Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-20
ECLI:NL:RBNHO:2023:10404
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,071 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/013340-20 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 20 oktober 2023
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 9 juni 2022, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak onder bovenstaand parketnummer tegen:
[de betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: [de betrokkene] .
1De vordering
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid Sr zal vaststellen op € 881.813,16 en dat aan [de betrokkene] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op het strafbare feit waarvoor [de betrokkene] is gedagvaard om op 12, 14 en 18 september 2023 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank (artikel 36e, tweede lid Sr).
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van [de betrokkene] om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 12, 14 en 18 september 2023.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op 12, 14 en 18 september 2023. Daarbij zijn gehoord [de betrokkene] , zijn raadsvrouw mr. K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem en de officier van justitie mr. J.J. van Bree.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier.
Vervolgens is het onderzoek gesloten op 6 oktober 2023 en is de uitspraak bepaald op 20 oktober 2023.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 5.000,00.
4. Het standpunt van [de betrokkene] en zijn raadsvrouw
De verdediging heeft, gelet op de in de strafzaak bepleite vrijspraak, primair verzocht dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen.
Subsidiair is door de verdediging afwijzing van de ontnemingsvordering verzocht, omdat nergens uit is gebleken dat [de betrokkene] in de winst heeft gedeeld.
Meer subsidiair is verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van een paar honderd euro.
Beoordeling
Bij vonnis van 20 oktober 2023 van deze rechtbank is [de betrokkene] vrijgesproken van diefstal door twee of meer verenigde personen.
Artikel 36e, eerste lid Sr houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet ontvangen in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
7Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Boots, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. G.D. Kleijne, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.L. de Vries en mr. T.J.A. Krips,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2023.