Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2024-05-21
ECLI:NL:PHR:2024:479
Strafrecht
5,816 tokens
Conclusie
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 14 september 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “medeplegen eenvoudig witwassen en eenvoudig witwassen en witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals nader in het arrest bepaald.
Namens de verdachte heeft D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het middel klaagt dat het hof (i) een verzoek van de verdediging van 25 april 2023 om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen en (ii) heeft verzuimd te beslissen op een verzoek van de verdediging van 31 augustus 2023 om deze verbalisanten te horen. Ik bespreek de verzoeken na elkaar.
4. De verdediging heeft het eerste verzoek volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 april 2023 als volgt gedaan:
“De raadsman voert het woord:
Verbalisanten van de Landelijke Eenheid hebben mijn cliënt gecontroleerd. In eerste instantie leek er niet zoveel aan de hand te zijn. De verbalisanten reden achter mijn cliënt aan en gaven hem een stopteken. Vervolgens krijgen de verbalisanten informatie door via het centrale systeem. Mijn cliënt zou een keer zijn gecontroleerd met andere personen die antecedenten hebben op het gebied van drugs en daarnaast zouden verschillende aandachtsvestigingen zijn opgemaakt over mijn cliënt. Hierna vond een ‘interview’ plaats tussen de verbalisanten en mijn cliënt. Ik heb het woord ‘interview’ echter niet aangetroffen in het Wetboek van Strafvordering. Het gesprek was erop gericht om toegang te krijgen tot de auto van mijn cliënt. De voornaamste reden voor de doorzoeking van de auto was de informatie uit het politiesysteem. Het zojuist door mij overhandigde document heb ik van een confrère gekregen. Dit het document blijkt dat mijn cliënt subject is geweest in een onderzoek. Bij het lezen van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bekruipt mij het gevoel dat er een rood lampje gaat branden als de naam van mijn wordt ingetypt in het centrale systeem. Ik wil graag nagaan of dat inderdaad het geval is. Dat zou namelijk wel het politieoptreden van de verbalisanten verklaren. Ik zou de verbalisanten graag willen vragen wat ze op welk moment hebben gezien, op welk moment zij contact hebben gehad met het berichtencentrum en welke informatie leidend was bij de beslissing om de auto te gaan doorzoeken. Daarnaast zou ik de verbalisanten willen vragen wanneer de cautie is gegeven en waarom dat niet eerder had gemoeten. Het stellen van deze vragen is noodzakelijk omdat de verdediging stelt dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de verdediging hebben de verbalisanten de auto onrechtmatig doorzocht.
[…]
De raadsman voert nogmaals het woord:
[verbalisant 2] start met een interview. Vervolgens wil mijn cliënt zijn advocaat bellen en de verbalisant zegt dat hij zijn telefoon weg moet leggen en dat hij na de controle pas mag bellen. Het handelen van de verbalisanten was erop gericht toegang te krijgen tot het voertuig van mijn cliënt. Dit is uiteindelijk gebeurd op grond van de informatie uit het systeem. Als in het systeem inderdaad staat dat (de auto van) mijn cliënt bij een controle moet worden onderzocht, dan zou dat verklaren waarom de agenten de achterklep open hebben gedaan. Deze vragen dienen te worden beantwoord voor het debat. Het is vervolgens aan het hof om een conclusie te trekken over het handelen van de verbalisanten.”
5. Het hof heeft dit verzoek in een tussenarrest van 9 mei 2023 als volgt afgewezen:
“Toepassingscriterium
Het hof stelt vast dat de getuigenverzoeken dienen te worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium, nu de verzoeken zijn ingediend buiten de termijn van veertien dagen na het instellen van het appel als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering.
Beoordeling
Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het horen van de verbalisanten niet is gebleken. Op basis van het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten acht het hof zich voldoende voorgelicht over de feitelijke gang van zaken op 29 december 2021. De vraag of al dan niet een juridische grondslag bestond voor het handelen van de verbalisanten is voorts aan het oordeel van het hof onderworpen, zodat de verbalisanten ook hierover niet hoeven te worden gehoord. De verzoeken zullen daarom worden afgewezen.”
6. In de schriftuur wordt geklaagd dat het hof in deze zaak niet kon volstaan met de overweging dat het zich voldoende voorgelicht acht op basis van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten wier verhoor werd verlangd. Dit zou onvoldoende zijn gelet op wat namens de verdachte naar voren is gebracht, in het bijzonder over de informatie uit de andere strafzaak.
