Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-10
ECLI:NL:RBMNE:2025:1886
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,087 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1158
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2025 in de zaak tussen
de FNV, de CNV Vakmensen, De Unie en de Nederlandse Veiligheidsbranche (NVB) gevestigd in Utrecht respectievelijk in Gorinchem, verzoekers
(gemachtigde: mr. M.H.D. Vergouwen),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: mr. A.S.M.J. Bol).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: de Vereniging Veiligheidsdomein Nederland (VVNL) uit Maastricht en Alternatief voor Vakbond (AvV), uit Amsterdam, derde-partijen
(gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van 17 januari 2024 en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Zij hebben dit verzoek ingetrokken, omdat de minister op 7 februari 2025 op het bezwaar heeft beslist en daarin tegemoet is gekomen aan de bezwaren van de verzoekers.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om een proceskostenveroordeling. De minister heeft hierop niet gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Is de minister aan het verzoek tegemoetgekomen?
3. De minister is met het besluit op bezwaar aan de bezwaren van verzoekers tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekers tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekers hebben dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister aan het verzoek van verzoekers is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient de minister te vergoeden?
4. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekers hebben zich laten bijstaan door hun gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de minister moet vergoeden € 907,- bedragen.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat de minister de werking van het besluit van 17 januari 2024 heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekers terug.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.