Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-07-12
ECLI:NL:RBNHO:2024:7021
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.321946.22 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 12 juli 2024
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 9 april 2024 ten aanzien van het feit in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: [betrokkene] .
1De vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 9 april 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen op € 341.416,50 en dat aan [betrokkene] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op een ander strafbaar feit, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit is begaan en aannemelijk is dat dit feit op enigerlei wijze ertoe heeft geleid dat [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van [betrokkene] om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2024.
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2024. Daarbij zijn gehoord [betrokkene] , haar raadsman mr. H.G. Eckhardt, advocaat te Den Haag en de officier van justitie.
Vervolgens is het onderzoek op 28 juni 2024 gesloten en is de uitspraak bepaald op 12 juli 2024.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting het standpunt ingenomen dat [betrokkene] door oplichting wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Uit de stukken blijkt dat van het bedrag dat met de oplichting is verkregen € 23.000,- naar haar bankrekening is overgeboekt en dat
€ 670,59 is gebruikt om openstaande rekeningen van haar te betalen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden vastgesteld op € 23.670,59. Wegens overschrijding van de redelijke termijn past de officier van justitie een korting van 10% toe en vordert zij de betalingsverplichting van [betrokkene] vast te stellen op € 21.303,53.
4Het standpunt van betrokkene en haar raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen dan wel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu hij zich in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak op het standpunt heeft gesteld dat [betrokkene] dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Beoordeling
De rechtbank heeft [betrokkene] bij vonnis van 12 juli 2024 van deze rechtbank vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen van witwassen.
Artikel 36e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet ontvangen in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
7Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Boots, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juli 2024.