Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-03
ECLI:NL:RBMNE:2025:4689
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
13,202 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/240025-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna: de verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 mei 2025. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en heeft zich niet door een advocaat laten vertegenwoordigen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt en de vordering van officier van justitie, mr. N. Schipper.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, in het kort, op neer dat de verdachte:
op 15 november 2022 in Amersfoort, samen met een ander, een contant geldbedrag van ongeveer € 210.000 heeft witgewassen.
3VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag de verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Beoordeling
Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Burggraaf, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Opdoen Poolse Audi A7
Op 15 november 2022 hebben wij een Audi met kenteken [kenteken] stilgehouden op de [straat] te Amersfoort.
Personalia
De bestuurder gaf op te zijn [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). De bijrijder gaf op te zijn: [verdachte] .
Doorzoeken voertuig
Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] voor de Audi gingen staan. Ik zag dat [medeverdachte] op dat moment een zwarte schoudertas om had. Ik zag dat [verdachte] een roodkleurig rugtasje bij zich droeg. Ik vond dit vreemd aangezien ze net uit een auto kwamen en daar genoeg ruimte was om de tassen neer te leggen.
Aanhouding verdachten
Ik zag dat [medeverdachte] nog steeds de zwarte schoudertas om had. Ik opende de schoudertas. Ik zag direct een groot geldbedrag. Ik zag dat er meerdere briefjes van 50 euro en 20 euro opgevouwen in elkaar in de tas zaten. Ik zag dat er ook buitenlands geld in de tas zat. Ik zag dat de eurobiljetten met een elastiek ingebonden waren.
Ik zag dat [verdachte] de roodkleurige rugtas in de Audi legde. Ik zag dat collega [A] de rode tas vanuit de Audi pakte en er in keek. Ik hoorde hem zeggen dat er in de rode tas ook een grote hoeveelheid contant briefgeld zat. Ik kreeg te horen dat het pakken met briefjes van 50 euro en 200 euro biljetten betrof.
Ik opende vervolgens het rechter achterportier van de Audi. Ik pakte een groene zak en zag dat ook hier meerdere stapels contant geld in lagen. Ik zag dat dit stapels met briefjes van 50 euro en stapels met briefjes van 200 euro waren.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Aangetroffen in schoudertas
Goednummer: PL0900-2022340297-3076356
Object: Geld
Totale hoeveelheid: 7670 PLN
Bijzonderheden: 1 x 500 PLN, 18 x 100 PLN, 72 x 50 PLN, 70 x 20 PLN, 37 x 10 PLN.
Goedummer: PL0900-2022340297-3076357
Object: Geld
Totale hoeveelheid: 5 GBP.
Goednummer: PL0900-202234 0297-3076359
Object: Geld (Munten)
Totale hoeveelheid: 24,20 EUR
Bijzonderheden: 7 x 2 euro, 8 x 1 euro, 4 x 0,5 euro, 1 x 0,2 euro.
Goednummer: PL0900-2022340297-3076360
Object: Geld (Munten)
Totale hoeveelheid: 4 PLN
Bijzonderheden: 2 x 2 PLN.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Geld werd aangetroffen in de zwarte schoudertas van verdachte [medeverdachte]
Goednummer: PL0900-2022340297-3076339
Object: Geld (Biljetten)
Totale hoeveelheid: 3.250 EUR
Bijzonderheden: 2 x 10 euro, 49 x 20 euro en 45 x 50 euro.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Geld werd in een groene zak aangetroffen op de achterbank van een Audi A7 met Pools kenteken [kenteken] .
