Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-03-20
ECLI:NL:RBMNE:2025:3898
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/713
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit Abcoude, verzoekster,
(gemachtigden: mr. W.J. de Vries, [gemachtigde] en [gemachtigde] )
en
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister),
verweerder
(gemachtigde: L. Schreuders).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Deze zaak gaat over het besluit van de minister van 16 mei 2023, waarin de definitieve tegemoetkoming NOW-3, vierde tranche is vastgesteld op € 9.570,- en over het besluit van 8 juni 2023 waarin de minister heeft bepaald dat een bedrag van € 19.984,- moet worden terugbetaald. Tegen deze besluiten is door verzoekster bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar van 5 januari 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. De zaak is vervolgens door middel van de tussenuitspraak van 10 oktober 2024 heropend om de minister in de gelegenheid te stellen de in het tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. Daarnaast is verzoekster in de gelegenheid gesteld om haar beroepsgrond ten aanzien van de financiële gevolgen van de beslissing op bezwaar met stukken aan te vullen. Met de tussenuitspraak van 11 december 2024 is de termijn voor een aanvullende motivering voor de minister verlengd tot 23 december 2024.
4. Op 18 december 2024 heeft de minister een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. De minister heeft met deze beslissing de definitieve tegemoetkoming NOW-3, vierde tranche, vastgesteld op € 31.111,-. Aangezien dit een hoger bedrag is dan het door verzoekster ontvangen voorschot, komt de terugvordering te vervallen en zal verzoekster een nabetaling ontvangen. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek de minister te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Met de brief van 28 januari 2025 heeft de minister aangegeven dat hij erop vertrouwt dat de rechtbank uitspraak zal doen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskosten toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen.
6. Verzoekster heeft bij het verzoek tot veroordeling in de proceskosten meerdere facturen met urenspecificaties gevoegd van de door de advocaat verrichte werkzaamheden in deze zaak. Zij verzoekt om een volledige vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte advocatenkosten.
7. In het Bpb is geregeld welke proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen en hoe die kosten moeten worden vastgesteld. Artikel 2, derde lid, van het Bpb biedt de mogelijkheid om in het geval van bijzondere omstandigheden af te wijken van het forfaitaire stelsel. Volgens de nota van toelichting (Stb. 1993, 763) gaat het daarbij om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire stelsel onrechtvaardig uitpakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat zulke bijzondere omstandigheden zich in dit geval voordoen. Het enkel overleggen van hogere facturen van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is daarvoor niet voldoende. Niet is onderbouwd en de rechtbank ziet ook niet in dat er sprake is van een zodanig grote en juridisch complexe zaak dat er aanleiding bestaat om op grond van artikel 2, derde lid, van het Bbp een hoger bedrag aan proceskosten toe te kennen. Op grond van het forfaitaire vergoedingsstelsel komt verzoekster in aanmerking voor een vergoeding van € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
8. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het voor verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot de minister wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten. De minister moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
ECLI:NL:RVS:2024:1798.
Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.