Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-07
ECLI:NL:GHARL:2026:2834
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
11,994 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2834 text/xml public 2026-05-13T12:41:23 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-07 200.352.041/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2834 text/html public 2026-05-13T12:40:37 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2834 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 07-05-2026 / 200.352.041/01 Proceskostenvergoeding. Het hof past bij de berekening van de proceskostenvergoeding de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toe. Er is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van die bepaling, wat ertoe zou moeten leiden dat deze factor buiten toepassing moet worden gelaten. De door de gemachtigde gerekende instapvergoeding van € 12,99 is zodanig laag dat dit niet als een reëel financieel risico voor de betrokkene kan worden beschouwd. Verder geven de door de gemachtigde overgelegde stukken onvoldoende inzicht in het bedrijfsmode waarop de dienstverlening in deze zaak is gebaseerd, zodat niet kan worden vastgesteld of het bedrijfsmodel van de gemachtigde voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.041/01 CJIB-nummer : 255667804 Uitspraak d.d. : 7 mei 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2024, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. Op 30 september 2025 is een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Deze brief is in kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal. De zaak is behandeld op de zitting van 4 november 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam]. De zaak is op 4 november 2025 op verzoek van de gemachtigde van de betrokkene aangehouden. De gemachtigde van de betrokkene heeft een termijn van vier weken gekregen om nadere stukken in te dienen. Het proces-verbaal van de zitting is naar de gemachtigde en de advocaatgeneraal toegestuurd. Op 1 december 2025 is een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Deze brief is in kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal, waarbij de advocaat-generaal in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken op de brief te reageren. Op 24 december 2025 is een reactie van de advocaat-generaal ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de gemachtigde. Op 22 januari 2026 heeft de gemachtigde een nadere toelichting gegeven. Een kopie daarvan is doorgestuurd naar de advocaat-generaal. Op 10 februari 2026 heeft de gemachtigde aanvullende gronden ingediend. Ook daarvan is een kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal. Op 13 februari 2026 is een reactie van de advocaat-generaal ontvangen. Deze reactie is in kopie doorgestuurd naar de gemachtigde. Op 23 februari 2026 is nog een e-mail van de gemachtigde ontvangen. Deze is in kopie naar de advocaat-generaal doorgestuurd. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 29 december 2022 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 2. De gemachtigde stelt dat de betrokkene zich niet kan verenigen met de beslissing van de kantonrechter en voert hiervoor het volgende aan. Er zijn omstandigheden die nopen tot matiging van het sanctiebedrag. Aan de betrokkene zijn twee sancties zijn opgelegd van € 370,-. Het bedrag van deze sancties komt hard aan bij de betrokkene. De gemachtigde geeft aan dat de betrokkene ook met behulp van stukken heeft onderbouwd dat met de scooters niet meer kan worden gereden en dat hij is vergeten om de scooters te schorsen. Er zijn bovendien legio voorbeelden waarin wel is gematigd. De gemachtigde voert verder aan dat de scooter is geschorst van 28 november 2016 tot en met 1 december 2017, vervolgens weer op 22 november 2017 tot en met 1 december 2018, daarna op 20 november 2018 tot en met 1 december 2019, toen weer op 14 november 2019 tot en met 1 december 2021, daarna van 31 oktober 2021 tot en met 1 december 2022 en ten slotte van 9 januari 2023 tot en met 9 januari 2024. Als iemand zijn of haar scooter zo vaak en aansluitend schorst, dan is dat omdat de scooter niet meer in gebruik is dan wel dat deze defect is of gedemonteerd. Ook bij de betrokkene is dit het geval. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat het sanctiebedrag moet worden gematigd, omdat het buitenproportioneel is om in een dergelijke situatie zo’n hoge sanctie op te leggen. 3. De advocaat-generaal is van mening dat het sanctiebedrag met 50 procent dient te worden gematigd gelet op alle omstandigheden in samenhang. 4. Dat de gedraging is verricht, wordt niet betwist en staat dan ook vast. Gelet op hetgeen de gemachtigde aanvoert, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. 5. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Indien de betrokkene een voertuig op zijn naam laat overschrijven, is hij vanaf dat moment als kentekenhouder verantwoordelijk voor alle verplichtingen die dat met zich meebrengt, waaronder ook de verzekeringsplicht. In aanmerking genomen dat het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dat rechtvaardigen, zal het hof het openbaar ministerie hierin volgen. Voor verdergaande matiging ziet het hof geen aanleiding. 6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Verder zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en het sanctiebedrag met 50 procent matigen. 7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof heeft in het arrest van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853) geoordeeld dat, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:985), voor zover de gemachtigde stelt dat rechtszoekenden een zogenaamde instapvergoeding van € 12,99 dienen te voldoen voordat namens hen een procedure wordt gestart, het enkel in rekening brengen van een (beperkte) vergoeding nog niet meebrengt dat geconcludeerd kan worden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aan alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken voldoet. Het gaat er niet om of in een individuele zaak (deels) niet wordt voldaan aan één van de door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken, maar of het bedrijfsmodel waarop de dienstverlening is gestoeld, in zijn geheel daaraan niet voldoet.