Goednummer: PL0900-2022340297-3076145
Object: Geld (Biljetten)
Totale hoeveelheid: 150.000 EUR
Bijzonderheden: 600 biljetten van 50 euro en 600 biljetten van 200 euro.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Aangetroffen in rode knapzak op de rug van [verdachte]
Goednummer: PL0900-2022340297-3076336
Object: Geld (Biljetten)
Totale hoeveelheid: 55.000 EUR
Bijzonderheden: 300 x 50 euro, 200 x 100 euro, 100 x 200 euro.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 22 november 2022 werd een ARO verzoek naar Polen verzonden inzake informatie over de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] . Middels het ARO verzoek werd gevraagd om informatie over vermogensbestanddelen, waaronder onroerend goed, voertuigen, bankrekeningnummers en belastinggegevens op naam. Daarnaast werd verzocht om eventuele inschrijvingen bij het handelsregister en hypotheekgegevens.
[verdachte]
heeft geen onroerend goed of overige hypothecaire vermogensbestanddelen op naam. Ook zijn er geen registraties bekend in het handelsregister.
[medeverdachte]
heeft geen onroerend goed of overige hypothecaire vermogensbestanddelen op naam. Ook zijn er geen registraties bekend in het handelsregister of Poolse KvK. [medeverdachte] heeft geen voertuigen op naam.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Van een van de Belastingkantoren in Polen is een antwoord ontvangen met betrekking tot [medeverdachte] :- Over 2020 heeft [medeverdachte] niet-agrarische bedrijfsactiviteiten opgegeven als bron van inkomsten, met een verlies van PLN 566,91;- Over 2021 gaf [medeverdachte] inkomsten op uit loondienst: een inkomen van PLN 5806,06, inkomenskosten van PLN 900. Het Belastingkantoor ontving een vooruitbetaling van betaalde belastingen van PLN 800.
Bewijsoverweging
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte het tenlastegelegde geldbedrag samen voorhanden hebben gehad, dat dit onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte en de medeverdachte dit ook wisten. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 15 november 2022 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander één voorwerp, te weten een contant geldbedrag van ongeveer 210.000 euro voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet op: het medeplegen van witwassen.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden op te leggen.
8.2
Beoordeling
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij de straf heeft bepaald.
8.2.1
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag, namelijk ongeveer € 210.000. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en het draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. De verdachte heeft daar met zijn handelen een bijdrage aan geleverd. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
8.2.2
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 9 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
8.2.3
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit en de hoogte van het witgewassen bedrag kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de LOVS-oriëntatiepunten geldt voor fraude met benadelingsbedragen tussen de € 125.000 en € 250.000 als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 tot 12 maanden.
De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend. De rechtbank constateert echter dat de redelijke termijn is overschreden. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank 15 november 2022, de dag dat de verdachte is aangehouden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat tussen de aanhouding van de verdachte en dit eindvonnis ongeveer tweeënhalf jaar is verstreken, waardoor de redelijke termijn met ongeveer zes maanden is overschreden. Nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden en deze vertraging niet aan de verdachte te wijten is, zal de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn en een strafkorting van één maand gevangenisstraf toepassen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet.
9BESLAG
Onder de verdachte is een geldbedrag van € 55.000 (goednummer: G3076336) inbeslaggenomen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd verklaard dient te worden, omdat met betrekking tot dit geldbedrag het bewezen verklaarde feit is begaan.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden;
Beslag
- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag (goednummer: G3076336).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. S.S.I. Jackson, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 november 2022, te Amersfoort, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 210.000 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (al dan niet eigen) misdrijfen/of(telkens) één of meer voorwerpen(en) te weten een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 210.000 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (al dan niet eigen) misdrijf.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 juli 2024, genummerd PL0900-2022340297 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 172. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 november 2022, pagina 62.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 november 2022, pagina 63.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 27.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 28.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 34.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 30.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 32.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 13 januari 2023, pagina 164.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 7 maart 2023, pagina 168.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/240025-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna: de verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 mei 2025. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en heeft zich niet door een advocaat laten vertegenwoordigen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt en de vordering van officier van justitie, mr. N. Schipper.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, in het kort, op neer dat de verdachte:
op 15 november 2022 in Amersfoort, samen met een ander, een contant geldbedrag van ongeveer € 210.000 heeft witgewassen.
3VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag de verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Beoordeling
Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Burggraaf, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Opdoen Poolse Audi A7
Op 15 november 2022 hebben wij een Audi met kenteken [kenteken] stilgehouden op de [straat] te Amersfoort.
Personalia
De bestuurder gaf op te zijn [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ). De bijrijder gaf op te zijn: [verdachte] .
Doorzoeken voertuig
Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] voor de Audi gingen staan. Ik zag dat [medeverdachte] op dat moment een zwarte schoudertas om had. Ik zag dat [verdachte] een roodkleurig rugtasje bij zich droeg. Ik vond dit vreemd aangezien ze net uit een auto kwamen en daar genoeg ruimte was om de tassen neer te leggen.
Aanhouding verdachten
Ik zag dat [medeverdachte] nog steeds de zwarte schoudertas om had. Ik opende de schoudertas. Ik zag direct een groot geldbedrag. Ik zag dat er meerdere briefjes van 50 euro en 20 euro opgevouwen in elkaar in de tas zaten. Ik zag dat er ook buitenlands geld in de tas zat. Ik zag dat de eurobiljetten met een elastiek ingebonden waren.
Ik zag dat [verdachte] de roodkleurige rugtas in de Audi legde. Ik zag dat collega [A] de rode tas vanuit de Audi pakte en er in keek. Ik hoorde hem zeggen dat er in de rode tas ook een grote hoeveelheid contant briefgeld zat. Ik kreeg te horen dat het pakken met briefjes van 50 euro en 200 euro biljetten betrof.
Ik opende vervolgens het rechter achterportier van de Audi. Ik pakte een groene zak en zag dat ook hier meerdere stapels contant geld in lagen. Ik zag dat dit stapels met briefjes van 50 euro en stapels met briefjes van 200 euro waren.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Aangetroffen in schoudertas
Goednummer: PL0900-2022340297-3076356
Object: Geld
Totale hoeveelheid: 7670 PLN
Bijzonderheden: 1 x 500 PLN, 18 x 100 PLN, 72 x 50 PLN, 70 x 20 PLN, 37 x 10 PLN.
Goedummer: PL0900-2022340297-3076357
Object: Geld
Totale hoeveelheid: 5 GBP.
Goednummer: PL0900-202234 0297-3076359
Object: Geld (Munten)
Totale hoeveelheid: 24,20 EUR
Bijzonderheden: 7 x 2 euro, 8 x 1 euro, 4 x 0,5 euro, 1 x 0,2 euro.
Goednummer: PL0900-2022340297-3076360
Object: Geld (Munten)
Totale hoeveelheid: 4 PLN
Bijzonderheden: 2 x 2 PLN.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Geld werd aangetroffen in de zwarte schoudertas van verdachte [medeverdachte]
Goednummer: PL0900-2022340297-3076339
Object: Geld (Biljetten)
Totale hoeveelheid: 3.250 EUR
Bijzonderheden: 2 x 10 euro, 49 x 20 euro en 45 x 50 euro.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Geld werd in een groene zak aangetroffen op de achterbank van een Audi A7 met Pools kenteken [kenteken] .
Goednummer: PL0900-2022340297-3076145
Object: Geld (Biljetten)
Totale hoeveelheid: 150.000 EUR
Bijzonderheden: 600 biljetten van 50 euro en 600 biljetten van 200 euro.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstandigheden: Aangetroffen in rode knapzak op de rug van [verdachte]
Goednummer: PL0900-2022340297-3076336
Object: Geld (Biljetten)
Totale hoeveelheid: 55.000 EUR
Bijzonderheden: 300 x 50 euro, 200 x 100 euro, 100 x 200 euro.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 22 november 2022 werd een ARO verzoek naar Polen verzonden inzake informatie over de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] . Middels het ARO verzoek werd gevraagd om informatie over vermogensbestanddelen, waaronder onroerend goed, voertuigen, bankrekeningnummers en belastinggegevens op naam. Daarnaast werd verzocht om eventuele inschrijvingen bij het handelsregister en hypotheekgegevens.
[verdachte]
heeft geen onroerend goed of overige hypothecaire vermogensbestanddelen op naam. Ook zijn er geen registraties bekend in het handelsregister.
[medeverdachte]
heeft geen onroerend goed of overige hypothecaire vermogensbestanddelen op naam. Ook zijn er geen registraties bekend in het handelsregister of Poolse KvK. [medeverdachte] heeft geen voertuigen op naam.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Van een van de Belastingkantoren in Polen is een antwoord ontvangen met betrekking tot [medeverdachte] :- Over 2020 heeft [medeverdachte] niet-agrarische bedrijfsactiviteiten opgegeven als bron van inkomsten, met een verlies van PLN 566,91;- Over 2021 gaf [medeverdachte] inkomsten op uit loondienst: een inkomen van PLN 5806,06, inkomenskosten van PLN 900. Het Belastingkantoor ontving een vooruitbetaling van betaalde belastingen van PLN 800.
Bewijsoverweging
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte het tenlastegelegde geldbedrag samen voorhanden hebben gehad, dat dit onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte en de medeverdachte dit ook wisten. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 15 november 2022 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander één voorwerp, te weten een contant geldbedrag van ongeveer 210.000 euro voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet op: het medeplegen van witwassen.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden op te leggen.
8.2
Beoordeling
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij de straf heeft bepaald.
8.2.1
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze is begaan
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag, namelijk ongeveer € 210.000. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en het draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. De verdachte heeft daar met zijn handelen een bijdrage aan geleverd. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
8.2.2
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 9 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
8.2.3
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit en de hoogte van het witgewassen bedrag kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de LOVS-oriëntatiepunten geldt voor fraude met benadelingsbedragen tussen de € 125.000 en € 250.000 als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 tot 12 maanden.
De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend. De rechtbank constateert echter dat de redelijke termijn is overschreden. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als beginpunt van de redelijke termijn neemt de rechtbank 15 november 2022, de dag dat de verdachte is aangehouden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat tussen de aanhouding van de verdachte en dit eindvonnis ongeveer tweeënhalf jaar is verstreken, waardoor de redelijke termijn met ongeveer zes maanden is overschreden. Nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden en deze vertraging niet aan de verdachte te wijten is, zal de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn en een strafkorting van één maand gevangenisstraf toepassen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet.
9BESLAG
Onder de verdachte is een geldbedrag van € 55.000 (goednummer: G3076336) inbeslaggenomen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd verklaard dient te worden, omdat met betrekking tot dit geldbedrag het bewezen verklaarde feit is begaan.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden;
Beslag
- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag (goednummer: G3076336).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. S.S.I. Jackson, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 november 2022, te Amersfoort, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerp(en), te weten een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 210.000 euro, althans enig geldbedrag, (telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (al dan niet eigen) misdrijfen/of(telkens) één of meer voorwerpen(en) te weten een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 210.000 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (al dan niet eigen) misdrijf.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 juli 2024, genummerd PL0900-2022340297 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 172. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 november 2022, pagina 62.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 15 november 2022, pagina 63.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 27.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 28.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 34.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 30.
Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 32.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 13 januari 2023, pagina 164.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 7 maart 2023, pagina 168.
Beoordeling
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de politie op 15 november 2022 een Audi staande hield, waarvan medeverdachte [medeverdachte] de bestuurder was en verdachte de bijrijder. Op het moment dat de politie de auto wilde doorzoeken, namen zowel de medeverdachte als verdachte een tas uit de auto mee. In de rugtas van verdachte en de schoudertas van de medeverdachte bleken grote contante geldbedragen te zitten, onder meer in coupures van € 50, € 100 en € 200. Ook werd in een groene zak op de achterbank van de auto een groot contant geldbedrag aangetroffen, in coupures van € 50 en € 200. Het op deze wijze vervoeren van een dergelijk groot geldbedrag is hoogst ongebruikelijk in het geval dat het geld op legale wijze zou zijn verkregen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het fysiek vervoeren daarvan gepaard gaat met aanzienlijke veiligheidsrisico’s.
