Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-08-26
ECLI:NL:RBNHO:2025:9884
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,992 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNHO:2025:9884 text/xml public 2026-04-10T14:25:02 2025-08-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-08-26 HAA 25/1455 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:9884 text/html public 2026-04-10T14:24:39 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:9884 Rechtbank Noord-Holland , 26-08-2025 / HAA 25/1455 Verweerder heeft de aanvraag huurtoeslag van eiseres terecht afgewezen, omdat deze te laat is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/1455 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 november 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om huurtoeslag over het jaar 2023 afgewezen. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan. Verweerder is bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2025 niet aan het bezwaar van eiseres tegemoetgekomen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2025 te Haarlem. Eiseres is, met voorafgaand bericht daarvan aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Op 20 april 2022 heeft eiseres haar huurtoeslag stopgezet met ingang van 21 april 2022. 2. Per brief van 26 juni 2024 informeert verweerder eiseres dat zij mogelijk met terugwerkende kracht zorgtoeslag kan krijgen over het jaar 2023. 3. Op 2 september en 9 september 2024 heeft eiseres gebeld met de Belastingtelefoon. 4. Verweerder heeft op 30 september 2024 een schriftelijke aanvraag van eiseres om huurtoeslag over het jaar 2023 ontvangen. 5. Verweerder heeft de aanvraag huurtoeslag afgewezen omdat deze te laat is ingediend. Geschil 6. In geschil is of de aanvraag huurtoeslag voor het jaar 2023 terecht is afgewezen. 7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat, hoewel zij haar aanvraag huurtoeslag voor het jaar 2023 te laat heeft ingediend, de aanvraag ten onrechte is afgewezen, omdat in haar geval rekening gehouden moet worden met bijzondere persoonlijke omstandigheden. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. 8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag huurtoeslag 2023 terecht is afgewezen, omdat deze te laat is gedaan en verweerder geen mogelijkheid ziet om af te wijken van de indieningstermijn. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil 9. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van een huurwoning. De huurtoeslag is een inkomensafhankelijke regeling waarop de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is. 10. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de aanvraag op grond van artikel 15, eerste lid, van de Awir tot 1 september 2024 had kunnen indienen. Ook is niet in geschil dat eiseres de aanvraag niet voor die datum heeft ingediend. Bijzondere omstandigheden (evenredigheidsbeginsel) 11. Eiseres voert aan dat zij de huurtoeslag over het jaar 2023 niet voor 1 september 2024 heeft aangevraagd, omdat zij dacht dat ze de huurtoeslag automatisch zou ontvangen als zij daar recht op had of dat ze in dat geval geïnformeerd zou worden door verweerder, zoals dat ook met de zorgtoeslag over het jaar 2023 is gebeurd. Eiseres geeft aan dat zij het niet aandurfde om vooraf toeslagen aan te vragen, omdat zij geen inschatting kon maken van haar inkomen en dat zij wilde voorkomen dat zij achteraf geconfronteerd zou worden met een terugvordering. Eiseres was van plan om vóór l september 2024 met terugwerkende kracht de toeslagen aan te vragen waar ze in 2023 recht op zou hebben gehad. Door de brief over de zorgtoeslag die eiseres op 26 juni 2024 heeft ontvangen, is zij op het verkeerde been gezet en dacht zij dat het niet nodig was om voor 1 september 2024 de huurtoeslag over het jaar 2023 aan te vragen. Eiseres valt over de hardheid van het beleid van verweerder om de uiterste datum voor het indienen van de aanvraag huurtoeslag zo strikt te handhaven. De late indiening van de aanvraag betrof volgens eiseres geen laksheid of nalatigheid van haar zijde. Eiseres vindt het oneerlijk dat zij hierdoor de huurtoeslag over 2023 moet mislopen. 12. De rechtbank vat het verzoek van eiseres om rekening te houden met haar persoonlijke omstandigheden op als de stelling dat de te late indiening van de aanvraag huurtoeslag haar niet kan worden tegengeworpen en dat toepassing van artikel 15 van de Awir in haar geval onevenredig is. 13. Het evenredigheidsbeginsel (zoals vastgelegd in artikel 13b, tweede lid, van de Awir) houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit voor een belanghebbende niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 14. Artikel 13b van de Awir bepaalt dat een belangenafweging alleen kan worden gemaakt voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. De dwingende termijn van artikel 15 van de Awir is zo’n beperking. Artikel 15 van de Awir dwingt verweerder om de aanvraag af te wijzen als de aanvraag buiten de termijn is ingediend. Verweerder kan dus alleen aanvragen voor een huurtoeslag inwilligen die op tijd zijn ingediend en heeft hierin geen keuze (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2040). Het staat verweerder dus niet vrij om bij een te laat ingediende aanvraag van huurtoeslag een belangenafweging te maken of om coulance te verlenen zoals eiseres heeft verzocht. 15. Het is de rechtbank niet toegestaan om de wettelijke bepaling van artikel 15 van de Awir te toetsen aan de Grondwet of aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Dit staat in artikel 120 van de Grondwet en is meerdere malen door de hoogste rechtscolleges in Nederland bevestigd (onder meer door de Hoge Raad (HR) op 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD572). Dit betekent dat de rechtbank in beginsel niet kan beoordelen of de wettelijke bepaling ‘hard’ (onevenredig) uitwerkt in het geval van eiseres. 16. Het is bij hoge uitzondering wél mogelijk om te toetsen aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, als de wetgever bij het maken van de wettelijke bepaling bepaalde omstandigheden niet onder ogen heeft gezien. Als sprake is van zogenoemde ‘niet of niet ten volle verdisconteerde bijzondere omstandigheden’ moet een wetsbepaling in een concreet geval buiten toepassing wordt gelaten en moet er tot een andere oplossing worden gekomen. Dit is ook het geval als de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing daarom achterwege moet blijven (vgl. HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, rechtsoverweging 3.3.4 en ABRVS 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:2045, r.o. 13). 17. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van de Awir blijkt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een begrenzing van de aanvraagtermijn. In de memorie van toelichting van de harmonisatie van de Awir (Kamerstukken II 2004-2005, 29 764, nr. 3) is opgenomen dat het karakter van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen het niet toelaat dat deze ook nog worden verleend als er een lange tijd is verstreken na het moment waarop de desbetreffende uitgaven zijn gedaan. Deze tegemoetkomingen worden immers juist gegeven, omdat ervan uit wordt gegaan dat de belanghebbende de bewuste uitgaven niet zou kunnen doen zonder tegemoetkoming.