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2834 text/xml public 2026-05-13T12:41:23 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-07 200.352.041/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2834 text/html public 2026-05-13T12:40:37 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2834 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 07-05-2026 / 200.352.041/01 Proceskostenvergoeding. Het hof past bij de berekening van de proceskostenvergoeding de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toe. Er is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van die bepaling, wat ertoe zou moeten leiden dat deze factor buiten toepassing moet worden gelaten. De door de gemachtigde gerekende instapvergoeding van € 12,99 is zodanig laag dat dit niet als een reëel financieel risico voor de betrokkene kan worden beschouwd. Verder geven de door de gemachtigde overgelegde stukken onvoldoende inzicht in het bedrijfsmode waarop de dienstverlening in deze zaak is gebaseerd, zodat niet kan worden vastgesteld of het bedrijfsmodel van de gemachtigde voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.352.041/01 CJIB-nummer : 255667804 Uitspraak d.d. : 7 mei 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2024, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd. Op 30 september 2025 is een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Deze brief is in kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal. De zaak is behandeld op de zitting van 4 november 2025. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam]. De zaak is op 4 november 2025 op verzoek van de gemachtigde van de betrokkene aangehouden. De gemachtigde van de betrokkene heeft een termijn van vier weken gekregen om nadere stukken in te dienen. Het proces-verbaal van de zitting is naar de gemachtigde en de advocaatgeneraal toegestuurd. Op 1 december 2025 is een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Deze brief is in kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal, waarbij de advocaat-generaal in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken op de brief te reageren. Op 24 december 2025 is een reactie van de advocaat-generaal ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de gemachtigde. Op 22 januari 2026 heeft de gemachtigde een nadere toelichting gegeven. Een kopie daarvan is doorgestuurd naar de advocaat-generaal. Op 10 februari 2026 heeft de gemachtigde aanvullende gronden ingediend. Ook daarvan is een kopie doorgestuurd naar de advocaat-generaal. Op 13 februari 2026 is een reactie van de advocaat-generaal ontvangen. Deze reactie is in kopie doorgestuurd naar de gemachtigde. Op 23 februari 2026 is nog een e-mail van de gemachtigde ontvangen. Deze is in kopie naar de advocaat-generaal doorgestuurd. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 29 december 2022 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 2. De gemachtigde stelt dat de betrokkene zich niet kan verenigen met de beslissing van de kantonrechter en voert hiervoor het volgende aan. Er zijn omstandigheden die nopen tot matiging van het sanctiebedrag. Aan de betrokkene zijn twee sancties zijn opgelegd van € 370,-. Het bedrag van deze sancties komt hard aan bij de betrokkene. De gemachtigde geeft aan dat de betrokkene ook met behulp van stukken heeft onderbouwd dat met de scooters niet meer kan worden gereden en dat hij is vergeten om de scooters te schorsen. Er zijn bovendien legio voorbeelden waarin wel is gematigd. De gemachtigde voert verder aan dat de scooter is geschorst van 28 november 2016 tot en met 1 december 2017, vervolgens weer op 22 november 2017 tot en met 1 december 2018, daarna op 20 november 2018 tot en met 1 december 2019, toen weer op 14 november 2019 tot en met 1 december 2021, daarna van 31 oktober 2021 tot en met 1 december 2022 en ten slotte van 9 januari 2023 tot en met 9 januari 2024. Als iemand zijn of haar scooter zo vaak en aansluitend schorst, dan is dat omdat de scooter niet meer in gebruik is dan wel dat deze defect is of gedemonteerd. Ook bij de betrokkene is dit het geval. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat het sanctiebedrag moet worden gematigd, omdat het buitenproportioneel is om in een dergelijke situatie zo’n hoge sanctie op te leggen. 3. De advocaat-generaal is van mening dat het sanctiebedrag met 50 procent dient te worden gematigd gelet op alle omstandigheden in samenhang. 4. Dat de gedraging is verricht, wordt niet betwist en staat dan ook vast. Gelet op hetgeen de gemachtigde aanvoert, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. 5. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Indien de betrokkene een voertuig op zijn naam laat overschrijven, is hij vanaf dat moment als kentekenhouder verantwoordelijk voor alle verplichtingen die dat met zich meebrengt, waaronder ook de verzekeringsplicht. In aanmerking genomen dat het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dat rechtvaardigen, zal het hof het openbaar ministerie hierin volgen. Voor verdergaande matiging ziet het hof geen aanleiding. 6. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Verder zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaren en het sanctiebedrag met 50 procent matigen. 7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof heeft in het arrest van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853) geoordeeld dat, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:985), voor zover de gemachtigde stelt dat rechtszoekenden een zogenaamde instapvergoeding van € 12,99 dienen te voldoen voordat namens hen een procedure wordt gestart, het enkel in rekening brengen van een (beperkte) vergoeding nog niet meebrengt dat geconcludeerd kan worden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet aan alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken voldoet. Het gaat er niet om of in een individuele zaak (deels) niet wordt voldaan aan één van de door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken, maar of het bedrijfsmodel waarop de dienstverlening is gestoeld, in zijn geheel daaraan niet voldoet.