De politie heeft ook onderzoek verricht naar de legale inkomsten van de verdachte en de medeverdachte. Uit het rechtshulpverzoek in Polen is gebleken dat van verdachte [verdachte] geen legaal inkomen in Polen bekend is en dat hij geen onroerend goed of overige hypothecaire vermogensbestanddelen op zijn naam heeft staan. Ook van medeverdachte [medeverdachte] is geen legaal inkomen bekend dat dergelijke grote contante geldbedragen kan verklaren. Uit de informatie die is aangetroffen in de telefoon van de verdachte kan bovendien worden afgeleid dat de verdachte en de medeverdachte zich in Nederland bevonden met als doel om een partij verdovende middelen te kopen, en dat het geld daarvoor bestemd was. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat, na de aanhouding van de verdachten en inbeslagname van het geld, iemand het geld heeft opgeëist.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring
Gelet op het bovenstaande mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van een misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat hij uit Polen kwam en sinds drie dagen in Nederland was. Hij verklaarde verder dat hij naar Nederland was gekomen met de intentie om als zzp-er een (klus)bedrijf te starten en dat hij in Polen 19 maanden in loondienst heeft gewerkt tegen een (maand)salaris van 2.700 Poolse Zloty (ongeveer 637 euro). Uit voormeld onderzoek door de politie naar de legale inkomsten van de verdachte is echter gebleken dat van de verdachte geen legaal inkomen in Polen bekend was. Daarnaast past de hoogte van het aangetroffen geldbedrag ook niet bij verdachtes beweerdelijke gangbare inkomsten. Dit maakt verdachtes verklaring -voor zover hij daarmee getracht heeft een verklaring te geven voor het geldbedrag- niet aannemelijk. Op specifieke vragen over (de herkomst van) het onder verdachte(n) aangetroffen contante geld heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte is niet naar de zitting gekomen om een verklaring over de herkomst van het geldbedrag af te leggen.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420 bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag). Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met zijn mededader feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen (vgl. ECLI:NL:HR:2024:112 r.o. 2.4.1 – 2.4.2).
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] voor hun aanhouding op 15 november 2024 samen in een auto reden. In die auto werd na stilhouden door de politie een grote som geld aangetroffen in grote coupures (verdeeld in bundels met elastiekjes), die zich in een plastic tas op de achterbank van de auto bevonden. De rechtbank leidt uit de vindplaats af dat de plastic tas in het zicht lag. Op het moment van uitstappen uit de auto droegen verdachten ieder een tas bij zich. Door verbalisanten werd in zowel de zwarte schoudertas van de medeverdachte als de rode tas die de verdachte bij zich droeg een grote hoeveelheid contant briefgeld aangetroffen. In de rode tas van de verdachte bevonden zich onder meer stapels met biljetten van 50 euro en 200 euro, die op dezelfde wijze met elastiekjes waren verpakt als de coupures (van dezelfde grootte) in de aangetroffen plastic zak op de achterbank. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden in samenhang bezien ervoor redengevend zijn dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachten zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van de geldbedragen, dat zij daarover samen de feitelijke macht hebben kunnen uitoefenen en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die was gericht op het voorhanden hebben van het contante geld.
Verbergen/verhullen
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door de verdachte(n) één of meer handelingen zijn verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst of de vindplaats van het geld. Het enkel aantreffen van een (plastic) tas met geld in een auto is daarvoor onvoldoende (vgl. ECLI:NL:HR:2014:14). De rechtbank zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Beoordeling
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de politie op 15 november 2022 een Audi staande hield, waarvan medeverdachte [medeverdachte] de bestuurder was en verdachte de bijrijder. Op het moment dat de politie de auto wilde doorzoeken, namen zowel de medeverdachte als verdachte een tas uit de auto mee. In de rugtas van verdachte en de schoudertas van de medeverdachte bleken grote contante geldbedragen te zitten, onder meer in coupures van € 50, € 100 en € 200. Ook werd in een groene zak op de achterbank van de auto een groot contant geldbedrag aangetroffen, in coupures van € 50 en € 200. Het op deze wijze vervoeren van een dergelijk groot geldbedrag is hoogst ongebruikelijk in het geval dat het geld op legale wijze zou zijn verkregen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het fysiek vervoeren daarvan gepaard gaat met aanzienlijke veiligheidsrisico’s.
