Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-28
ECLI:NL:RBMNE:2025:2259
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5404
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
(gemachtigde: P.E. Boersma).
Inleiding
De heffingsambtenaar heeft op 27 september 2023 aan eiser als kentekenhouder een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 79,54,-opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2023, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 april 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting, eiser was niet aanwezig.
Na afloop van de zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat op 17 september 2023 om 12:53 uur de auto van eiser, met het kenteken [kenteken] , geparkeerd stond op de Keistraat in Utrecht zonder dat parkeerbelasting was betaald. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser onderbouwt dit als volgt. Eiser heeft een aantal jaar een parkeervergunning voor de binnenstad van Utrecht gehad. Omdat eiser recent uit de binnenstad verhuisd is, was hij er nog niet aan gewend dat hij daar niet meer mocht parkeren op zijn parkeervergunning (die ter plaatse niet (meer) geldig is). Eiser merkt op dat hij altijd zijn parkeervergunning heeft betaald en aan de parkeerinkomsten bijdraagt van de gemeente, de naheffingsaanslag vindt hij dan ook een verregaande maatregel. Eiser heeft niet het idee dat de gemeente goed naar zijn bezwaar heeft gekeken op basis van de motivering van de uitspraak op bezwaar. Hij voert aan dat de beroepsprocedure niet nodig was geweest als de gemeente meteen duidelijker had gemotiveerd.
4. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar uiteengezet waarom de naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd en waarom deze niet wordt vernietigd. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Ten aanzien van het standpunt van eiser met betrekking tot reden waarom de naheffingsaanslag volgens eiser onterecht is opgelegd (zie overweging 3) voert de heffingsambtenaar aan dat het de verantwoordelijkheid is van de houder van een parkeervergunning om op de hoogte te zijn van de geldigheid ervan en de voorwaarden die daaraan zijn verbonden.
6. Op de zitting en in het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er geen ruimte is om uit coulance iets anders te beslissen. De parkeerbelasting is een objectieve belasting waardoor er geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Het niet betalen van de parkeerbelasting komt dus voor rekening en risico van eiser.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug.
8. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2025 door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9122 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5404
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht
(gemachtigde: P.E. Boersma).
Inleiding
De heffingsambtenaar heeft op 27 september 2023 aan eiser als kentekenhouder een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 79,54,-opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer] ).
Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2023, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 april 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting, eiser was niet aanwezig.
Na afloop van de zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat op 17 september 2023 om 12:53 uur de auto van eiser, met het kenteken [kenteken] , geparkeerd stond op de Keistraat in Utrecht zonder dat parkeerbelasting was betaald. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Eiser onderbouwt dit als volgt. Eiser heeft een aantal jaar een parkeervergunning voor de binnenstad van Utrecht gehad. Omdat eiser recent uit de binnenstad verhuisd is, was hij er nog niet aan gewend dat hij daar niet meer mocht parkeren op zijn parkeervergunning (die ter plaatse niet (meer) geldig is). Eiser merkt op dat hij altijd zijn parkeervergunning heeft betaald en aan de parkeerinkomsten bijdraagt van de gemeente, de naheffingsaanslag vindt hij dan ook een verregaande maatregel. Eiser heeft niet het idee dat de gemeente goed naar zijn bezwaar heeft gekeken op basis van de motivering van de uitspraak op bezwaar. Hij voert aan dat de beroepsprocedure niet nodig was geweest als de gemeente meteen duidelijker had gemotiveerd.
4. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar uiteengezet waarom de naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd en waarom deze niet wordt vernietigd. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Ten aanzien van het standpunt van eiser met betrekking tot reden waarom de naheffingsaanslag volgens eiser onterecht is opgelegd (zie overweging 3) voert de heffingsambtenaar aan dat het de verantwoordelijkheid is van de houder van een parkeervergunning om op de hoogte te zijn van de geldigheid ervan en de voorwaarden die daaraan zijn verbonden.
6. Op de zitting en in het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat er geen ruimte is om uit coulance iets anders te beslissen. De parkeerbelasting is een objectieve belasting waardoor er geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Het niet betalen van de parkeerbelasting komt dus voor rekening en risico van eiser.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug.
8. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2025 door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9122 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)