Volledig
De door de gemachtigde gerekende instapvergoeding moet worden beoordeeld in relatie tot het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde om te kunnen oordelen of het bedrijfsmodel kennelijk niet alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken heeft. Het hof heeft geoordeeld dat de gemachtigde zijn stelling niet verder heeft onderbouwd en geen inzicht heeft gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat dit niet kan worden vastgesteld. Het hof heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een bijzonder geval en dat daarom de vermenigvuldigingsfactoren op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van toepassing zijn. 8. De gemachtigde heeft een nadere onderbouwing ingediend ten aanzien van de van toepassing zijnde, in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv genoemde, vermenigvuldigingsfactoren. De gemachtigde voert aan dat hij in 2018 is gestart met het hanteren van een instapvergoeding voor losse diensten. Daarnaast kan men een maandabonnement of een jaarabonnement bij de gemachtigde afsluiten. De betaalde dienstverlening heeft ervoor gezorgd dat de kosten van de onderneming niet meer werden gedekt door toegekende proceskostenvergoedingen en dat alleen nog serieuze cliënten zich bij de gemachtigde melden. De gemachtigde heeft overzichten van januari 2019 tot en met november 2025 overgelegd waarin de jaaromzetten zijn vermeld voor de afgenomen losse diensten en abonnementen. Momenteel is alleen de gemachtigde werkzaam bij de onderneming. Verder heeft de gemachtigde een maandoverzicht - waarop enkele dagen zichtbaar zijn - van het jaar 2025 overgelegd van facturaties van losse diensten en abonnementen. Specifiek voor onderhavige zaak heeft de gemachtigde een factuur overgelegd van de betaling van de instapvergoeding van € 12,99 door de betrokkene. De gemachtigde stelt dat door het hanteren van een instapvergoeding het aantal zaken fors is gedaald, maar dat het aantal zaken door de jaren heen stabiel is gebleven ondanks de komst van meer en meer bedrijven die op basis van no cure no pay werken en veel aan marketing doen. Het aanbieden van een betaalde dienstverlening stelt de gemachtigde in staat de bedrijfsvoering te draaien door het aanbieden van losse diensten en abonnementen. De gemachtigde stelt dat zijn onderneming zich onderscheidt van ondernemingen die op basis van no cure no pay werken, nu het aantal zaken van laatstgenoemde ondernemingen veel hoger ligt dan bij de onderneming van de gemachtigde. De bijdrage aan de totale instroom van zaken is te verwaarlozen en dat is het effect van betaalde dienstverlening. Daardoor kan het bedrijfsmodel van de onderneming van de gemachtigde worden vergeleken met een rechtsbijstandverzekering in plaats van dienstverlening op basis van no cure no pay. Verder voert de gemachtigde aan dat cliënten voor abonnementen en vaste diensten betalen, ongeacht de uitkomst van individuele procedures. Alle cliënten gezamenlijk dragen bij aan de kosten van de dienstverlening. De gemachtigde stelt dat de inkomsten van zijn onderneming daarom niet afhankelijk zijn van het winnen of verliezen van een zaak. Zijn onderneming voert procedures om rechtsbijstand te verlenen en niet om proceskostenvergoedingen te verkrijgen. Dit is anders ten opzichte van ondernemingen die op basis van no cure no pay werken, nu zij de proceskostenvergoedingen nodig hebben voor hun bestaansrecht. De gemachtigde heeft een overzicht overgelegd, waarin steekproefsgewijs op zaakniveau inzicht is gegeven in de afgenomen diensten. Het betreft slechts zelf gegenereerde inkomsten. De proceskostenvergoedingen vormen geen primaire bron van inkomsten. De kosten worden volledig gedekt met de zelf gegenereerde inkomsten voor de dienstverlening. De gemachtigde heeft tevens een overzicht van de kosten over het jaar 2025 overgelegd en geeft aan dat hij bepaalde kostenbesparende keuzes heeft gemaakt om zo kostendekkend mogelijk te werken. 