Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2020-07-14
ECLI:NL:RBNHO:2020:5127
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,648 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/5077
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Heikens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 10 april 2019 heeft verweerder de aanvraag voor bijzondere bijstand voor woninginrichting afgewezen (het primaire besluit 1) en de aanvraag voor bijzondere bijstand voor stofferingskosten toegewezen voor een bedrag van € 1.875,00 (het primaire besluit 2).
Bij besluit van 4 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft langs digitale weg plaatsgevonden op 1 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres heeft op 16 juli 2018 een urgentieverklaring gevraagd bij de gemeente Haarlemmermeer, omdat het vanwege haar medische situatie niet langer verantwoord was om bij haar ouders in huis te blijven wonen. Op 16 oktober 2018 is aan haar een urgentieverklaring afgegeven en vanaf 12 februari 2019 huurt zij een eigen woning. Eiseres beschikt sinds 2014 over een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en op dit moment ontvangt zij op grond hiervan € 1.038,12 per maand. Op 27 februari 2019 heeft eiseres een aanvraag voor bijzondere bijstand voor woninginrichting en verhuiskosten ingediend.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de inrichtingskosten in stand gelaten. Volgens verweerder is de omstandigheid dat eiseres op zichzelf is gaan wonen geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijzondere bijstand kan worden toegekend. Het was voorzienbaar dat eiseres als jongvolwassene op enig moment zelfstandig zou gaan wonen. Eiseres heeft volgens verweerder niet nader onderbouwd dat de verzamelwoede van haar vader plotseling is ontstaan, waardoor zij op korte termijn het huis moest verlaten. Zij kan zich volgens verweerder wenden tot de Kredietbank voor een lening. Ten aanzien van de stofferingskosten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de stoffering van haar woning meer dan de toegekende € 1.875,00 nodig heeft. Uit de door haar overgelegde offertes blijkt dat de kosten ruim onder dit bedrag blijven.
3. Het beroep van eiseres richt zich alleen tegen het bestreden besluit voor zover dat ziet op de kosten voor de woninginrichting.
4.1
Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte geen bijzondere bijstand voor woninginrichting heeft toegekend. Zij kan deze kosten niet uit eigen middelen kan betalen, omdat haar draagkracht nihil is. De vraag of de kosten voorzienbaar waren is volgens eiseres dan ook niet relevant. Voor zover dit wel relevant zou zijn, voert eiseres aan dat de kosten voor haar niet voorzienbaar waren. Vanwege haar financiële positie en medische problematiek heeft zij nooit het voornemen gehad om zelfstandig te gaan wonen. Zij werd hiertoe gedwongen door de stagnerende medische behandeling en de gevaarlijke thuissituatie door haar vaders verzamelwoede. Als zij al had kunnen sparen, dan was dat pas geweest vanaf het moment dat ze de urgentieverklaring heeft ontvangen, dan wel het moment dat ze de urgentieverklaring had aangevraagd. Zij had met 10% van haar uitkering nooit genoeg kunnen sparen om de kosten voor de inrichting van € 5639,71 te kunnen betalen. Verder voert eiseres aan dat de bijzondere bijstand voor woninginrichting had moeten worden toegekend, omdat ook de bijzondere bijstand voor stofferingskosten is toegekend. Voor beide kosten geldt hetzelfde toetsingskader en had dus tot dezelfde conclusie moeten worden gekomen.
4.2
In artikel 35, eerste lid van de Participatiewet (Pw) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het is aan eiseres als aanvrager van bijzondere bijstand om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw.
Eveneens vaste jurisprudentie van de CRvB is dat de kosten van woninginrichting tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.3
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd, zich voordeden en dat die kosten in het individuele geval van eiseres noodzakelijk waren. Tussen partijen is in geschil of tevens is voldaan aan de voorwaarde dat de betreffende kosten voorvloeien uit bijzondere omstandigheden. Zoals hiervoor is weergegeven speelt in dat kader ook de vraag of eiseres had kunnen sparen voor de inrichtingskosten. Eerst als aangenomen kan worden dat sprake is van bijzondere omstandigheden, wordt de draagkracht beoordeeld. Anders dan eiseres betoogt dient de vraag naar de voorzienbaarheid van de kosten dus los en voorafgaand aan de vraag naar de draagkracht worden beoordeeld. Eiseres kan dan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat de vraag naar de voorzienbaarheid niet relevant is.
4.4
In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar verhuizing zodanig plotseling en onvoorzienbaar was dat zij hiervoor niet heeft kunnen reserveren. Ook in beroep heeft eiseres niet onderbouwd dat de situatie in huis door haar vaders verzamelwoede plotseling is opgekomen. De enkele verklaring ter zitting dat hij opeens raar ging doen en allerlei spullen begon te kopen, is hiervoor onvoldoende. Ook de omstandigheid dat aan haar een urgentieverklaring is afgegeven, betekent niet dat sprake was van een plotselinge en onvoorzienbare verhuizing. Eiseres heeft op 16 juli 2018 een aanvraag ingediend om voorrang te verkrijgen bij woningtoewijzing, zodat zij in ieder geval vanaf die datum een verhuizing binnen afzienbare tijd kon voorzien. Van haar had mogen worden verwacht dat zij in ieder geval vanaf dat moment zou reserveren voor de kosten van de inrichting van een woning. Dit geldt te meer nu zij zelf heeft verklaard dat zij niets mee zou nemen uit haar ouderlijk huis, omdat die spullen van haar ouders zijn. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiseres niet de financiële ruimte had om te reserveren. Eiseres heeft verklaard bij haar ouders weinig vaste lasten te hebben. Zij zou alleen kosten hebben voor haar auto, ziektekosten en boodschappen voor haar ouders.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is gedaan op 14 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Onder meer de uitspraak van 30 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1475
Onder meer de uitspraken van 24 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009: BH4103, en 19 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0095.
Zie ook recent nog de uitspraak van 30 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1475.