Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-06
ECLI:NL:RBLIM:2026:1196
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,063 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:1196 text/xml public 2026-02-20T14:45:05 2026-02-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-06 C/03/348513 / KG ZA 26-3 Uitspraak Kort geding NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:1196 text/html public 2026-02-20T14:44:34 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:1196 Rechtbank Limburg , 06-02-2026 / C/03/348513 / KG ZA 26-3 kort geding, voortzetting gebruik huurwoning, belangenafweging, huiselijk geweld tegen vrouw, man door opgelegd huisverbod al elders verbleven, hoger inkomen man dus aannemelijk dat hij grotere kans heeft elders woonruimte te vinden, wijst tijdelijk voortzetting gebruik toe aan vrouw onder voorwaarde dat zij uiterlijk 6 maart 2026 bodemprocedure over definitief gebruik woning start. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/348513 / KG ZA 26-3 Vonnis in kort geding van 6 februari 2026 in de zaak van [de man] , te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [de man] , advocaat: mr. E.H.G.G.M. Beurskens, tegen [de vrouw] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [de vrouw] , advocaat: mr. R.H.L. van de Laar 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 5 - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4 - de mondelinge behandeling op 29 januari 2026. 2 De feiten 2.1. [de man] en [de vrouw] hebben een affectieve relatie gehad. 2.2. [de man] en [de vrouw] woonden samen in een huurwoning aan [adres] te [plaats] . [de man] en [de vrouw] zijn contractuele medehuurders van deze woning (productie 1 [de man] ). 2.3. [de man] verblijft sinds 23 oktober 2025 (tot heden) niet meer in de huurwoning. In de nacht van 22 op 23 oktober 2025 is [de man] in de woning van partijen aangehouden op verdenking van dreiging met geweld jegens [de vrouw] . [de vrouw] heeft aangifte bij de politie gedaan, waarbij zij onder meer heeft verklaard dat [de man] haar een mes op de keel heeft gezet (productie 1 [de vrouw] ). 2.4. Op 23 oktober 2025 heeft de burgemeester van [plaats] [de man] een huisverbod opgelegd tot 2 november 2025 (productie 3 [de vrouw] ), dat vervolgens met achttien dagen is verlengd tot 20 november 2025. 2.5. In de beslissing tot het opleggen van het huisverbod is verwezen naar de het op 23 oktober 2025 door de politie opgemaakte Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (productie 4 [de vrouw] ). Daarin staat onder meer het volgende: en Waar wordt verwezen naar BUG en SO wordt [de man] respectievelijk [de vrouw] bedoeld. 2.6. [de vrouw] is in de huurwoning blijven wonen en verblijft daar tot op heden. 2.7. Op enig moment na 23 oktober 2025 heeft de verhuurder de sloten van de woning vervangen. [de man] heeft geen sleutels van het nieuwe slot ontvangen. 3 Het geschil in conventie 3.1. [de man] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, rechtsprekend in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: bepaalt dat [de man] bij uitsluiting van [de vrouw] gerechtigd zal zijn tot het (tijdelijke) gebruik van de woning en de daartoe behorende inboedel aan [adres] , onder bevel van afgifte van de sleutels aan [de man] toebehorende aan voornoemde woning en - voor zover nog nodig - met bevel dat [de vrouw] deze woning binnen drie dagen na het gewezen vonnis dient te verlaten en deze verder niet mag betreden; [de vrouw] veroordeelt tot betaling van een dwangsom ad € 250,- per dag of deel van een dag dat [de vrouw] de woning niet binnen drie dagen na het gewezen vonnis verlaat dan wel zich ongeoorloofd in voornoemde woning bevindt en/of nalaat de sleutels van de woning aan [de man] af te