9. De advocaat-generaal heeft, in reactie op de aanvullende gronden van de gemachtigde, aangevoerd dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of er nu wel genoeg inzicht is gegeven in het bedrijfsmodel van de gemachtigde voordat het hof toekomt aan de vraag of het bedrijfsmodel van de gemachtigde aan de door de Hoge Raad in het arrest van 24 juni 2025 geformuleerde kenmerken voldoet. Daarbij merkt de advocaat-generaal op dat voor de vraag of het bedrijfsmodel kennelijk niet de drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het hoger beroep is op 27 februari 2025 ingesteld. De beschrijving van het eerdere bedrijfsmodel door de gemachtigde en de oudere cijfers, waaronder de cijfers van voor 2018, doen dus niet ter zake. De advocaat-generaal vervolgt dat de gemachtigde de kosten nader heeft gespecificeerd, maar niet blijkt in hoeverre deze kosten worden gemaakt met het oog op het verlenen van rechtsbijstand in Wahv-zaken. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175) merkt de advocaat-generaal op dat indien een kantoor verschillende bedrijfsonderdelen heeft waarvan slechts één deel een bedrijfsmodel heeft dat inhoudt dat in procedures wordt opgetreden op basis van no cure no pay (dan wel op basis van een bedrijfsmodel dat daarmee op één lijn kan worden gesteld) alleen dat deel van de dienstverlening in de beschouwingen moet worden betrokken. Uit de stukken in het dossier en uit het raadplegen van de website van de gemachtigde is gebleken dat de gemachtigde ook diensten verleent op het gebied van het strafrecht. Uit de door de gemachtigde overgelegde gegevens blijkt niet hoe de inkomsten en de kosten van deze dienstverlening zich verhouden tot de totale omzet en de kosten van het kantoor van de gemachtigde. Daarnaast blijkt niet waar de in Wahv-zaken toegekende proceskostenvergoeding, voor zover toegekend in 2025, terecht zijn gekomen. Met betrekking tot de verkochte jaarabonnementen merkt de advocaat-generaal op dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, nu deze jaarabonnementen zowel zien op het verlenen van rechtsbijstand in Wahv-procedures als het geven van advies in strafzaken en ingevorderde rijbewijzen. 10. Verder verwijst de advocaat-generaal naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv), waarin onder andere het doel van de wet is beschreven, namelijk het wegnemen van de financiële prikkel om namens een belanghebbende een bezwaar- of beroepsprocedure te starten met de overwegende reden om proceskostenvergoeding te verkrijgen. Dat doel zou moeten worden bereikt door de overcompensatie bij het toekennen van proceskostenvergoedingen weg te nemen. Op die manier zou worden aangesloten bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever om een tegemoetkoming te geven in de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ten aanzien van de door de gemachtigde gehanteerde instapvergoeding verwijst de advocaat-generaal naar hetgeen in de totstandkomingsgeschiedenis is vermeld en wat de Hoge Raad heeft geoordeeld (Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3; ECLI:NL:HR:2025:46, ECLI:NL:HR:2025:1375; ECLI:NL:HR:2025:670; ECLI:NL:HR:2025:1175; ECLI:NL:HR:2025:1383). De advocaat-generaal stelt dat bij een instapvergoeding van € 12,99 niet kan worden gesproken van een bedrag waarbij de betrokkene een financieel risico loopt. Zeker als er gekeken wordt welke proceshandelingen tegenover deze geringe instapvergoeding staan. De instapvergoeding voor Wahv-zaken kan niet anders worden aangemerkt dan als een symbolische bijdrage die op één lijn dient te worden gesteld met een kantoor dat op basis van no cure no pay rechtsbijstand verleent. De advocaatgeneraal ziet geen aanleiding om het bedrijfsmodel van de gemachtigde als bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv aan te merken.
