Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-18
ECLI:NL:RBMNE:2024:4360
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,303 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1163
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekers] B.V. e.a., uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigden: mr. M.W. Holtkamp en mr. M.P.K. Ahsmann),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, het college
(gemachtigde: mr. D.T. de Winter).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun verzoek om een voorlopige voorziening, dat zij hebben ingediend in afwachting van de uitkomst op hun beroep tegen het besluit op bezwaar van het college van 20 december 2023. Dit besluit is gevolgd op het bezwaar dat verzoekers hebben ingediend tegen het verkeersbesluit van het college van 24 maart 2023.
Zij hebben het verzoek ingetrokken, omdat het college heeft laten weten de werking van dit besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het primaire besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het opschorten van de tenuitvoerlegging van het primaire besluit aan verzoekers tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekers tegemoetkomt reden is om het verzoek om een proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekers hebben dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekers hebben zich laten bijstaan door hun gemachtigden. Deze gemachtigden hebben een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 875,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 875,- bedragen.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college de werking van het besluit van 24 maart 2023 heeft opgeschort totdat op het beroep is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekers terug.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 875,- aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.