Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-18
ECLI:NL:RBROT:2025:2236
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,668 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2134
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bingöl).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de overname van private schulden van eiseres. Verweerder heeft geweigerd eiseres te compenseren voor elf schulden die eiseres met het forfaitaire compensatiebedrag van € 30.000,- heeft betaald op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat verweerder voor enkele schulden wel compensatie had moeten verlenen, omdat er in de gegeven omstandigheden voldoende bewijs van deze schulden is verstrekt. Voor de overige schulden heeft verweerder terecht geen compensatie verleend. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat verweerder compensatie van € 1.140,31 aan eiseres moet verlenen.
Procesverloop
2.1.
Met het primaire besluit van 26 juli 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) de aanvraag van eiseres om compensatie voor elf afgeloste geldschulden op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht, afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 15 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 juli 2023 ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. M.F. van Immerseel namens de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting is aan de orde gekomen dat verweerder het bestreden besluit naar aanleiding van het gesprek op zitting wenst te heroverwegen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Dit is bij brief van 7 oktober 2024 aan partijen bevestigd.
2.6.
Verweerder heeft bij e-mail van 9 oktober 2024 laten weten het bestreden besluit te handhaven. Omdat eiseres niet heeft gereageerd, heeft de rechtbank eiseres bij brief van 11 november 2024 nogmaals in de gelegenheid gesteld te reageren op de e-mail van verweerder van 9 oktober 2024.
2.7.
Eiseres heeft bij e-mail van 2 december 2024 gereageerd. Daarbij is gevoegd een e-mail van eiseres van 2 oktober 2024 aan verweerder.
2.8.
De rechtbank heeft op 7 januari 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder het bestreden besluit tot weigering van de overname van de schulden van eiseres terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Eiseres heeft elf, door haar betaalde, schulden ter vergoeding bij verweerder ingediend.
4.1.
Betaalde schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005 komen voor vergoeding in aanmerking. Deze schulden moeten vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. Zij moeten daarnaast zijn voldaan op een tijdstip ná ontvangst van het forfaitaire bedrag als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Tussen partijen is niet in geschil dat aan die laatste voorwaarde is voldaan. De stelling van eiseres dat, los van de wettelijke voorwaarden, al haar schulden moeten worden vergoed, nu de schulden hun grondslag vinden in het onrechtmatige handelen van de Belastingdienst, volgt de rechtbank niet. Er is geen aanleiding om de wettelijke vereisten van de Wht buiten toepassing te laten.
4.2.
Verweerder heeft vergoeding van de schulden geweigerd omdat eiseres volgens verweerder onvoldoende bewijs van het ontstaan en de opeisbaarheid van de schulden (en in het geval een schuld aan een deurwaarder of incassobureau is overgedragen, een bewijs van deze overdracht) heeft verstrekt. Verweerder heeft hier wel verschillende gelegenheden voor geboden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij in geval van reeds betaalde schulden zelf geen informatie over de schulden bij de schuldeisers opvraagt; omdat de schulden betaald zijn, hebben schuldeisers minder belang om deze informatie te verstrekken. Daarom is de keuze gemaakt om van de aanvrager te verlangen deze informatie te verstrekken.
4.3.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. In het kader van de aanvraag van eiseres heeft verweerder inzicht nodig in de schulden die eiseres met het forfaitaire bedrag als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht heeft voldaan. Daartoe is bewijs nodig. Dat bewijs dient in beginsel door eiseres, als aanvrager, verstrekt te worden. Daarbij moet echter wel in enige mate rekening worden gehouden met het feit dat eiseres, gezien het tijdverloop en de ontstane schuldensituatie, niet in alle gevallen een volledige documentatie meer kan produceren van haar schulden. Rekening moet ook worden gehouden met het door verweerder genoemde feit dat schuldeisers niet altijd informatie meer verstrekken, nu de schulden zijn betaald. Eiseres heeft documentatie overgelegd van haar schulden, maar in een aantal gevallen heeft zij niet alle gewenste stukken kunnen overleggen. De omstandigheid dat de meeste schulden al lange tijd liepen bij deurwaarders, doet vermoeden dat de schulden opeisbaar zijn geworden en door de betreffende schuldeisers zijn overgedragen aan deurwaarders om eiseres alsnog tot betaling te laten komen. Tegen deze achtergrond moet verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, aan de hand van alle beschikbare gegevens per schuld beoordelen of het bestaan en de opeisbaarheid van een schuld aan de hand van de beschikbare gegevens aannemelijk is geworden.
4.4.
In dat licht overweegt de rechtbank als volgt.
Schulden aan Syncasso
4.4.1.
Het gaat hier om drie schulden aan Zilveren Kruis ter hoogte van € 549,76,
€ 1.463,36 en € 628,66. Het betreft zorgpremie. Ten aanzien van deze schulden heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs van deze schulden is verstrekt, zoals onder meer de tenaamstelling van de schuld, de ontstaansdatum van de schuld, de datum waarop de schuld betaald had moeten zijn en een bewijsstuk waaruit blijkt dat de schuld is overgedragen van Zilveren Kruis naar Syncasso.
Ter zitting is gebleken dat verweerder aan eiseres niet tegenwerpt dat correspondentie over schulden in sommige gevallen is gericht aan [naam]. Het is duidelijk dat dit de partner van eiseres is en dat het gezamenlijke schulden betreft.
