van de (orde van grootte van) de kosten gegeven. Evenmin is gebleken dat hij op andere wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst duidelijke informatie heeft verstrekt over het totaal aan kosten en [gedaagde] duidelijk heeft gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn. Dat hij andere maatregelen heeft genomen om een overschrijding van kosten te voorkomen om op die manier het evenwicht tussen partijen te herstellen is evenmin gebleken. Integendeel, [eiser] heeft ter zitting zelf verklaard dat de opdracht aanvankelijk beperkt was tot onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en dat hij tegen [gedaagde] daarover heeft gezegd dat deze waarschijnlijk niet langer dan 5 à 10 uur in beslag zou nemen. Ook heeft hij erkend dat hij [gedaagde] – zoals ook blijkt uit de e-mail van 3 februari 2025 – heeft voorgehouden dat in veel gevallen de kosten door de werkgever worden vergoed en dat daarom ook is afgesproken om niet maandelijks te factureren. Hiermee is [gedaagde] een reële mogelijkheid onthouden om zicht te krijgen op de bestede uren en de daarmee gepaard gaande kosten. Bovendien heeft [eiser] zo bij [gedaagde] de (onjuiste) voorstelling van zaken gewekt dat de kosten niet voor haar rekening zouden komen. Zij hoefde op basis van de aan haar verstrekte informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in elk geval geen rekening te houden met een declaratie van meer dan € 20.000,00. 4.9. Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op het voorgaande sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [gedaagde]. Dat [gedaagde] (uiteindelijk) wel haar akkoord heeft gegeven op de declaraties doet aan dit oordeel niet af. Dat akkoord was immers slechts een bevestiging dat de betreffende werkzaamheden zijn verricht. Het betekent niet dat [gedaagde] met het kostenbeding zou hebben ingestemd als zij had geweten dat de kosten zo zouden kunnen oplopen. De kantonrechter oordeelt daarom dat het kostenbeding oneerlijk is. Gevolgen 4.10. Omdat het kostenbeding oneerlijk is, vernietigt de kantonrechter het beding. Dit heeft als gevolg dat het beding geacht wordt nooit te hebben bestaan. Voor zover mogelijk blijft de overeenkomst voor het overige in stand. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de overeenkomst in dit geval niet bestaan zonder het kostenbeding, aangezien er dan geen overeenstemming is over een essentieel onderdeel van de overeenkomst. In een dergelijk geval geldt als uitgangspunt dat de kantonrechter de overeenkomst nietig verklaart. Slechts indien de consument als gevolg van de nietigheid van de gehele overeenkomst uiterst nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden en daardoor in zijn belangen wordt geschaad, kan het oneerlijke beding bij wege van uitzondering vervangen worden door een nationale bepaling van aanvullend recht. Het nietig verklaarde oneerlijke beding mag echter niet worden vervangen door een rechterlijke raming van de vergoeding die voor de diensten verschuldigd is. 4.11. De uitzondering dat de nietigverklaring van de overeenkomst in zijn geheel uiterst nadelige consequenties zou hebben voor [gedaagde] doet zich hier niet voor. [gedaagde] heeft immers zelf een beroep gedaan op vernietigbaarheid van de overeenkomst. De tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht wordt daarom nietig verklaard. Dit heeft als gevolg dat [eiser] (ook) geen aanspraak kan maken op vergoeding van redelijk loon op grond van artikel 7:405 BW. [gedaagde] hoeft daarom geen vergoeding te betalen voor de werkzaamheden die [eiser] heeft verricht. Conclusie 4.12. De conclusie is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. Proceskosten 4.13. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 1.154,00 (2 punten × € 577,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.298,00 in reconventie 4.14. De kantonrechter heeft de overeenkomst van opdracht tussen partijen nietig verklaard. Dat betekent dat [gedaagde] zonder rechtsgrond € 3.426,70 aan [eiser] heeft betaald. [eiser] zal daarom – zoals gevorderd – worden veroordeeld dit bedrag aan [gedaagde] terug te betalen , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de tegenvordering (31 december 2025). Proceskosten 4.15. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Gelet op de samenhang met de vordering van [eiser] worden de proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 253,00 (2 punten x factor 0,5) aan salaris gemachtigde. 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.4. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 3.426,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 maart 2026, tot de dag van volledige betaling, 5.5. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. van artikel 6:230m lid 1 onder h BW. Artikel 7:401 BW. Artikel 3:44 lid 4 BW. Artikel 6:203 BW. Artikel 6:74 BW. Artikel 6:162 BW. Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) 27 januari 2021, C229/19 en C289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia). Zie hiervoor onder 2.3. Artikel 6:231 sub a BW (conform artikel 4 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen) HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14. HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14. op grond van artikel 6:203 BW.