7. Voor de beoordeling van de klacht is van belang dat dit geen Keskin-geval is, omdat het verzoek niet dient om een belastende verklaring te betwisten maar om een verweer over een vormverzuim te onderbouwen. Daarom zijn de overzichtsarresten uit 2014 en 2017 over getuigenverzoeken van toepassing. Daarin is onder meer bepaald dat bij verzoeken waarvoor het noodzakelijkheidscriterium geldt van belang is of de rechter het noodzakelijk acht de getuigen te horen met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Zo’n verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van zo’n verzoek in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.
8. Wat mij betreft, is de motivering van de afwijzing door het hof niet onbegrijpelijk. De verdediging heeft verzocht de verbalisanten te horen om een verweer over vormverzuimen te onderbouwen. Het hof heeft zich echter in staat geacht de rechtmatigheid van het optreden van de verbalisanten te beoordelen op basis van de informatie die het hof al voorhanden had. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat de kern van het verweer is dat de verbalisanten misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid die voortvloeit uit art. 160 WVW 1994. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat er in beginsel geen misbruik van deze bevoegdheid is gemaakt als het rijbewijs daadwerkelijk is gecontroleerd, terwijl uit de aan het hof overgelegde stukken blijkt dat het rijbewijs en de kentekengegevens in deze zaak zijn gecontroleerd. Daarom is niet onbegrijpelijk dat het hof zich in het kader van het verweer voldoende voorgelicht heeft geacht. In zoverre faalt het middel.
9. Het tweede verzoek van 31 augustus 2023 is een herhaling van het eerste verzoek. Volgens de schriftuur heeft het hof ten onrechte niet op dit verzoek gerespondeerd.
10. De verdediging heeft volgens de pleitnotities die zijn overgelegd ter terechtzitting van het hof van 31 augustus 2023 het verzoek als volgt gedaan:
“De verdediging herhaalt een eerder gedaan verzoek en wenst de verbalisanten over deze bij de LE aanwezige kennis te ondervragen en verzoekt uw Gerechtshof te gelasten dat als getuigen worden gehoord:
- [verbalisant 1]
- [verbalisant 2]”.
11. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 31 augustus 2023 vermeldt geen beslissing op het verzoek. Een beslissing daarover is ook niet opgenomen in het arrest van 14 september 2023. In cassatie moet er dan ook van worden uitgegaan dat het hof niet op het verzoek heeft beslist. Dat verzuim leidt in principe tot nietigheid van het onderzoek (art. 330 Sv).
12. De vraag is evenwel of dit in deze zaak tot cassatie moet leiden. Als eerder op een (bijna) identiek verzoek is beslist zonder dat nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen, heeft de verdachte immers onvoldoende belang bij cassatie. In de schriftuur wordt in dat kader gesteld dat aan het tweede verzoek een extra onderbouwing ten grondslag is gelegd. Zo zou de raadsman na de afwijzing op het eerste verzoek een stuk hebben ingebracht en hebben gesteld dat daaruit blijkt dat de staandehouding in deze zaak te maken heeft met een andere lopende strafzaak. Volgens de schriftuur moet in cassatie van de juistheid van deze stelling worden uitgegaan, omdat het hof dit in het midden heeft gelaten. Daar denk ik anders over. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 augustus 2023 en de daaraan gehechte pleitnota bevatten geen nieuwe feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot het horen van de getuigen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 31 augustus 2023 blijkt inderdaad dat daar een stuk is ingebracht waaruit volgt dat de verdachte bij een ander onderzoek in beeld was, maar uit dit stuk volgt niet dat de verbalisanten daarom het voertuig wilden doorzoeken. Dat volgt ook niet uit het proces-verbaal. Wat mij betreft, kan dan ook niet worden gezegd dat het tweede verzoek een extra onderbouwing bevat waardoor de verdachte belang heeft bij cassatie.
13. Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
Het tweede middel
14. Dit middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 2 (medeplegen van eenvoudig witwassen van € 18.000,-) ontoereikend is gemotiveerd wat betreft het medeplegen.
15. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“op 29 december 2021 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 18.000 Euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
en
op 29 december 2021 te [plaats], een geldbedrag van ongeveer 12,500 Euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
en
op 29 december 2021 te Nederland, een horloge (merk Rolex, zilverkleurig), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
16. Het middel gaat over de € 18.000,- waarop het eerste deel van de bewezenverklaring ziet. Dit geldbedrag is volgens het hof aangetroffen in een keukenkast van de woning. De door het hof bevestigde bewijsmotivering houdt daarover in:
“Bewijsmiddelen
Op 29 december 2021 is bij de doorzoeking van de woning in [plaats], onder meer, een geldbedrag inbeslaggenomen van ongeveer € 36.515,-. In de keuken aan de achterzijde van de woning is een hoeveelheid briefgeld aangetroffen. Het briefgeld lag in een keukenkast op de tweede plank van boven gezien, zat in een zwarte plastic tas en was geseald in een doorzichtige verpakking. Op de verpakking stond met zwart stift geschreven ‘18K -> Bolle’.
In het keukenkastje en op de desbetreffende plank stonden bovendien meerdere voorwerpen voor dagelijks gebruik, zoals bakjes en glazen. Het gaat in totaal om een bedrag van € 18.000,- en bestond uit een met elastiek bij elkaar gebonden stapel van briefjes van € 20,- en € 50,-. Op de vloer van de kelder van de woning is in een plastic tas, samen 3,48 kilogram cocaïne, een geldbundel aangetroffen, verpakt in een vacuüm gesloten plastic verpakking. Op de verpakking stond de tekst: 12500.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 september 2022 verklaard dat het geldbedrag in de plastic tas in de kelder van de woning en het geldbedrag in de keuken van hem zijn en dat [betrokkene 1] niet wist dat dit geld in de woning lag.
[…]
Bewezenverklaring medeplegen witwassen € 18.000,-
De rechtbank heeft wat betreft het geldbedrag in de keuken van de woning de overtuiging verkregen dat [betrokkene 1] wetenschap had van de aanwezigheid van het geldbedrag van € 18.000,- en dat zij daarover kon beschikken.
Conclusie
33. Het eerste en het tweede middel leiden niet tot cassatie en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
34. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen kogelwerende vest, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, NJ 2021/369, m.nt. N. Jörg, r.o. 2.4.3.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.4. Daar wordt geciteerd uit HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.8.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.4. Daar wordt geciteerd uit HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.8.
HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.8.2. Daar wordt verwezen naar HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 2.76.
HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454, NJ 2017/84, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 3.4. Daar wordt verwezen naar HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670.
HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4460, r.o. 3.4; HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992, NJ 2014/91, m.nt. T.M.C.J. Schalken, r.o. 4.6 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:389, r.o. 3.5.
HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:679, r.o. 2.4.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 3.1.
HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:112, r.o. 2.4.2.
HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1548, r.o. 3.3.2. Daar wordt verwezen naar HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322.
Vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1548 en HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:231.
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit hetgeen hiervoor is vermeld, worden afgeleid dat [betrokkene 1] grotendeels woonachtig was in en gebruik maakte van de woning waar het geldbedrag is aangetroffen. De rechtbank gaat ervan uit dat de gebruiker van een woning wetenschap heeft van de aldaar aanwezige goederen en die goederen zich ook in zijn of haar machtssfeer bevinden. Daar komt in dit geval bij dat het gaat om een goed dat (in een plastic zak) in het zicht lag en tussen dagelijkse gebruiksvoorwerpen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat [betrokkene 1] de plastic tas daar niet gezien heeft, noch heeft geverifieerd wat daarin zat.
De rechtbank is verder van oordeel dat een witwasvermoeden ten aanzien van het geldbedrag van € 18.000,- is gerechtvaardigd, waarbij de rechtbank de hoogte van het aangetroffen geldbedrag heeft betrokken. Verder heeft de rechtbank betrokken de omstandigheid dat in de woning een grote hoeveelheid cocaïne is aangetroffen waarvan verdachte en tevens medebewoner heeft verklaard dat hij daarvan de eigenaar is.
Er is voorts geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de legale herkomst van dat geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat het geldbedrag afkomstig is uit enig door verdachte gepleegd misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank volgt bovendien uit de aard van de relatie tussen verdachte en [betrokkene 1], dat [betrokkene 1] moet hebben geweten dat het geldbedrag afkomstig was uit misdrijf, waarbij de rechtbank mede heeft betrokken de plaats waar het geldbedrag is aangetroffen, de wijze van verpakking, de omvang van het geldbedrag en het opschrift op de verpakking. Gelet hierop acht de rechtbank medeplegen overtuigend bewezen.”
17. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring van medeplegen ontoereikend gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet volgt dat [betrokkene 1] wist dat de zwarte plastictas daar aanwezig was. Dat [betrokkene 1] grotendeels woonachtig was in de woning zou daarvoor niet volstaan, ook niet als daarbij wordt betrokken dat het geld in een plasticzak in het zicht en tussen dagelijkse gebruiksvoorwerpen lag.