geven, zulks met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-; althans om een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten. 3.2. [de vrouw] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [de vrouw] vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. bepaalt dat [de vrouw] bij uitsluiting van [de man] gerechtigd zal zijn tot het (tijdelijke) gebruik van de woning en de daartoe behorende inboedel aan [adres] , onder bevel van afgifte van de aan de woning toebehorende sleutels aan [de vrouw] en voor zover nog nodig met bevel dat [de man] deze woning verder niet meer mag betreden; 2. [de man] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag of deel van een dag dat [de man] zich ongeoorloofd in voornoemde woning bevindt en/of nalaat de sleutels van de woning aan [de vrouw] af te geven, zulks met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-; 3. [de man] veroordeelt om bij te dragen in de kosten van huur en overige lasten van de woning m.b.t. de periode vanaf het aan de aan [de man] opgelegde huisverbod tot aan het in deze zaak te wijzen vonnis, waaronder de helft van de huur per maand (helft van € 877,54), de helft van de kosten WML (helft van € 18,30 per maand) en de helft van de energielasten (helft van € 159,00 per maand); althans een zodanige voorziening te treffen als hij in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten. 3.5. [de man] voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie voor wat betreft het voorlopig gebruik van de woning, zullen deze gezamenlijk worden behandeld. Spoedeisend belang 4.2. Voldoende aannemelijk is dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. Het spoedeisend belang van de vorderingen is hiermee gegeven. Uitsluitend gebruik woning 4.3. Een vordering strekkende tot toekenning van het exclusieve huurrecht van de gezamenlijk gehuurde woning, waarbij de andere huurder de woning derhalve moet verlaten, kan in geval van contractuele medehuurders tevens samenwoners - zoals in dit geval - worden gegrond op art. 7:267 lid 7 BW. Deze bepaling ziet weliswaar op samenwoners waarvan de niet-contractuele huurder op grond van voormeld artikel medehuurder is geworden, maar kan naar analogie worden toegepast wanneer contractuele medehuurders een geschil hebben over wie van hen het gehuurde moet verlaten en wie daarin mag blijven (zie ECLI:NL:HR:2021:1964). 4.4. In onderhavige procedure staat de vraag centraal wie van partijen het meeste belang heeft om voorlopig het exclusief gebruiksrecht van de woning toegewezen te krijgen in afwachting van een aanhangig te maken bodemprocedure als bedoeld in artikel 7:267 lid 7 BW. De voorzieningenrechter zal een belangenafweging moeten maken. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. 4.5. [de man] heeft - kort gezegd - gesteld dat hij niet op korte termijn beschikt over passende alternatieve woonruimte, terwijl [de vrouw] familie en/of vrienden in de buurt heeft die haar (tijdelijk) onderdak kunnen bieden. Daarnaast heeft [de man] gezondheidsklachten en heeft hij behoefte aan structurele zorg, rust en een vaste woonomgeving. Verder werkt [de man] bij [bedrijf] , wat dicht bij de woning is. Ook beschikt hij over voldoende financiële draagkracht om de huur en maandelijkse lasten te kunnen voldoen (productie 2 van [de man] ), terwijl [de vrouw] afhankelijk is van een uitkering (productie 3 van [de man] ), die te laag is om de huur en vaste lasten te kunnen betalen. [de man] heeft vernomen dat [de vrouw] de maandelijkse huurtermijn storneert (productie 4 van [de man] ) en maandelijkse lopende kosten niet voldoet (o.a. water, Netflix, Dela-verzekering). Hierdoor wordt [de man] geconfronteerd met onbetaalde rekeningen en financiële onzekerheid, aldus [de man] . 4.6.
