Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-04-26
ECLI:NL:RBNHO:2023:3720
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,786 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/6029
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Poort),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder
(gemachtigde: R. de Greef).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser heeft een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser heeft een aanvraag bijzondere bijstand gedaan voor de kosten van de aanschaf van een wasmachine en een koelkast.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 mei 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een wasmachine en koelkast. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De beroepsgronden van eiser slagen niet. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat kosten in beginsel moeten worden voldaan uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is. Het inkomen bestaat uit een Wajong-uitkering en dit is boven het sociaal minimum. Er is geen onderbouwing voor de stelling van eiser dat de koelkast en wasmachine eerder stuk waren dan voorzien. De kortere levensduur van de thans aanwezige tweedehands aangeschafte koelkast en wasmachine is geen bijzondere omstandigheid. Verweerder concludeert dat eiser had kunnen reserveren voor de aanvraag. Op de Wajong-uitkering was ten tijde van de aanvraag in mei 2022 geen beslag gelegd en deze stond volledig tot zijn beschikking. Het feit dat vanaf augustus 2022 maandelijks € 48,00 met de Wajong-uitkering wordt verrekend in verband met een terugvordering, maakt dit niet anders. De stelling dat eiser extra hoge kosten heeft wegens zijn ziekte is niet inzichtelijk gemaakt en onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Ten slotte vermeldt verweerder dat vanaf 2016 aan eiser bijzondere bijstand is toegekend voor het bezoeken van zijn kinderen, die elders wonen.
Standpunten eiser
5. Eiser stelt – met verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – dat de vraag of al dan niet gereserveerd had kunnen worden niet meer relevant is. De bijzondere bijstand wordt – ondanks het niet reserveren – toegekend wegens bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Die bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de ongeneeslijke ziekte waar eiser aan lijdt. Dit had eiser niet kunnen voorzien. Eiser stelt dat er wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat hij die reservering nodig had voor onvoorziene kosten, zoals medicatie, parkeer- en reiskosten in verband met zijn ziekte en ziekenhuisbezoeken alsmede dat hij de tijd die hem nog resteert graag wil gebruiken met zijn dierbaren en zich niet druk wil maken hoe hij aan een nieuwe koelkast of wasmachine moet komen. Ook is de koelkast nodig om zijn medicijnen in te koelen. Om die reden heeft hij niet kunnen reserveren. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser zijn medische gegevens ingebracht, waaruit blijkt dat er sprake is van niet kleincellig longcarcinoom, en dat hij nog twee tot drie maanden te leven heeft.
5.1.
Eiser stelt dat verweerder in de afwijzing ten onrechte heeft gemotiveerd dat de ziekte niet met medisch objectiveerbare gegevens is onderbouwd, terwijl gemachtigde van eiser tijdens de hoorzitting had aangevoerd desgewenst de medische gegevens te kunnen overleggen, maar dit uit privacyoverwegingen niet op voorhand te hebben gedaan. Eiser stelt dat verweerder in het kader van zorgvuldige besluitvorming meer gericht eiser naar van belang zijnde gegevens had moeten vragen. Eiser wijst erop dat op korte termijn na de hoorzitting de afwijzing volgde. Eiser vermoedt dat dat verband hield met de omstandigheid dat verweerder in gebreke was gesteld en deze geen dwangsommen wilde verbeuren.
5.2.
Eiser stelt dat in de beleidsregels geen uiteenzetting of voorbeelden worden genoemd van wat onder bijzondere voorwaarden wordt verstaan, zodat de blote stelling “dat schulden daar niet onder vallen” onvoldoende gemotiveerd is. Bovendien wordt bij het aanvraagformulier bijzondere bijstand nu juist gevraagd of er sprake is van schulden(problematiek). Daaruit leidt eiser af dat het hebben van schulden wel degelijk een factor van belang is. Daar is in de beslissing op bezwaar nauwelijks op ingegaan, terwijl eiser juist door zijn financiële situatie niet eerder in staat was om apparatuur nieuw aan te schaffen.
Het toetsingskader
6. Het gaat in deze zaak om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand. Daarvoor geldt dat een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag.
6.1.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft eiser recht op bijzondere bijstand voor zover hij niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de Pw, niet van toepassing zijn.
6.2.
Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het dagelijks bestuur ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De vraag of eiser al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft gevraagd, moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
Bijzondere omstandigheden
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is of de kosten van aanschaf van een koelkast en een wasmachine voor eiser zich voordoen en noodzakelijk zijn. De rechtbank zal daarom, net als verweerder heeft gedaan in het bestreden besluit, de beoordeling beperken tot de vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
8. De kosten van aanschaf, onderhoud en vervanging van duurzame gebruiksgoederen, zoals een wasmachine en koelkast, dienen te worden gerekend tot de incidenteel voorkomende, algemene kosten van het bestaan. Deze kosten dienen daarom in beginsel te worden voldaan uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening voor deze kosten is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser echter niet gebleken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die zouden moeten leiden tot de verlening van bijzondere bijstand. Hoewel is voor te stellen dat eiser in zijn situatie kosten heeft moeten maken die niet voorzien waren, betekent dit echter nog niet dat al om die reden sprake is van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om hem de gevraagde bijzondere bijstand te verlenen. Eiser stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat hij niet heeft kunnen reserveren omdat hij onvoorziene kosten voor medicatie, parkeer- en reiskosten in verband met zijn ziekte en ziekenhuisbezoeken heeft gemaakt. Die stelling is niet aan de hand van objectief verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt.
Conclusie
12. Het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:398.
CRvB 1 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1129.
Bijvoorbeeld CRvB 27 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0163 en CRvB 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:992.
Zie de uitspraak van de CRvB van 30 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1475.
Zie de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BV2318.