18. In de schriftuur wordt in dat kader een vergelijking gemaakt met een arrest van de Hoge Raad uit 2019. In die zaak was een rode tas met daarin munitie aangetroffen in de slaapkamer van de woning waar de verdachte samen met zijn partner woonde. Het hof overwoog dat de verklaring van de verdachte dat hij de tas niet had gezien ongeloofwaardig was. De Hoge Raad vernietigde het arrest en overwoog:
“In de hiervoor […] weergegeven overwegingen ligt als vaststelling van het Hof besloten dat de verdachte moet hebben geweten dat zich in de slaapkamer van de verdachte en zijn vriendin de rode tas met opdruk Dirk van den Broek bevond. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat ook indien deze tas de verdachte niet bekend was voorgekomen, het op zijn weg had gelegen naar de inhoud onderzoek te doen. De enkele omstandigheid dat de verdachte zo een onderzoek achterwege heeft gelaten, brengt echter niet met zich dat de verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden heeft gehad. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.”
19. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist.De Hoge Raad heeft over het medeplegen van witwassen – en ik neem aan dat de eisen voor eenvoudig witwassen op dit punt niet anders zijn – recent overwogen:
“Als het medeplegen van het voorhanden hebben van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het voorwerp heeft kunnen uitoefenen […].”
20. In deze zaak blijkt uit de door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank dat de verdachte samenwoonde met zijn medeverdachte in het huis waar het geld is aangetroffen. Dit geld lag in een keukenkastje waarin zich op dezelfde plank ook goederen voor dagelijks gebruik bevonden. Vanwege die vaststellingen – waaruit het hof afleidt dat ook de medeverdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het geld en dat zij daarover kon beschikken – acht ik het oordeel dat sprake is van medeplegen niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de rechtbank – en daarmee het hof – onaannemelijk heeft geacht dat de medeverdachte de plastic tas die in het zicht lag tussen dagelijkse gebruiksvoorwerpen niet heeft gezien, noch heeft geverifieerd heeft wat daarin zat. Het hof gaat er dus van uit dat de medeverdachte het briefgeld in de tas dat was geseald in een doorzichtige verpakking met daarop geschreven “18K -> Bolle” heeft waargenomen. In dit opzicht verschilt deze zaak van de zaak die in de schriftuur wordt aangehaald: in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:679, had het hof immers geoordeeld dat, ook indien de in de slaapkamer van de verdachte en zijn vriendin aangetroffen tas met munitie de verdachte niet bekend was voorgekomen, het op zijn weg had gelegen naar de inhoud onderzoek te doen. De Hoge Raad casseerde vervolgens omdat de enkele omstandigheid dat de verdachte zo’n onderzoek achterwege heeft gelaten niet meebrengt dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden heeft gehad.
21. Gelet op het voorgaande faalt het middel omdat de bewezenverklaring onder 2 omtrent het medeplegen niet ontoereikend is gemotiveerd.
22. Mocht de Hoge Raad mij in dit standpunt niet volgen, dan meen ik dat het middel niet tot cassatie leidt vanwege een gebrek aan belang. Eenvoudig witwassen kent geen wettelijke strafverzwaringsgrond, anders dan bijvoorbeeld diefstal in geval van diefstal in vereniging (art. 310 Sr en art. 311 lid 1 aanhef en onder 4 Sr). Daarnaast blijkt ook uit de strafmotivering niet dat het hof het medeplegen strafverzwarend heeft meegewogen. Het hof overwoog over de strafoplegging:
“Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan (in het geval van € 18.000,- tezamen en in vereniging met zijn partner) het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag en een kostbaar horloge van het merk Rolex. Feiten als witwassen ondermijnen de legale economie. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Het hof acht ook dit een ernstig feit.
Bij de straftoemeting neemt het hof de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor feiten als de onderhavig in aanmerking. Daarin wordt voor het vervoeren van een hoeveelheid van meer dan 9 kilogram harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur van 36 maanden genoemd. Het uitgangspunt bij het aanwezig hebben van 3 kilo harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Het hof neemt deze uitgangspunten als vertrekpunt en betrekt daarbij bovendien het witwassen en het feit dat de verdachte geen inzicht heeft geven in de redenen die tot het begaan van deze feiten heeft geleid. Dat hij hiervoor ten volle verantwoordelijkheid wil nemen en zich in de toekomst verre van het drugsmilieu wil houden is het hof niet gebleken.