De politie heeft ook onderzoek verricht naar de legale inkomsten van de verdachte en de medeverdachte. Uit het rechtshulpverzoek in Polen is gebleken dat van verdachte [verdachte] geen legaal inkomen in Polen bekend is en dat hij geen onroerend goed of overige hypothecaire vermogensbestanddelen op zijn naam heeft staan. Ook van medeverdachte [medeverdachte] is geen legaal inkomen bekend dat dergelijke grote contante geldbedragen kan verklaren. Uit de informatie die is aangetroffen in de telefoon van de verdachte kan bovendien worden afgeleid dat de verdachte en de medeverdachte zich in Nederland bevonden met als doel om een partij verdovende middelen te kopen, en dat het geld daarvoor bestemd was. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat, na de aanhouding van de verdachten en inbeslagname van het geld, iemand het geld heeft opgeëist.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring
Gelet op het bovenstaande mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van een misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat hij uit Polen kwam en sinds drie dagen in Nederland was. Hij verklaarde verder dat hij naar Nederland was gekomen met de intentie om als zzp-er een (klus)bedrijf te starten en dat hij in Polen 19 maanden in loondienst heeft gewerkt tegen een (maand)salaris van 2.700 Poolse Zloty (ongeveer 637 euro). Uit voormeld onderzoek door de politie naar de legale inkomsten van de verdachte is echter gebleken dat van de verdachte geen legaal inkomen in Polen bekend was. Daarnaast past de hoogte van het aangetroffen geldbedrag ook niet bij verdachtes beweerdelijke gangbare inkomsten. Dit maakt verdachtes verklaring -voor zover hij daarmee getracht heeft een verklaring te geven voor het geldbedrag- niet aannemelijk. Op specifieke vragen over (de herkomst van) het onder verdachte(n) aangetroffen contante geld heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte is niet naar de zitting gekomen om een verklaring over de herkomst van het geldbedrag af te leggen.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420 bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag). Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met zijn mededader feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen (vgl. ECLI:NL:HR:2024:112 r.o. 2.4.1 – 2.4.2).
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] voor hun aanhouding op 15 november 2024 samen in een auto reden. In die auto werd na stilhouden door de politie een grote som geld aangetroffen in grote coupures (verdeeld in bundels met elastiekjes), die zich in een plastic tas op de achterbank van de auto bevonden. De rechtbank leidt uit de vindplaats af dat de plastic tas in het zicht lag. Op het moment van uitstappen uit de auto droegen verdachten ieder een tas bij zich. Door verbalisanten werd in zowel de zwarte schoudertas van de medeverdachte als de rode tas die de verdachte bij zich droeg een grote hoeveelheid contant briefgeld aangetroffen. In de rode tas van de verdachte bevonden zich onder meer stapels met biljetten van 50 euro en 200 euro, die op dezelfde wijze met elastiekjes waren verpakt als de coupures (van dezelfde grootte) in de aangetroffen plastic zak op de achterbank. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden in samenhang bezien ervoor redengevend zijn dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachten zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van de geldbedragen, dat zij daarover samen de feitelijke macht hebben kunnen uitoefenen en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die was gericht op het voorhanden hebben van het contante geld.
Verbergen/verhullen
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door de verdachte(n) één of meer handelingen zijn verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst of de vindplaats van het geld. Het enkel aantreffen van een (plastic) tas met geld in een auto is daarvoor onvoldoende (vgl. ECLI:NL:HR:2014:14). De rechtbank zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.