Volledig
[de vrouw] heeft - kort gezegd - aangevoerd dat zij geen enkel aandeel had in hetgeen in de nacht van 22 op 23 oktober 2025 is gebeurd. [de man] is bekend met een alcohol- en drugsprobleem. Ook staat [de man] bekend om zijn agressie. [de vrouw] is doodsbang voor hem. [de man] heeft vanaf 23 oktober 2025 kennelijk vervangende woonruimte gehad, aangezien hij sindsdien niet meer in de woning verblijft. [de vrouw] zou niet weten - zoals [de man] heeft gesteld - bij welk familielid of bij welke vrienden zij terecht zou kunnen met de honden. [de man] is de veroorzaker van alle ellende en problemen en het zou de wereld op zijn kop zijn als [de vrouw] vervolgens de woning zou moeten verlaten, aldus [de vrouw] . Het verbaast [de vrouw] dat [de man] gezondheidsklachten aanhaalt om aanspraak te maken op de woning. Gelet op zijn gezondheidsklachten zou hij niet mogen drinken of drugs gebruiken, wat hij volgens haar echter wel doet. De combinatie van zijn drank- en drugsgebruik en zijn aandoening PES zou volgens [de vrouw] een contra-indicatie moeten zijn voor toewijzing van de woning aan [de man] . Het inkomen van [de man] is hoger dan dat van [de vrouw] , maar dat maakt volgens [de vrouw] niet dat [de man] daardoor bestendiger in staat is om de huur en andere woonlasten te betalen. [de vrouw] heeft een aanvullende bijstandsuitkering en bewindvoering aangevraagd. Met de verhuurder is een regeling getroffen met betrekking tot de huidige huurachterstand waardoor er geen uitzetting dreigt. Het is onjuist dat [de vrouw] de huurbetaling en andere betalingen heeft gestorneerd; ze weet niet eens hoe dat moet, aldus [de vrouw] . 4.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de directe, althans meest recente, aanleiding voor het door partijen niet meer kunnen samenwonen, is gelegen in de dreiging met geweld van [de man] jegens [de vrouw] . Hoewel [de man] ter zitting heeft ontkend dat hij [de vrouw] een mes op de keel heeft gezet, heeft hij erkend dat hij met een mes heeft gedreigd terwijl in het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld staat dat hij tegenover de politie heeft verklaard [de vrouw] met de dood te hebben bedreigd. Dat het gedrag van [de man] de belangrijkste aanleiding is geweest voor de huidige verhoudingen die samenwonen niet meer mogelijk maakt, is een omstandigheid die meeweegt in het voordeel van [de vrouw] . 4.8. In de periode vanaf het ingaan van het huisverbod heeft [de man] - noodgedwongen - al elders onderdak moeten vinden en is daar kennelijk in geslaagd. Het is voor de voorzieningenrechter niet mogelijk om in te schatten in hoeverre dat een passende voorziening is, omdat [de man] er desgevraagd niet meer over wil (mee)delen dan dat het bij een vriend is. Vast staat dus alleen dat [de man] op dit moment over een alternatief beschikt terwijl dat, gelet op de verklaringen van [de vrouw] daarover, ten aanzien van [de vrouw] niet vast staat. 4.9. [de man] heeft gesteld dat hij gezondheidsklachten heeft, maar hij heeft geen uitleg gegeven waarom hij wegens die gezondheidsklachten in de huurwoning moet verblijven, anders dan de algemene stelling dat hij “structurele zorg, rust en een vaste woonomgeving” behoeft. Zonder onderbouwing, die niet is gegeven, valt niet in te zien dat en waarom [de man] dit niet in een andere woning of andere woonplek zou kunnen verkrijgen. 4.10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het inkomen dat [de man] ontvangt hoger is dan de uitkering die [de vrouw] ontvangt. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor beide partijen niet eenvoudig zal zijn om andere woonruimte te vinden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [de man] - vanwege zijn hogere inkomen - grotere kansen heeft om een nieuwe woning te vinden. Bovendien heeft [de vrouw] ter zitting - onweersproken - verklaard dat zij een aanvullende uitkering én bewindvoering heeft aangevraagd en dat zij met de verhuurder afspraken heeft gemaakt over de huurachterstand, zodat niet aannemelijk is dat het lagere inkomen van [de vrouw] een contra-indicatie is voor voorgezet tijdelijk verblijf door haar. 4.11. Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden, acht de voorzieningenrechter het op dit moment het meest waarschijnlijk dat in een bodemprocedure zal worden beslist dat [de vrouw] het huurrecht krijgt toegekend. Daarom zal het door [de man] in conventie gevorderde worden afgewezen en het door [de vrouw] in reconventie gevorderde tijdelijk gebruik van de woning en inboedel worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal daarnaast - als gevorderd - bevelen dat [de man] de woning verder niet meer mag betreden. 4.12. Er is geen verweer gevoerd tegen de door [de vrouw] gevorderde dwangsom. Deze zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze alleen kan zien op het betreden van de woning. De voorzieningenrechter wijst [de vrouw] erop dat dwangsommen pas kunnen verbeuren na betekening van dit vonnis. 4.13. De vordering wat betreft het voorlopig toekennen van het huurrecht van de woning behoort wel in tijd te worden beperkt en wordt daarom toegewezen voor de periode totdat in een bodemprocedure is besloten wie van partijen de woning definitief mag blijven huren. Omdat het tijdelijk exclusieve gebruik van de woning aan [de vrouw] zal worden toegewezen, verbindt de voorzieningenrechter aan de veroordeling de voorwaarde dat [de vrouw] binnen vier weken na datum vonnis (dus uiterlijk 6 maart 2026) een bodemprocedure moet starten met als inzet de vraag wie van partijen de woning definitief mag blijven huren. verder in reconventie Afgifte sleutels 4.14. Nu ter zitting is vastgesteld dat [de man] geen sleutel van het nieuwe slot heeft ontvangen, kan [de man] bijgevolg geen sleutel van de woning aan [de vrouw] afgeven. Dit deel van het door haar gevorderde zal om die reden worden afgewezen. Bijdrage in huur en gebruikslasten 4.15. [de vrouw] heeft gesteld dat [de man] de huur en andere woonlasten niet heeft voldaan voor de periode dat hij elders verbleef. [de vrouw] is van mening dat [de man] daarin nog wel dient bij te dragen. Het gaat volgens [de vrouw] om de periode vanaf het huisverbod tot aan het in deze procedure te wijzen vonnis voor wat betreft (de helft van) de volgende kosten: huur: € 877,54 per maand water/WML: € 18,30 per maand NextEnergy: € 159,00 per maand 4.16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van een voorziening als de onderhavige, nu het gaat om een geldvordering in kort geding, slechts dan aanleiding is als het bestaan en de omvang van die vordering waarschijnlijk of voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat. Ten aanzien van de gevorderde bijdragen is gesteld noch gebleken dat [de vrouw] een spoedeisend belang heeft, terwijl [de vrouw] over de huurachterstanden met de verhuurder afspraken heeft gemaakt. Daarnaast is ten aanzien van de gevorderde gebruikerslasten met betrekking tot het water/WML en NextEnerg erkend dat deze voor rekening van [de vrouw] (moeten) komen, nu zij - en niet [de man] – vanaf 23 oktober 2025 tot heden in de woning heeft verbleven. Gelet hierop zal dit deel van het door [de vrouw] gevorderde worden afgewezen. tot slot in conventie en reconventie Proceskosten 4.17. [de man] is geheel in het ongelijk gesteld en [de vrouw] deels. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter in conventie en in reconventie 5.1. bepaalt dat [de vrouw] bij uitsluiting van [de man] gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning en de daartoe behorende inboedel aan [adres] , totdat in een bodemprocedure is besloten wie van partijen de woning definitief mag blijven huren, onder de voorwaarde dat die bodemprocedure uiterlijk op 6 maart 2026 aanhangig is gemaakt door middel van het uitbrengen van een dagvaarding door [de vrouw] aan [de man] , en met bevel dat [de man] de woning vanaf de datum van dit vonnis niet meer mag betreden, 5.2.