Volledig
De door de gemachtigde gerekende instapvergoeding moet worden beoordeeld in relatie tot het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde om te kunnen oordelen of het bedrijfsmodel kennelijk niet alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken heeft. Het hof heeft geoordeeld dat de gemachtigde zijn stelling niet verder heeft onderbouwd en geen inzicht heeft gegeven in zijn bedrijfsmodel, zodat dit niet kan worden vastgesteld. Het hof heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een bijzonder geval en dat daarom de vermenigvuldigingsfactoren op grond van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv van toepassing zijn. 8. De gemachtigde heeft een nadere onderbouwing ingediend ten aanzien van de van toepassing zijnde, in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv genoemde, vermenigvuldigingsfactoren. De gemachtigde voert aan dat hij in 2018 is gestart met het hanteren van een instapvergoeding voor losse diensten. Daarnaast kan men een maandabonnement of een jaarabonnement bij de gemachtigde afsluiten. De betaalde dienstverlening heeft ervoor gezorgd dat de kosten van de onderneming niet meer werden gedekt door toegekende proceskostenvergoedingen en dat alleen nog serieuze cliënten zich bij de gemachtigde melden. De gemachtigde heeft overzichten van januari 2019 tot en met november 2025 overgelegd waarin de jaaromzetten zijn vermeld voor de afgenomen losse diensten en abonnementen. Momenteel is alleen de gemachtigde werkzaam bij de onderneming. Verder heeft de gemachtigde een maandoverzicht - waarop enkele dagen zichtbaar zijn - van het jaar 2025 overgelegd van facturaties van losse diensten en abonnementen. Specifiek voor onderhavige zaak heeft de gemachtigde een factuur overgelegd van de betaling van de instapvergoeding van € 12,99 door de betrokkene. De gemachtigde stelt dat door het hanteren van een instapvergoeding het aantal zaken fors is gedaald, maar dat het aantal zaken door de jaren heen stabiel is gebleven ondanks de komst van meer en meer bedrijven die op basis van no cure no pay werken en veel aan marketing doen. Het aanbieden van een betaalde dienstverlening stelt de gemachtigde in staat de bedrijfsvoering te draaien door het aanbieden van losse diensten en abonnementen. De gemachtigde stelt dat zijn onderneming zich onderscheidt van ondernemingen die op basis van no cure no pay werken, nu het aantal zaken van laatstgenoemde ondernemingen veel hoger ligt dan bij de onderneming van de gemachtigde. De bijdrage aan de totale instroom van zaken is te verwaarlozen en dat is het effect van betaalde dienstverlening. Daardoor kan het bedrijfsmodel van de onderneming van de gemachtigde worden vergeleken met een rechtsbijstandverzekering in plaats van dienstverlening op basis van no cure no pay. Verder voert de gemachtigde aan dat cliënten voor abonnementen en vaste diensten betalen, ongeacht de uitkomst van individuele procedures. Alle cliënten gezamenlijk dragen bij aan de kosten van de dienstverlening. De gemachtigde stelt dat de inkomsten van zijn onderneming daarom niet afhankelijk zijn van het winnen of verliezen van een zaak. Zijn onderneming voert procedures om rechtsbijstand te verlenen en niet om proceskostenvergoedingen te verkrijgen. Dit is anders ten opzichte van ondernemingen die op basis van no cure no pay werken, nu zij de proceskostenvergoedingen nodig hebben voor hun bestaansrecht. De gemachtigde heeft een overzicht overgelegd, waarin steekproefsgewijs op zaakniveau inzicht is gegeven in de afgenomen diensten. Het betreft slechts zelf gegenereerde inkomsten. De proceskostenvergoedingen vormen geen primaire bron van inkomsten. De kosten worden volledig gedekt met de zelf gegenereerde inkomsten voor de dienstverlening. De gemachtigde heeft tevens een overzicht van de kosten over het jaar 2025 overgelegd en geeft aan dat hij bepaalde kostenbesparende keuzes heeft gemaakt om zo kostendekkend mogelijk te werken. 9. De advocaat-generaal heeft, in reactie op de aanvullende gronden van de gemachtigde, aangevoerd dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of er nu wel genoeg inzicht is gegeven in het bedrijfsmodel van de gemachtigde voordat het hof toekomt aan de vraag of het bedrijfsmodel van de gemachtigde aan de door de Hoge Raad in het arrest van 24 juni 2025 geformuleerde kenmerken voldoet. Daarbij merkt de advocaat-generaal op dat voor de vraag of het bedrijfsmodel kennelijk niet de drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het hoger beroep is op 27 februari 2025 ingesteld. De beschrijving van het eerdere bedrijfsmodel door de gemachtigde en de oudere cijfers, waaronder de cijfers van voor 2018, doen dus niet ter zake. De advocaat-generaal vervolgt dat de gemachtigde de kosten nader heeft gespecificeerd, maar niet blijkt in hoeverre deze kosten worden gemaakt met het oog op het verlenen van rechtsbijstand in Wahv-zaken. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175) merkt de advocaat-generaal op dat indien een kantoor verschillende bedrijfsonderdelen heeft waarvan slechts één deel een bedrijfsmodel heeft dat inhoudt dat in procedures wordt opgetreden op basis van no cure no pay (dan wel op basis van een bedrijfsmodel dat daarmee op één lijn kan worden gesteld) alleen dat deel van de dienstverlening in de beschouwingen moet worden betrokken. Uit de stukken in het dossier en uit het raadplegen van de website van de gemachtigde is gebleken dat de gemachtigde ook diensten verleent op het gebied van het strafrecht. Uit de door de gemachtigde overgelegde gegevens blijkt niet hoe de inkomsten en de kosten van deze dienstverlening zich verhouden tot de totale omzet en de kosten van het kantoor van de gemachtigde. Daarnaast blijkt niet waar de in Wahv-zaken toegekende proceskostenvergoeding, voor zover toegekend in 2025, terecht zijn gekomen. Met betrekking tot de verkochte jaarabonnementen merkt de advocaat-generaal op dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, nu deze jaarabonnementen zowel zien op het verlenen van rechtsbijstand in Wahv-procedures als het geven van advies in strafzaken en ingevorderde rijbewijzen. 10. Verder verwijst de advocaat-generaal naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv), waarin onder andere het doel van de wet is beschreven, namelijk het wegnemen van de financiële prikkel om namens een belanghebbende een bezwaar- of beroepsprocedure te starten met de overwegende reden om proceskostenvergoeding te verkrijgen. Dat doel zou moeten worden bereikt door de overcompensatie bij het toekennen van proceskostenvergoedingen weg te nemen. Op die manier zou worden aangesloten bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever om een tegemoetkoming te geven in de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ten aanzien van de door de gemachtigde gehanteerde instapvergoeding verwijst de advocaat-generaal naar hetgeen in de totstandkomingsgeschiedenis is vermeld en wat de Hoge Raad heeft geoordeeld (Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3; ECLI:NL:HR:2025:46, ECLI:NL:HR:2025:1375; ECLI:NL:HR:2025:670; ECLI:NL:HR:2025:1175; ECLI:NL:HR:2025:1383). De advocaat-generaal stelt dat bij een instapvergoeding van € 12,99 niet kan worden gesproken van een bedrag waarbij de betrokkene een financieel risico loopt. Zeker als er gekeken wordt welke proceshandelingen tegenover deze geringe instapvergoeding staan. De instapvergoeding voor Wahv-zaken kan niet anders worden aangemerkt dan als een symbolische bijdrage die op één lijn dient te worden gesteld met een kantoor dat op basis van no cure no pay rechtsbijstand verleent. De advocaatgeneraal ziet geen aanleiding om het bedrijfsmodel van de gemachtigde als bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv aan te merken.
Volledig
Immers, als de vermenigvuldigingsfactoren niet toegepast zouden worden op de berekening van de toe te kennen proceskostenvergoeding, dan zouden de toe te kennen vergoedingen de in Wahv-zaken gemaakte kosten mogelijk vergaand overstijgen nu het bedrijfsmodel al kostendekkend zou zijn, hetgeen strijdig is met de bedoeling van de wetgever (Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13). 11. In reactie op hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd, reageert de gemachtigde dat hij zich niet kan vinden in het standpunt van de advocaat-generaal dat de verkochte jaarabonnementen buiten beschouwing worden gelaten. Er worden namelijk zeer regelmatig jaarabonnementen verkocht. Daarbij ziet de kwalificatie van no cure no pay op het bedrijfsmodel en niet op een geïsoleerd prijscomponent in een individuele zaak. Het buiten beschouwing laten van de abonnementen, de herhaalbetalingen en de cumulatieve omzet leidt tot een gefragmenteerde en kunstmatige beoordeling, die niet strookt met de lijn van de Hoge Raad en ook niet met wat het hof zelf heeft overwogen ten aanzien van het totale bedrijfsmodel dat beoordeeld moet worden (zie het arrest van 3 november 2025). Als het bedrijfsmodel als geheel wordt gezien, ontstaat een ander beeld. De instapvergoeding en de jaarabonnementen zijn geen vrijblijvende drempel, maar onderdeel van een structureel verdienmodel. Het bedrijfsmodel genereert