Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-29
ECLI:NL:RBMNE:2026:2043
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,172 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2043 text/xml public 2026-05-18T13:46:18 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 UTR 24/2683 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2043 text/html public 2026-05-18T13:45:59 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2043 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / UTR 24/2683 Mondeling uitspraak. Parkeerbelasting; objectieve belasting. De uitspraak op bezwaar is voldoende gemotiveerd. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2683 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder, verschenen bij gemachtigde mr. D.J. Koopmans. Procesverloop 1.1 De heffingsambtenaar heeft op 6 maart 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. 1.2 De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.3 Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 De zaak is behandeld op de zitting van 29 april 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen. 1.5 De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de auto van eiser met kenteken [kenteken] op 22 februari 2024 om 17.46 uur geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de Minstraat in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan. 4. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser voert aan dat hij een parkeervergunning heeft voor zijn auto op ongeveer vier minuten lopen vanaf de Minstraat. Eiser verhuurt zijn auto via een platform. De auto was verhuurd en werd teruggebracht door de huurder. Op het platform bleek ook het huisadres van eiser zichtbaar. De huurder heeft gevraagd of eiser over een parkeervergunning beschikte en heeft de auto toen bij eiser voor de deur gezet. Door miscommunicatie is de auto op een plek gezet waar de parkeervergunning niet van toepassing was. 5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het op de weg van de verhuurder ligt om de huurder op een juiste en volledige manier te informeren of er sprake is van parkeervergunning en waar die vergunning geldig is. Dat er sprake is geweest van miscommunicatie komt voor eisers eigen rekening en risico. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er geen ruimte is om uit coulance iets anders te beslissen. 6. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn betoog en verwijst in dit verband ook naar de vorige zaak van eiser (ECLI:NL:RBMNE:2025:2259) waarin zijn auto ook in een andere zone stond geparkeerd dan de zone waarvoor hij een parkeervergunning heeft. De parkeerbelasting is geen boete zoals eiser stelt, maar een objectieve belasting waardoor er geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Het niet betalen van de parkeerbelasting komt dus voor rekening en risico van eiser. 7. Eiser voert verder aan dat de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2024 onvoldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar is volgens eiser niet inhoudelijk ingegaan op de door hem aangevoerde gronden. 8. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eiser en is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft als bezwaargrond genoemd dat eiser bij aanvang van het parkeren in het bezit was van een parkeervergunning. In de motivering legt de heffingsambtenaar uit dat tijdens de parkeercontrole is geconstateerd dat eisers vergunning ter plaatse niet geldig was. Daarbij is gewezen op de stratenlijst die bij de parkeervergunning is bijgevoegd. Daarom is de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en blijft deze gehandhaafd. De beroepsgrond slaagt niet. 9. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug. 10. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-De Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9122.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2043 text/xml public 2026-05-18T13:46:18 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-29 UTR 24/2683 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2043 text/html public 2026-05-18T13:45:59 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2043 Rechtbank Midden-Nederland , 29-04-2026 / UTR 24/2683 Mondeling uitspraak. Parkeerbelasting; objectieve belasting. De uitspraak op bezwaar is voldoende gemotiveerd. Ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/2683 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder, verschenen bij gemachtigde mr. D.J. Koopmans. Procesverloop 1.1 De heffingsambtenaar heeft op 6 maart 2024 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. 1.2 De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.3 Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 De zaak is behandeld op de zitting van 29 april 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen. 1.5 De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de auto van eiser met kenteken [kenteken] op 22 februari 2024 om 17.46 uur geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de Minstraat in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan. 4. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser voert aan dat hij een parkeervergunning heeft voor zijn auto op ongeveer vier minuten lopen vanaf de Minstraat. Eiser verhuurt zijn auto via een platform. De auto was verhuurd en werd teruggebracht door de huurder. Op het platform bleek ook het huisadres van eiser zichtbaar. De huurder heeft gevraagd of eiser over een parkeervergunning beschikte en heeft de auto toen bij eiser voor de deur gezet. Door miscommunicatie is de auto op een plek gezet waar de parkeervergunning niet van toepassing was. 5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het op de weg van de verhuurder ligt om de huurder op een juiste en volledige manier te informeren of er sprake is van parkeervergunning en waar die vergunning geldig is. Dat er sprake is geweest van miscommunicatie komt voor eisers eigen rekening en risico. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er geen ruimte is om uit coulance iets anders te beslissen. 6. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn betoog en verwijst in dit verband ook naar de vorige zaak van eiser (ECLI:NL:RBMNE:2025:2259) waarin zijn auto ook in een andere zone stond geparkeerd dan de zone waarvoor hij een parkeervergunning heeft. De parkeerbelasting is geen boete zoals eiser stelt, maar een objectieve belasting waardoor er geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Het niet betalen van de parkeerbelasting komt dus voor rekening en risico van eiser. 7. Eiser voert verder aan dat de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2024 onvoldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar is volgens eiser niet inhoudelijk ingegaan op de door hem aangevoerde gronden. 8. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eiser en is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft als bezwaargrond genoemd dat eiser bij aanvang van het parkeren in het bezit was van een parkeervergunning. In de motivering legt de heffingsambtenaar uit dat tijdens de parkeercontrole is geconstateerd dat eisers vergunning ter plaatse niet geldig was. Daarbij is gewezen op de stratenlijst die bij de parkeervergunning is bijgevoegd. Daarom is de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en blijft deze gehandhaafd. De beroepsgrond slaagt niet. 9. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug. 10. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-De Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9122.