Ten aanzien van de schuld van € 549,76 aan Zilveren Kruis met referentienummer [nummer] heeft de rechtbank ter zitting met partijen besproken dat er zich een brief in het dossier bevindt van Syncasso van 19 augustus 2020. Uit die brief blijkt dat deze vordering eerst volledig dient te worden voldaan, voordat er een betalingsregeling ten aanzien van een andere achterstand kan worden getroffen. Ook is uit deze brief af te leiden dat er een gerechtelijke procedure loopt ten aanzien van de vordering van € 549,76. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk het bestaan van de vordering van € 549,76 en blijkt ook voldoende duidelijk dat deze vordering opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. De rechtbank ziet niet in dat aanvullend een bewijsstuk zou moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat de schuld is overgedragen van Zilveren Kruis naar Syncasso; aan de hand van de gegevens in het dossier is de link met de schuld aan Zilveren Kruis (zowel aan de hand van het dossiernummer als aan de hand van het bedrag) duidelijk te leggen. Evenmin ziet de rechtbank aanknopingspunten om eraan te twijfelen dat de schuld (zorgpremie) niet vóór 31 december 2005 is ontstaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, aan de hand van de beschikbare gegevens in het dossier, compensatie had moeten verlenen voor de schuld van € 549,76 aan Syncasso.
Ten aanzien van de schuld van € 1.463,36 volgt uit de brief van Syncasso van 21 augustus 2020 dat er een betalingsregeling is, exclusief rente. Gelet daarop is, zoals verweerder terecht stelt, niet aannemelijk geworden dat deze schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Ten aanzien van de gestelde schuld van € 628,66 zijn van het bestaan en de eventuele opeisbaarheid geen stukken in het dossier voorhanden, zodat verweerder ook deze schuld terecht niet heeft overgenomen.
Schuld aan Van Es Gerechtsdeurwaarders
4.4.2.
Het betreft hier een schuld aan Billink B.V. van € 204,55. Volgens verweerder blijkt uit de overgelegde informatie niet wanneer de schuld is ontstaan of dat de schuld is opgeëist. Er is namelijk nog een mogelijkheid voor een aangepaste regeling geboden. Ook uit het e-mailbericht van 8 februari 2021 blijkt volgens verweerder niet dat de schuld is opgeëist.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Dat de schuld opeisbaar moet zijn geworden voor 1 juni 2021, betekent -anders dan verweerder lijkt te betogen- niet dat deze ook voor die datum moet zijn opgeëist. Uit een brief van 8 februari 2021 van de deurwaarder volgt dat er een schuld openstaat van € 204,55 en dat er zo snel mogelijk moet worden betaald om deurwaarderskosten te voorkomen. In het dossier zijn geen aanwijzingen dat er daarna een betalingsregeling tot stand is gekomen. Uit de inhoud van deze brief in combinatie met het feit dat deze schuld aan de deurwaarder is overgedragen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. De rechtbank kan niet volgen dat er een apart bewijsstuk van de overdracht van de schuld door Billink B.V. aan Van Es Gerechtsdeurwaarders nodig is, nu de vordering van Billink B.V. in de correspondentie van Van Es Gerechtsdeurwaarders duidelijk wordt genoemd, zodat de link naar deze schuld goed te leggen is. Ook ten aanzien van deze schuld bestaat er geen redelijke twijfel dat deze is ontstaan na 31 december 2005. Verweerder had compensatie moeten verlenen voor de schuld aan Van Es Gerechtsdeurwaarders van € 339,61.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit geen compensatie is verleend voor de schulden aan Syncasso, Van Es Gerechtsdeurwaarders en Janssen & Janssen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre.
6. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat verweerder aan eiseres compensatie moet verlenen voor de schuld aan Syncasso, Van Es Gerechtsdeurwaarders en Janssen & Janssen. In totaal betreft het een bedrag van € 1.140,31.
7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding van de kosten in beroep is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De proceskostenvergoeding bedraagt in beroep in totaal € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1) en in bezwaar € 1.294,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 januari 2024 voor zover daarin geen compensatie voor de schulden aan Syncasso, Van Es Gerechtsdeurwaarders en Janssen & Janssen is verleend;
- bepaalt dat verweerder € 1.140,31 compensatie aan eiseres verleent;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: Wettelijk kader
Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt de Belastingdienst/Toeslagen een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, derde lid, van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, van de Wht verleent Onze Minister aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
Op grond van artikel 4.3, vijfde lid, van de Wht is de hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld en kosten gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie in de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing.
In artikel 9.1, van de Wht met de titel ‘hardheidsclausules’ is bepaald:
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in Hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.6;
c. de Sociale verzekeringsbank, genoemd in Hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afwijken van artikel 3.7;
d. het college van burgemeester en wethouders afwijken van artikel 3.8 of 2.21;
e. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afwijken van artikel 3.9;
f. het CAK, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.10 afwijken;
g. de Wlz-uitvoerder, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, van artikel 3.11 afwijken; en
h. het college, bedoeld in de artikelen 1.1 van de Jeugdwet en 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, van artikel 3.12 afwijken.
Artikel 4.1, tweede lid, en artikel 4.3 van de Wht.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 162.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045. Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3. p. 44.