Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2016-01-14
ECLI:NL:RBNHO:2016:276
Civiel recht
Bodemzaak
2,240 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 4202459 / CV EXPL 15-3688
Uitspraakdatum: 14 januari 2016
Vonnis in de zaak van:
mr. Frederik Petrus Klaver, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Graaf en De Boer B.V.,
gevestigd te Alkmaar
eiser
verder te noemen: de curator
gemachtigde: mr. K.M. Janssen
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forhold B.V. ,
gevestigd te Purmerend
gedaagde
verder te noemen: Forhold
gemachtigde: mr. L.I. Koenderman
1Het procesverloop
1.1.
De curator heeft bij dagvaarding van 1 juni 2015 een vordering tegen Forhold ingesteld. Forhold heeft schriftelijk geantwoord en een incident opgeworpen (exceptie van onbevoegdheid). De curator heeft op dit incident schriftelijk gereageerd. Bij vonnis van 15 oktober 2015 heeft de kantonrechter zich bevoegd verklaard en een comparitie van partijen gelast.
1.2.
Op 2 december 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Door partijen zijn pleitnotities overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft de curator bij brief van 24 november 2015 nog stukken toegezonden. Ter zitting heeft de curator een aantal van deze stukken vervangen door de juiste exemplaren.
Feiten
2.1.
De Graaf en De Boer B.V. is bij vonnis van 18 juni 2013 op eigen verzoek failliet verklaard door de rechtbank te Haarlem, hierna: De Graaf.
2.2.
De Graaf is op 13 december 1999 opgericht en dreef een onderneming gericht op staalbouw (staalconstructies, trappen, hekken, etc.).
2.3.
De Graaf was gevestigd aan de Voltastraat 33-37 te Purmerend.
2.4.
Forhold houdt sinds 11 januari 2006 alle aandelen in het kapitaal van De Graaf. De heren [A] en [B] zijn (indirect) statutair bestuurders en aandeelhouders van Forhold en waren beiden krachtens een arbeidsovereenkomst werkzaam voor De Graaf. De heer [A] was tevens statutair bestuurder van De Graaf. Er zijn nog twee andere aandeelhouders van Forhold.
2.5.
Op 12 januari 2006 hebben Forhold en De Graaf een huurovereenkomst gesloten, waarbij Forhold optrad als verhuurder en De Graaf als huurder van het pand gelegen aan de Voltastraat 33-37, hierna: de huurovereenkomst. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte van toepassing, hierna: de Algemene Bepalingen. In artikel 16.6 daarvan is een regeling opgenomen ten aanzien van de verrekening van de betaalde voorschotbedragen onder de huurovereenkomst.
2.6.
In artikel 4.8 van de huurovereenkomst staat het bedrag dat De Graaf als huurder maandelijks verschuldigd is aan Forhold, te weten een bedrag van € 14.280,00 (de huurprijs van € 12.000,00 vermeerderd met € 2.280,00 aan (overeengekomen) btw). Achter de post ‘het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege verhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten’ staat geen bedrag opgenomen.
2.7.
In artikel 5 van de huurovereenkomst kan vermeld worden welke bijkomende leveringen en diensten worden geleverd door verhuurder. Hier staan geen leveringen of diensten vermeld.
2.8.
Vanaf januari 2006 is door De Graaf maandelijks een bedrag van € 9.520,00 inclusief btw betaald. Hiervoor heeft Forhold facturen gestuurd aan De Graaf en deze kosten zijn daarbij op de factuur vermeld onder de noemer: ‘service- en beheerkosten’. Het bedrag is jaarlijks verhoogd gelijk aan de indexering van de huursom. Vanaf maart 2009 staan de huursom en het bedrag onder de noemer service- en beheerkosten op één factuur vermeld. De Graaf heeft de facturen betaald en daarmee aan service- en beheerkosten vanaf januari 2009 tot en met 2013 een bedrag van € 652.311,14 betaald aan Forhold.
3De vordering
3.1.
