Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-10-19
ECLI:NL:RBNHO:2023:10281
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,190 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10474447 \ CV EXPL 23-1371
Uitspraakdatum: 19 oktober 2023 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser
verder te noemen: de man
gemachtigde: mr. M.H. Schmidt
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
verder te noemen: de vrouw
gemachtigde: mr. A. el Aqde
De zaak in het kort:
In deze zaak vorderen zowel de man als de vrouw een verklaring voor recht dat de één – met uitsluiting van de ander – het huurrecht toekomt van de woning waarvan zij beiden contractueel medehuurder zijn. Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat het belang van de man om in de woning te mogen blijven, prevaleert boven het belang van de vrouw. De kantonrechter zal daarom bepalen dat met ingang van 1 november 2023 de vrouw het huurrecht niet langer zal voortzetten.
1Het procesverloop
1.1.
De man heeft bij dagvaarding van 14 april 2023 een vordering tegen de vrouw ingesteld. De vrouw heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.
1.2.
Op 2 oktober 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
Feiten
2.1.
Partijen huren vanaf 28 augustus 2017 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van de stichting Wooncompagnie.
2.2.
Partijen hebben gedurende enige jaren een affectieve relatie gehad. De relatie is in 2021 ten einde gekomen, waarna de vrouw de woning heeft verlaten. De man woont tot op heden in de woning en betaalt sinds het vertrek van de vrouw de huur.
3De vordering
3.1.
De man vordert dat de kantonrechter bepaalt dat de vrouw met onmiddellijke ingang de huur niet langer zal voortzetten en de man uitsluitend huurder van de woning zal zijn. Verder vordert de man dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de beëindiging van de medehuur / wijziging van de tenaamstelling van de huurovereenkomst door middel van ondertekening van het formulier beëindiging medehuur. Voor het geval de vrouw dit nalaat, vordert de man dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw.
3.2.
De man legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat het huurrecht aan hem moet worden toegekend. De relatie tussen partijen is beëindigd en hij heeft een groter belang bij voortzetting van het gebruik van de woning dan de vrouw.
4Het verweer en de tegenvordering
4.1.
De vrouw voert verweer en voert aan dat haar belang om in de woning te kunnen blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van de man. Zij voert hiertoe aan dat zij op dit moment in de daklozenopvang verblijft en het voor haar niet mogelijk is andere woonruimte te vinden. Anders dan de man heeft zij geen sociale contacten waarop zij kan terugvallen en waar zij eventueel kan wonen. De vrouw vordert daarom bij wijze van tegenvordering, dat de kantonrechter het gebruiksrecht van de woning aan haar toewijst.
4.3.
De man voert verweer tegen de tegenvordering waarop, voor zover relevant, hierna wordt ingegaan.
Beoordeling
de vordering en de tegenvordering
5.1.
De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.2.
Partijen zijn beiden contractueel huurder van de woning. Omdat de relatie tussen partijen is beëindigd, dient aan de huidige formele woonsituatie een eind te komen. In dat kader vorderen beiden voor zichzelf het exclusieve gebruik van het gehuurde.
5.3.
Op grond van art. 7:267 lid 7 BW kunnen huurders en wettelijk medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing als twee contractuele medehuurders om de exclusieve voortzetting van het huurrecht twisten, zoals hier het geval is. Uitgangspunt daarbij is dat contractueel medehuurders in beginsel evenveel recht hebben op gebruik van de woning. Inhoudelijk komt een geschil ex art. 7:267 lid 7 BW er daarom op neer dat beoordeeld moet worden of het belang bij behoud van het huurrecht van de ene huurder zwaarder weegt dan het belang van de andere huurder.
5.4.
Evident is dat het belang van beide partijen om het huurrecht te behouden groot is. Voor beide partijen zal het namelijk moeilijk zijn vervangende woonruimte te vinden op het moment dat het huurrecht aan de ander wordt toegewezen. De gemachtigde van de vrouw heeft op de zitting weliswaar aangevoerd dat de man meer sociale contacten heeft dan zij en het voor hem dus makkelijker is om andere woonruimte te vinden, maar dit heeft de man weersproken. Volgens de man heeft hij geen familie in Nederland en zijn de contacten die hij heeft alleen kennissen die eigen gezinnen hebben en waarbij hij dus niet kan gaan wonen als hij de woning moet verlaten. Dat één van partijen concreet zicht heeft op andere woonruimte is dan ook niet gebleken, zodat hun situatie op dat punt niet van elkaar verschilt. Verder geldt dat ook in financieel opzicht de situatie van partijen vrijwel gelijk is. Beide partijen ontvangen of komen in aanmerking voor een uitkering waarvan zij de huur kunnen betalen. Waarin de situatie van partijen echter wel verschilt, is de omstandigheid dat de man sinds het vertrek van de vrouw - ongeveer twee jaar geleden - de huur en alle andere aan de woning gerelateerde kosten betaalt. Het betalen van de huur is een gezamenlijke verantwoordelijk. Door vanaf haar vertrek niet langer bij te dragen in de huur en vaste lasten heeft de vrouw zich éénzijdig onttrokken aan haar verplichtingen jegens (ook) de verhuurder. Dit spreekt in haar nadeel en maakt, nu de situatie van partijen verder gelijk is, dat de belangenafweging in het voordeel van de man uit valt. Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht, maakt dat niet anders. Partijen hebben hun verdere stellingen en over en weer gedane beschuldigingen namelijk op geen enkele wijze onderbouwd, zodat die door de kantonrechter niet in de belangenafweging kunnen worden betrokken.
5.5.
De conclusie is dat de vordering van de man zal worden toegewezen en de tegenvordering van de vrouw zal worden afgewezen. De door de man verzochte veroordeling van de vrouw tot het verlenen van medewerking aan het beëindigen van de huur of het wijzigen van de tenaamstelling komt echter niet voor toewijzing in aanmerking. Een verhuurder is namelijk gebonden aan de beslissing van de rechter over wie de huur van de woning zal voortzetten, zodat de man geen belang heeft bij zijn vordering om de vrouw te veroordelen medewerking te verlenen. Om diezelfde reden zal de kantonrechter ook niet bepalen dat bij het uitblijven van medewerking het vonnis in de plaats treedt van de medewerking. Ook dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
5.6.
Aangezien dit geschil voortvloeit uit de beëindiging van een samenlevingsverband, zullen de proceskosten zowel ten aanzien van de vordering als ten aanzien van de tegenvordering tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
de vordering
6.1.
bepaalt dat de man vanaf 1 november 2023 met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning aan de [adres] ;
6.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst de vordering voor het overige af;
de tegenvordering
6.5.
wijst de vordering af;
6.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
ECLI:NL:HR:2021:1964