een substantiële jaaromzet dat volledig betaald wordt door cliënten, ongeacht de uitkomst van de procedures. De gemachtigde voert daarnaast aan dat de advocaat-generaal lijkt te betogen dat voor een bedrag van € 12,99 een gehele procedure wordt gevoerd inclusief het bezoeken van een zitting in het land, maar dat dit niet het geval is nu het financieel niet meer te verantwoorden is om de tijdsinvestering en reiskosten te maken om een zitting bij te wonen, doordat de vergoeding met 75 procent is verminderd. Verder verzoekt de gemachtigde, mocht voorgaande niet slagen, om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) af te wijken van de WHpkv, nu de reiskosten € 148,12 (2 x 322 kilometer x € 0,23) zijn. 12. Het hof overweegt het volgende. De wetgever heeft in de WHpkv, ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wahv, het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. In de onderhavige zaak heeft de gemachtigde rechtsbijstand verleend na betaling door de betrokkene van een vergoeding van € 12,99. Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 en het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46). De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670 en 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175). Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375). Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 12,99 zodanig beperkt van omvang is dat dit niet als een reëel financieel risico voor de betrokkene kan worden beschouwd. 13. Voor zover de gemachtigde stelt dat een vergoeding van € 12,99 kostendekkend is, kan reeds daaruit worden geconcludeerd dat onverkorte toepassing van het Bpb leidt tot vergaande overdekking van de kosten van de procedures. De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 april 2025 geoordeeld dat om te beoordelen of het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking een vergelijking moet worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. De informatie die de gemachtigde heeft overgelegd bevat onvoldoende informatie over het bedrijfsmodel waarop de dienstverlening in deze zaak is gebaseerd. Zo heeft de gemachtigde niet opgegeven hoeveel hij aan proceskostenvergoedingen heeft ontvangen, noch heeft hij dit afgezet tegen de kosten die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Bij de opgegeven inkomsten heeft de gemachtigde vergoedingen die hij heeft ontvangen in zaken als onderhavige (€ 12,99) opgeteld bij vergoedingen die hij ontvangt voor maand- en jaarabonnementen. Niet duidelijk is hoe deze abonnementen moeten worden geduid. De gemachtigde maakt een vergelijking met rechtsbijstandverzekeringen. Niet gesteld is echter, noch gebleken, dat de gemachtigde beschikt over een vergunning ingevolge de Wet op het financieel toezicht van De Nederlandsche Bank, dan wel de Autoriteit Financiële Markten, om bedrijfsmatig rechtsbijstandsverzekeringen te mogen aanbieden. De inkomsten die de gemachtigde uit de abonnementen ontvangt moeten in het kader van deze beoordeling dan ook buiten beschouwing blijven. Verder maakt de gemachtigde in zijn opstelling van bedrijfskosten geen onderscheid tussen de verschillende diensten die hij aanbiedt. Niet inzichtelijk is welke kosten kunnen worden toegerekend aan Wahv-procedures als de onderhavige. Zoals het hof in het arrest van 3 november 2025 heeft geoordeeld, moet de vergoeding van een bedrag van € 12,99 worden beoordeeld in relatie tot het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde om te kunnen oordelen of het geval kennelijk niet alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken heeft. Nu de door de gemachtigde overgelegde stukken onvoldoende inzicht geven in het bedrijfsmodel kan niet worden vastgesteld dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van de betrokkene één of meer kenmerken niet heeft. Er is dan ook geen sprake van een bijzonder geval dat zou moeten leiden tot buiten toepassing laten van de vermenigvuldigingsfactoren als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. 14. Ten aanzien van het verzoek om op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van de toe te passen vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, overweegt het hof het volgende. De proceskostenvergoeding op grond van het Bpb is een forfaitaire tegemoetkoming voor, in onderhavige zaak, de gemaakte kosten van de betrokkene voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Een proceskostenvergoeding is niet bedoeld om alle gemaakte kosten te dekken. Om van het Bpb af te kunnen wijken op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden.