De curator vordert dat de kantonrechter Forhold veroordeelt tot betaling van
€ 652.311,14, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten. Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – primair dat door De Graaf op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst maandelijks bedragen zijn betaald ten titel van voorschot op service- en beheerkosten en dat op grond van artikel 16.6 van de Algemene Bepalingen het teveel betaalde door Forhold moet worden terugbetaald. Subsidiair is volgens de curator sprake van onverschuldigde betaling en meer subsidiair van ongerechtvaardigde verrijking. De rente is verschuldigd vanaf de datum dat Forhold in verzuim verkeert ten aanzien van haar betalingsverplichting.
4Het verweer
4.1.
Forhold betwist de vordering met als conclusie dat deze moet worden afgewezen, met veroordeling van de curator in de proceskosten.
Beoordeling
5.1.
Als eerste zal de kantonrechter beoordelen of er maandelijks bedragen zijn betaald door De Graaf aan Forhold ten titel van voorschot op service- en beheerkosten. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Weliswaar staat op de facturen vermeld dat het om service- en beheerkosten gaat, maar uit de huurovereenkomst blijkt niet dat partijen zijn overeengekomen dat er bijkomende leveringen zullen zijn (zie punt 2.6 en 2.7 van dit vonnis). Daarbij is door de curator niet betwist dat De Graaf zelf de overeenkomsten met derden ten behoeve van bijkomende leveringen (zoals gas en elektra) is aangegaan en hiervoor bedragen aan derden heeft betaald. De enkele omschrijving op de factuur is dan ook onvoldoende ter onderbouwing van de stelling dat sprake zou zijn van een voorschot op service- en beheerkosten onder de huurovereenkomst waarop artikel 16.6 van de Algemene bepalingen van toepassing zou zijn.
5.2.
Van onverschuldigde betaling is naar het oordeel van de kantonrechter evenmin sprake. Er was tussen De Graaf en Forhold kennelijk een afspraak op grond waarvan Forhold maandelijks facturen verstuurde aan De Graaf met als omschrijving service- en beheerkosten die vervolgens door De Graaf werden betaald. Door Forhold is aangevoerd dat voor deze kosten werkzaamheden en diensten zijn verricht ten behoeve van De Graaf. Weliswaar heeft Forhold slechts zeer summier onderbouwd dat hiervan sprake is terwijl door de curator is betwist dat er sprake was van een tegenprestatie, maar feit is dat De Graaf het als haar verplichting heeft gezien de facturen te betalen. Zij heeft deze immers over de periode 2006-2013 betaald, zonder dat daarbij door haar op enig moment een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van de verschuldigdheid daarvan. De betaling is dan ook gegrond verricht en daarmee niet onverschuldigd.
5.3.
Meer subsidiair heeft de curator zijn vordering gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. De curator stelt in dit verband dat sprake is van verrijking aan de kant van Forhold en verarming aan de kant van De Graaf omdat door Forhold geen tegenprestatie is verricht maar wel betalingen zijn ontvangen van De Graaf. De contractuele afspraak is volgens de curator niet voldoende om dit te rechtvaardigen.
5.4.
De kantonrechter is van oordeel dat ook deze grondslag van de vordering moet worden afgewezen. De afspraak die tussen De Graaf en Forhold bestond, rechtvaardigt in beginsel de verrijking van Forhold. In faillissement geldt bovendien dat in artikel 47 Faillissementswet een specifieke regeling is uitgewerkt die een uitzondering vormt op het beginsel dat een schuldeiser (in dit geval: Forhold) erop mag vertrouwen dat een verschuldigde betaling onaantastbaar blijft. Zie hiertoe ook hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 3.7.4. van haar arrest van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5986. Hierop stuit het beroep op ongerechtvaardigde verrijking af.
5.5.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de curator zal afwijzen.
5.6.
De proceskosten komen voor rekening van de curator, omdat hij ongelijk krijgt.
Dictum
De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de curator tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Forhold worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 aan salaris van de gemachtigde van Forhold.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg, kantonrechter en op 14 januari 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter