Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-17
ECLI:NL:RBMNE:2026:1758
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,561 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1758 text/xml public 2026-05-11T11:45:14 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 25/6140 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1758 text/html public 2026-05-11T11:44:47 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1758 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 25/6140 Parkeerbelasting. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6140 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder ( gemachtigde: T. Klinkhamer) Procesverloop 1.1 De heffingsambtenaar heeft op 21 juni 2024 en 28 juni 2024 aan eiser naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. 1.2 De heffingsambtenaar heeft bij de uitspraken op bezwaar van 23 september 2025 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. 1.3 Eiser heeft op 23 oktober 2025 tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 Op 27 oktober 2025 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag van 28 juni 2024 alsnog ambtshalve uit coulance vernietigd. De rechtbank bespreekt deze naheffingsaanslag daarom niet in haar uitspraak. 1.5 De zaak is behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen. De reden hiervoor is volgens eiser dat hij geen e-mail notificatie heeft gehad van de zittingsuitnodiging en daardoor niet op de hoogte was van de zitting. Na afloop van de zitting is gebleken dat er op 15 december 2025 om 13:15 uur een e-mail notificatie naar het e-mailadres van eiser is gestuurd dat bij de rechtbank bekend is. De eerdere e-mail notificaties zijn ook naar dit e-mailadres gestuurd. Op basis van deze informatie is besloten het onderzoek ter zitting niet te heropenen. Overwegingen Feiten 3. Het voertuig van eiser met het kenteken [kenteken] stond op 9 juni 2024 om 16:46 geparkeerd op het Hennepveld in Almere zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Beoordeling van het geschil 4. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de wettelijk beslistermijn op zijn bezwaar heeft overschreden. De beslissing op bezwaar is daarom in strijd met artikel 7:10 Awb en het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb. Eiser stelt verder dat zijn moeder vorig jaar drie maanden in het ziekenhuis in Almere lag. Eiser heeft zijn moeder bijna dagelijks bezocht. Eiser is mantelzorger voor zijn beide ouders. Eiser stelt dat hij altijd zijn parkeerapplicatie heeft aangezet en dat hij bijna € 200,- aan parkeerkosten heeft betaald in drie maanden tijd. Door de stress en zorgen is hij twee keer vergeten de parkeerapplicatie te activeren. Eiser beroept zich op het redelijkheids- en billijkheidsbeginsel en vraagt om een beetje inlevingsvermogen en menselijke maat. 5. De heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak op bezwaar uiterlijk 31 december 2024 had moet worden gedaan. Door aanhoudende drukte en gebrek aan personeel is dat helaas niet gelukt. Dat betekent echter niet dat de uitspraak niet geldig is. Er moet namelijk wel een uitspraak worden gedaan. Eiser heeft de heffingsambtenaar niet in gebreke gesteld, waardoor er geen sprake kan zijn van toekenning van een dwangsom. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar verder overwogen dat de parkeerbelasting een objectieve belasting is, waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Dat betekent dat het voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of eiser al dan niet bewust geen parkeerbelasting heeft voldaan. Dit is slechts anders in het geval van een acute noodsituatie met een dermate uitzonderlijk en buitengewoon karakter er geen rechtsplicht tot betaling van parkeerbelasting bestaat. 6. De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. De heffingsambtenaar heeft weliswaar te laat beslist op het bezwaar, maar dat betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldige behandeling. Bovendien biedt de wet mogelijkheden om bij het uitblijven van een beslissing het bestuursorgaan te bewegen een beslissing te nemen. De betrokkene moet dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Van die mogelijkheid heeft eiser geen gebruik gemaakt. 7. De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser heeft opgelegd. De parkeerbelasting is een objectieve belasting waardoor geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de vergissing van eiser en de omstandigheden die daartoe geleid hebben, maakt dat niet dat hij de naheffingsaanslag niet hoeft te voldoen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd en dat eiser deze moet betalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 juli 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:2392).
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1758 text/xml public 2026-05-11T11:45:14 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-17 UTR 25/6140 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1758 text/html public 2026-05-11T11:44:47 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1758 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2026 / UTR 25/6140 Parkeerbelasting. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Almere Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6140 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder ( gemachtigde: T. Klinkhamer) Procesverloop 1.1 De heffingsambtenaar heeft op 21 juni 2024 en 28 juni 2024 aan eiser naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. 1.2 De heffingsambtenaar heeft bij de uitspraken op bezwaar van 23 september 2025 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. 1.3 Eiser heeft op 23 oktober 2025 tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 Op 27 oktober 2025 heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag van 28 juni 2024 alsnog ambtshalve uit coulance vernietigd. De rechtbank bespreekt deze naheffingsaanslag daarom niet in haar uitspraak. 1.5 De zaak is behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting. Eiser is niet verschenen. De reden hiervoor is volgens eiser dat hij geen e-mail notificatie heeft gehad van de zittingsuitnodiging en daardoor niet op de hoogte was van de zitting. Na afloop van de zitting is gebleken dat er op 15 december 2025 om 13:15 uur een e-mail notificatie naar het e-mailadres van eiser is gestuurd dat bij de rechtbank bekend is. De eerdere e-mail notificaties zijn ook naar dit e-mailadres gestuurd. Op basis van deze informatie is besloten het onderzoek ter zitting niet te heropenen. Overwegingen Feiten 3. Het voertuig van eiser met het kenteken [kenteken] stond op 9 juni 2024 om 16:46 geparkeerd op het Hennepveld in Almere zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Beoordeling van het geschil 4. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de wettelijk beslistermijn op zijn bezwaar heeft overschreden. De beslissing op bezwaar is daarom in strijd met artikel 7:10 Awb en het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb. Eiser stelt verder dat zijn moeder vorig jaar drie maanden in het ziekenhuis in Almere lag. Eiser heeft zijn moeder bijna dagelijks bezocht. Eiser is mantelzorger voor zijn beide ouders. Eiser stelt dat hij altijd zijn parkeerapplicatie heeft aangezet en dat hij bijna € 200,- aan parkeerkosten heeft betaald in drie maanden tijd. Door de stress en zorgen is hij twee keer vergeten de parkeerapplicatie te activeren. Eiser beroept zich op het redelijkheids- en billijkheidsbeginsel en vraagt om een beetje inlevingsvermogen en menselijke maat. 5. De heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak op bezwaar uiterlijk 31 december 2024 had moet worden gedaan. Door aanhoudende drukte en gebrek aan personeel is dat helaas niet gelukt. Dat betekent echter niet dat de uitspraak niet geldig is. Er moet namelijk wel een uitspraak worden gedaan. Eiser heeft de heffingsambtenaar niet in gebreke gesteld, waardoor er geen sprake kan zijn van toekenning van een dwangsom. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar verder overwogen dat de parkeerbelasting een objectieve belasting is, waarbij opzet en schuld geen rol spelen. Dat betekent dat het voor de verschuldigdheid van de parkeerbelasting niet relevant is of eiser al dan niet bewust geen parkeerbelasting heeft voldaan. Dit is slechts anders in het geval van een acute noodsituatie met een dermate uitzonderlijk en buitengewoon karakter er geen rechtsplicht tot betaling van parkeerbelasting bestaat. 6. De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. De heffingsambtenaar heeft weliswaar te laat beslist op het bezwaar, maar dat betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldige behandeling. Bovendien biedt de wet mogelijkheden om bij het uitblijven van een beslissing het bestuursorgaan te bewegen een beslissing te nemen. De betrokkene moet dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Van die mogelijkheid heeft eiser geen gebruik gemaakt. 7. De rechtbank is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser heeft opgelegd. De parkeerbelasting is een objectieve belasting waardoor geen rekening kan worden gehouden met persoonlijke omstandigheden. Dit ligt anders indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat sprake is van een noodsituatie of spoedeisende situatie, waardoor iemand absoluut, feitelijk en fysiek, verhinderd is om de volgens de wet verschuldigde belasting te betalen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een overmachtssituatie zoals hiervoor bedoeld. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de vergissing van eiser en de omstandigheden die daartoe geleid hebben, maakt dat niet dat hij de naheffingsaanslag niet hoeft te voldoen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd en dat eiser deze moet betalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 juli 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:2392).