Volledig
Immers, als de vermenigvuldigingsfactoren niet toegepast zouden worden op de berekening van de toe te kennen proceskostenvergoeding, dan zouden de toe te kennen vergoedingen de in Wahv-zaken gemaakte kosten mogelijk vergaand overstijgen nu het bedrijfsmodel al kostendekkend zou zijn, hetgeen strijdig is met de bedoeling van de wetgever (Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13). 11. In reactie op hetgeen de advocaat-generaal heeft aangevoerd, reageert de gemachtigde dat hij zich niet kan vinden in het standpunt van de advocaat-generaal dat de verkochte jaarabonnementen buiten beschouwing worden gelaten. Er worden namelijk zeer regelmatig jaarabonnementen verkocht. Daarbij ziet de kwalificatie van no cure no pay op het bedrijfsmodel en niet op een geïsoleerd prijscomponent in een individuele zaak. Het buiten beschouwing laten van de abonnementen, de herhaalbetalingen en de cumulatieve omzet leidt tot een gefragmenteerde en kunstmatige beoordeling, die niet strookt met de lijn van de Hoge Raad en ook niet met wat het hof zelf heeft overwogen ten aanzien van het totale bedrijfsmodel dat beoordeeld moet worden (zie het arrest van 3 november 2025). Als het bedrijfsmodel als geheel wordt gezien, ontstaat een ander beeld. De instapvergoeding en de jaarabonnementen zijn geen vrijblijvende drempel, maar onderdeel van een structureel verdienmodel. Het bedrijfsmodel genereert een substantiële jaaromzet dat volledig betaald wordt door cliënten, ongeacht de uitkomst van de procedures. De gemachtigde voert daarnaast aan dat de advocaat-generaal lijkt te betogen dat voor een bedrag van € 12,99 een gehele procedure wordt gevoerd inclusief het bezoeken van een zitting in het land, maar dat dit niet het geval is nu het financieel niet meer te verantwoorden is om de tijdsinvestering en reiskosten te maken om een zitting bij te wonen, doordat de vergoeding met 75 procent is verminderd. Verder verzoekt de gemachtigde, mocht voorgaande niet slagen, om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) af te wijken van de WHpkv, nu de reiskosten € 148,12 (2 x 322 kilometer x € 0,23) zijn. 12. Het hof overweegt het volgende. De wetgever heeft in de WHpkv, ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wahv, het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. In de onderhavige zaak heeft de gemachtigde rechtsbijstand verleend na betaling door de betrokkene van een vergoeding van € 12,99. Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 en het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46). De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld (vgl. de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670 en 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175). Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375). Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een vergoeding van € 12,99 zodanig beperkt van omvang is dat dit niet als een reëel financieel risico voor de betrokkene kan worden beschouwd. 13. Voor zover de gemachtigde stelt dat een vergoeding van € 12,99 kostendekkend is, kan reeds daaruit worden geconcludeerd dat onverkorte toepassing van het Bpb leidt tot vergaande overdekking van de kosten van de procedures. De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 april 2025 geoordeeld dat om te beoordelen of het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor voldoet aan het kenmerk van vergaande overdekking een vergelijking moet worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. De informatie die de gemachtigde heeft overgelegd bevat onvoldoende informatie over het bedrijfsmodel waarop de dienstverlening in deze zaak is gebaseerd. Zo heeft de gemachtigde niet opgegeven hoeveel hij aan proceskostenvergoedingen heeft ontvangen, noch heeft hij dit afgezet tegen de kosten die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Bij de opgegeven inkomsten heeft de gemachtigde vergoedingen die hij heeft ontvangen in zaken als onderhavige (€ 12,99) opgeteld bij vergoedingen die hij ontvangt voor maand- en jaarabonnementen. Niet duidelijk is hoe deze abonnementen moeten worden geduid. De gemachtigde maakt een vergelijking met rechtsbijstandverzekeringen. Niet gesteld is echter, noch gebleken, dat de gemachtigde beschikt over een vergunning ingevolge de Wet op het financieel toezicht van De Nederlandsche Bank, dan wel de Autoriteit Financiële Markten, om bedrijfsmatig rechtsbijstandsverzekeringen te mogen aanbieden. De inkomsten die de gemachtigde uit de abonnementen ontvangt moeten in het kader van deze beoordeling dan ook buiten beschouwing blijven. Verder maakt de gemachtigde in zijn opstelling van bedrijfskosten geen onderscheid tussen de verschillende diensten die hij aanbiedt. Niet inzichtelijk is welke kosten kunnen worden toegerekend aan Wahv-procedures als de onderhavige. Zoals het hof in het arrest van 3 november 2025 heeft geoordeeld, moet de vergoeding van een bedrag van € 12,99 worden beoordeeld in relatie tot het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde om te kunnen oordelen of het geval kennelijk niet alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken heeft. Nu de door de gemachtigde overgelegde stukken onvoldoende inzicht geven in het bedrijfsmodel kan niet worden vastgesteld dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van de betrokkene één of meer kenmerken niet heeft. Er is dan ook geen sprake van een bijzonder geval dat zou moeten leiden tot buiten toepassing laten van de vermenigvuldigingsfactoren als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. 14. Ten aanzien van het verzoek om op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van de toe te passen vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, overweegt het hof het volgende. De proceskostenvergoeding op grond van het Bpb is een forfaitaire tegemoetkoming voor, in onderhavige zaak, de gemaakte kosten van de betrokkene voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Een proceskostenvergoeding is niet bedoeld om alle gemaakte kosten te dekken. Om van het Bpb af te kunnen wijken op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden.